Verbruik niet aantoonbaar, consument krijgt betaalde bedragen terug

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 218645/228694

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagt over een hoge eindafrekening van ruim €5.000, gebaseerd op geschatte meterstanden tussen 2015 en 2021. Hij heeft jarenlang geen meterstanden doorgegeven, maar ook de netbeheerder heeft deze niet opgenomen zoals verplicht. De ondernemer ging uit van een geschatte beginstand, die achteraf niet betrouwbaar bleek. Daardoor kan het werkelijke verbruik niet worden vastgesteld. De commissie oordeelt dat de consument met zijn eerdere betalingen heeft voldaan aan zijn verplichtingen. De afbetalingen van €600 zijn onterecht geweest en moeten worden terugbetaald. Ook krijgt de consument €52,50 terug voor het klachtengeld. De klacht is gegrond.

De volledige uitspraak

Samenvatting
Het geschil betreft de op de correctienota van 20 september 2021 en op de eindnota van 11 oktober 2021 door de ondernemer aan de consument in rekening gebrachte bedragen voor het verbruik van energie.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In september 2021 ontving de consument een eindafrekening met een bij te betalen bedrag van € 5.168,47. De eindafrekening is niet juist.

De consument is vanaf 2016 klant van de ondernemer. Hij ontving elk jaar een afrekening. Soms moest hij bijbetalen en soms kreeg hij geld terug. Het maandbedrag was aanvankelijk € 71,– en op het laatst € 131,–. De consument is al vanaf 2005 de huurder van de betreffende woning. Zijn gemiddelde verbruik kwam overeen met het verbruik ten tijde van de overeenkomst met de ondernemer.

De consument betwist het op de correctienota van 21 september 2021 in rekening gebrachte verbruik. Op deze correctienota wordt een verbruik van 5713 kWh stroom en 5659 m3 gas aan hen in rekening gebracht. De jaarnota’s in de periode 2016 t/m 2021 zijn gebaseerd op geschatte meterstanden. In september 2021 heeft de consument in verband met de overstap naar een andere leverancier de meterstanden doorgegeven. Daaruit zou volgens de ondernemer blijken dat het verbruik in de afgelopen jaren hoger was dan geschat. Het is juist dat de consument de meterstanden niet of niet tijdig heeft doorgegeven, maar dat brengt niet mee dat een onjuist geschat verbruik voor zijn rekening dient te komen.

Het maandbedrag is van € 71,– in de loop der jaren verhoogd naar € 113,–. De consument heeft elk jaar het vastgestelde bedrag betaald zodat het ondenkbaar is dat in een periode een dergelijke grote achterstand is ontstaan.

De consument verlangt dat de correctienota opnieuw wordt berekend en dat daarbij wordt uitgegaan van de juiste beginstand ten tijde van de aanvang van het contract en niet van een geschatte beginstand.

Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.

Uit de eindnota van energieleverancier van 2016 blijkt met zoveel woorden dat de eindstand een geschatte stand is. Dat geldt dus ook voor de beginstand die de ondernemer heeft aangehouden. De aflossingsregeling is geschorst in verband met de uitspraak van de commissie over het depotbedrag. De consument heeft 6 termijnen betaald. De consument verkeerde in die tijd in een moeilijke periode en kon om die reden de standen niet doorgeven. De consument zat in de schuldhulpverlening en hoorde toen maandenlang niets van zijn advocaat. De brief van de advocaat van november 2021 werd pas in februari 2022 beantwoord door de ondernemer. Tijdens de schuldhulpverlening heeft de ondernemer de vordering ingetrokken en laten rusten om daarop later weer terug te komen. Er was dus aanvankelijk geen reden om een klacht in te dienen.

Nadat om een correctie was gevraagd bleek dat sprake was van geschatte standen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht gaat over de eindnota van 11 oktober 2021. Volgens de consument is het daarop vermelde verbruik op onjuiste gronden vastgesteld.

De ondernemer doet primair een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de consument, zie artikel 6 lid 1 onder a van het reglement van de commissie, aangezien de consument de klacht niet conform artikel 18 lid 2 van de Algemene Voorwaarden van de ondernemer. De advocaat van de consument heeft op 29 december 2021 aangegeven uitleg te willen over het in rekening gebrachte verbruik, waarop de ondernemer op 20 januari 2021 heeft gereageerd. Vlak voor de eindnota heeft de ondernemer reeds een correctie uitgevoerd en heeft daarna meerdere malen uitgelegd dat het in rekening gebrachte verbruik juist is. Pas 2 jaar later dient de consument een klacht bij de commissie in.

Via zijn advocaat heeft de consument op 4 januari 2022 een eerste klacht ingediend. Op 20 januari 2022 heeft de ondernemer daarop gereageerd. Eindelijk op 17 juni 2022 ontving de ondernemer een reactie van de advocaat van de consument. Op 21 juni 2022 reageerde de ondernemer inhoudelijk en werd het dossier gesloten. Vervolgens ontving de ondernemer op 14 februari 2023 wederom vragen van de consument over de gehanteerde beginstanden op de correctienota.

Bij de overstap van de consument per 9 augustus 2015 ontving de ondernemer de standen van de vorige leverancier en heeft hij deze verwerkt. De jaren daarna verzocht de ondernemer telkens om een opgave van de meterstanden, maar deze nooit ontvangen. Per 1 oktober 2021 stapte de consument over naar een andere leverancier en werden de meterstanden van de consument ontvangen. De beginstanden zijn afkomstig van de vorige leverancier. Die kunnen niet in twijfel worden getrokken. De ondernemer heeft telkens op de jaarnota’s aangeven dat sprake was van geschatte standen.

De leverancier heeft geen inzage in het verbruik achter de meter. De ontvangen meterstand is doorslaggevend. Volgens artikel 9 lid 1 en 2 van de AV is de ondernemer gerechtigd het werkelijke verbruik in rekening te brengen.

De conclusie is dat de consument de klacht te laat bij de commissie heeft ingediend en dat de correctie van het verbruik door de ondernemer juist is.

Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.

De klacht is pas op 15 augustus 2023 bij de commissie ingediend. De advocaat reageerde erg sloom. Een reactie liet 6 maanden op zich wachten. Het staat vast dat de consument in gebreke is gebleven met het doorgeven van de standen. Na een overstap is het niet meer mogelijk het meetregister te raadplegen. De ondernemer heeft de regels van de verjaring niet toegepast omdat er geen reactie van de zijde van de consument kwam. De beginstanden zijn hard en duidelijk. De standen heeft de ondernemer van de vorige leverancier of de netbeheerder ontvangen.

Het is duidelijk.

Beoordeling commissie
De commissie heeft het volgende overwogen.

In deze zaak klaagt de consument over het in rekening gebrachte verbruik op de correctienota van 21 september 2021 en op de eindafrekening van 11 oktober 2021.

De consument stelt zich op het standpunt dat de beginstanden, te weten de standen ten tijde van de overstap en de ook daaropvolgende meterstanden telkens geschatte standen zijn geweest en dat zijn verbruik met de door hem betaalde bedragen is betaald.

De consument erkent tussentijds geen meterstanden te hebben doorgegeven vanwege persoonlijke omstandigheden.

De consument is niet te laat geweest met het indienen van de klacht, omdat de zaak lange tijd heeft stilgelegen in verband met zijn schuldhulpverlening en daarna weer is opgepakt.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

Primair stelt de ondernemer dat sprake is geweest van een fatale termijnoverschrijding aangezien hij de klacht niet binnen 12 maanden nadat hij de klacht bij de ondernemer heeft ingediend, bij de commissie heeft ingediend.

Voorts stelt de ondernemer dat de correctie op juiste gronden is uitgevoerd en dat er geen termen zijn om de wettelijke verjaringsregels toe te passen.

De ontvankelijkheid van de consument

De commissie is van oordeel dat de consument in zijn klacht kan worden ontvangen. De klacht is op 15 augustus 2023 bij de commissie ingediend nadat de consument in februari 2023 nog nadere vragen over deze kwestie aan de ondernemer had gesteld.

De omstandigheid dat de zaak daarvoor geruime tijd heeft stilgelegen is te wijten geweest aan de bemoeienis van de gemeentelijke schuldhulpverlening en is dus niet eenzijdig aan de consument toe te rekenen, maar ook aan de ondernemer. Het is voorts niet te verwachten dat tijdens een dergelijk traject door de consument een klacht bij de commissie wordt ingediend, nu namens hem wordt geprobeerd zijn schulden te saneren, waaronder de schuld aan de ondernemer.

Kortom, van een termijnoverschrijding is geen sprake geweest en als dat wel zou moeten worden aangenomen is die overschrijding in de gegeven omstandigheden verschoonbaar geweest.

De verdere beoordeling

Uit de aan haar overgelegde stukken en uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht is gebleken dat bij het opstellen van de jaarafrekeningen de ondernemer vanaf 2015 tot en met 2021 onafgebroken is uitgegaan van geschatte meterstanden. Ook is anders dan de ondernemer stelt, sprake geweest van een geschatte beginstand.

Die omstandigheid is te wijten aan het feit dat de consument de meterstanden nooit heeft doorgegeven, maar ook aan het feit dat kennelijk in al die jaren de meterstanden niet zijn opgenomen door de regionale netbeheerder, die daarvoor op grond van het bepaalde in artikel 5.2.2.1 van de Informatiecode elektriciteit en gas wel eens per 36 maanden gehouden was feitelijk op te nemen dan wel dat de ondernemer de wel opgenomen standen niet heeft overgenomen. Aldus kan niet worden gezegd dat de ondernemer in deze geen verantwoordelijkheid heeft en zich achter het nalaten van de consument kan verschuilen.

Daarbij komt dat de ondernemer ten onrechte ervan is uitgegaan dat de eindstand van de vorige leverancier, de beginstand bij de aanvang van de levering door de ondernemer een juiste “harde” stand was, hetgeen kennelijk niet het geval was. Dit brengt mee dat het feitelijk gebruik vanaf de levering niet kan worden vastgesteld.

Het argument van de ondernemer om de verjaring niet toe te passen is merkwaardig. Het enkel niet reageren van de consument op de verzoeken om de meterstanden op te geven is daarvoor geen goede reden.

Gelet op het bovenstaande is de ondernemer er dan ook niet in geslaagd in voldoende mate aannemelijk te maken dat het in rekening gebrachte verbruik het feitelijke verbruik van de consument is geweest, nog afgezien van de verjaringsproblematiek, die tot een verdeling van het verbruik en een onderscheid tussen de wel en niet verjaarde verbruiksjaren zou hebben moeten leiden.

De commissie zal dan ook voor recht verklaren dat de consument met de door hem gedane betalingen aan de ondernemer aan zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft voldaan.

Dit brengt voorts mee dat de door de consument uit hoofde van de afbetalingsregeling betaalde bedragen, te weten 6 maal € 100,–, door hem onverschuldigd zijn betaald en op die grond aan de consument dienen te worden terugbetaald.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart voor recht dat de consument al zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten en inmiddels beëindigde overeenkomst tot het leveren van energie is nagekomen.

De commissie veroordeelt de ondernemer tot betaling van een bedrag van € 600,–; betaling dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer mr. SJ.S. Bakker, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 15 april 2024.

Opslaan als PDF