Commissie: Advocatuur
Categorie: Kosten / toevoeging
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: arbitraal vonnis
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
318336/332290
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt had een conflict met zijn advocaat over een slotfactuur van €1.257,80 voor juridische hulp bij de afwikkeling van een erfenis. De cliënt vond dat de advocaat te veel had gerekend en dat hij recht had op gesubsidieerde rechtsbijstand (een toevoeging). Ook vond hij dat de advocaat zich niet aan de gemaakte afspraken hield en dat de factuur onduidelijk was. De advocaat stelde dat hij duidelijk had uitgelegd waarom een toevoeging op dat moment niet mogelijk was en dat hij zijn werk netjes en volgens afspraak had gedaan. De Geschillencommissie Advocatuur oordeelde dat de advocaat heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een goed advocaat. De factuur was duidelijk en niet te hoog. Daarom moet de cliënt het bedrag betalen, inclusief wettelijke rente vanaf 30 juni 2023. Ook moet hij €90,75 betalen voor de kosten van de procedure. De extra kosten voor een mogelijke toekomstige gerechtelijke uitvoering (exequatur) zijn afgewezen.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
De heer mr. N. Schaar, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk en de heer mr. C.J.J. Havermans, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in de correspondentie tussen partijen. Bij e-mail van 19 februari 2024 heeft de advocaat de cliënt gevraagd of hij het tussen hen gerezen geschil wil laten beslechten door de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie) dan wel door de kantonrechter. In zijn reactie van 24 februari 2024 heeft de cliënt de advocaat laten weten dat hij kiest voor de commissie. De cliënt heeft het vragenformulier van de commissie ondertekend. Door deze ondertekening heeft hij verklaard zich te onderwerpen aan de bepalingen van het reglement van de commissie. Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het reglement van de commissie te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De advocaat heeft de cliënt vertegenwoordigd in het contact met zijn twee mede-erfgenamen (zijn broer en zijn zus) teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de omvang en de verdere afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder. De cliënt heeft nadrukkelijk te kennen gegeven zelf op geen enkele wijze persoonlijk contact te willen hebben met zijn broer en zus. Na de bepaald niet eenduidige problematiek, zoals geschetst door de cliënt, enigszins in kaart te hebben gebracht, heeft de advocaat zijn inspanningen hierop gericht middels (sommatie-) brieven, de beoordeling van reacties en het plegen van overleg naar aanleiding van reacties of tegenstrijdigheden, die zich voordeden. Volgens de cliënt waren er in het jaar voorafgaande aan het overlijden van zijn moeder niet onaanzienlijke bedragen van haar spaarrekening verdwenen en tijdelijk geparkeerd op een bankrekening ten name van zijn broer. Hierover is gecorrespondeerd met de zus van de cliënt. Op enig moment liet ook zij zich bijstaan door een advocaat. Dit vormde voor de cliënt reden om de advocaat te instrueren de correspondentie met onmiddellijke ingang te staken en over te gaan tot dagvaarden. De advocaat heeft de cliënt vervolgens een schriftelijk advies met een kostenprognose gegeven. Kort daarna heeft de advocaat van de advocaat van de zus van de cliënt de verzochte kopieën van de spaarrekening en een redelijk gedocumenteerde en van bewijsstukken voorziene boedelbeschrijving ontvangen, alsmede een gedocumenteerd antwoord op resterende vragen.
Daags na een en ander telefonisch met de cliënt te hebben besproken, heeft de cliënt de advocaat te kennen gegeven de kwestie inmiddels te hebben voorgelegd aan een notaris, geen heil te zien in een procedure en af te zien van verdere diensten van de advocaat. Hierop heeft de advocaat de cliënt zijn gespecifieerde slotdeclaratie ten bedrage van € 1.257,80 gestuurd. De cliënt heeft deze onbetaald gelaten.
De advocaat heeft de cliënt naar vermogen bijgestaan. Hij heeft de cliënt een afschrift van alle gevoerde correspondentie verzonden. De bij de slotdeclaratie behorende specificatie is concreet en conform de daadwerkelijk gewerkte uren. De declaratie en de specificatie bevatten geen cryptische omschrijvingen of ongebruikelijke kostenopvoeringen. De systematiek is gebruikelijk en bovendien gelijk aan die van de eerste declaratie van de advocaat, die de cliënt zonder verdere op- of aanmerkingen heeft betaald.
De advocaat verzoekt de commissie te bepalen dat de cliënt het openstaande bedrag van € 1.257,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023, aan de advocaat moet betalen. Voorts verzoekt de advocaat de commissie de cliënt te veroordelen tot betaling van de aan deze procedure verbonden kosten daaronder begrepen de eventueel nog te maken kosten voor de verkrijging van een exequatur.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bij aanvang van de zaak heeft de cliënt met de advocaat expliciet gesproken over de aanvraag van een toevoeging. De advocaat had hier niet direct oren naar en zei dat hij bij een eventuele rechtsgang geen toevoeging zou aanvragen. Achteraf is de cliënt gebleken dat hij wel degelijk voor een toevoeging in aanmerking zou zijn gekomen. Zijn nieuwe advocaat werkt wel op toevoegingsbasis. De cliënt is ervan uitgegaan dat de advocaat de kosten in eerste instantie zou beperken tot het bedrag dat de cliënt bij een toevoeging kwijt zou zijn. De cliënt rekende op € 600,– à € 750,–. Na enige tijd stuurde de advocaat een declaratie die drie keer zo hoog was. Hoewel hij op de hoogte was van de financiële situatie van de cliënt, heeft hij willens en wetens de meter gewoon door laten lopen.
Hoewel de cliënt erg geschrokken is van het door de advocaat in rekening gebrachte bedrag, heeft hij de declaratie toch betaald. Hij heeft met de advocaat gesproken over de hoogte van de declaratie in relatie tot zijn werkzaamheden en marsroute. Tegen elke afspraak in bleek de advocaat zich bezig te willen houden met één specifiek onderdeel van de zaak, terwijl de cliënt het totaal behandeld wilde hebben.
Op grond van deze ontwikkeling en een aantal andere zaken heeft de cliënt besloten de overeenkomst met de advocaat te beëindigen. Dit heeft geleid tot een slotdeclaratie van de advocaat met een exorbitant hoog bedrag. De samenstelling van de slotdeclaratie is bezijden de waarheid en onduidelijk. De cliënt heeft bezwaar gemaakt tegen een post studie, die de advocaat vervolgens bereid was te schrappen. Voor de cliënt gaf dat eens te meer aan dat met deze declaratie is geknoeid. Na de eerste declaratie zijn er nauwelijks activiteiten meer ontplooid vanwege het uitblijven van reacties van de wederpartij. De cliënt heeft de advocaat het voorstel gedaan om de slotdeclaratie te halveren. De advocaat heeft dit voorstel afgewezen.
De cliënt verzoekt de commissie te bepalen dat hij de slotdeclaratie niet hoeft te betalen.
Behandeling van het geschil
Op 22 oktober 2024 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. drs. I.M. van Trier fungerend als secretaris.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.
Beide partijen zijn digitaal ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht.
Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat
De advocaat vordert betaling van zijn slotdeclaratie. De cliënt heeft verweer gevoerd tegen deze vordering van de advocaat.
De cliënt stelt allereerst dat de advocaat een toevoeging voor hem had moeten aanvragen. De commissie constateert dat de advocaat in de opdrachtbevestiging van 27 februari 2023 onder meer heeft vermeld: “Kort na de bespreking heb ik u meegedeeld dat, hoewel u op grond van uw inkomen mogelijk wel in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand, de omstandigheid dat nog niet is gebleken van een geschil waarbij de juridische bijstand van een advocaat ingevolge de Wet op de Rechtsbijstand als noodzakelijk kan worden verondersteld, naar mijn verwachting aan de toekenning daarvan in deze fase in de weg zal staan. Wij spraken af dat ik de voorshands beperkte opdracht, zoals hiervóór geformuleerd, op betalende basis zal verrichten totdat van een verhindering van een beroep gesubsidieerde rechtsbijstand niet langer sprake is. Het door mij gehanteerde honorarium bedraagt € 180,- per uur, te vermeerderen met 5% bureaukosten en BTW. Kosten ten behoeve van de uitvoering van de opdracht, zoals uittreksels en eventuele bijkomende kosten zullen aan u worden doorberekend.”
De advocaat heeft aldus de financiële consequenties van de dienstverlening vastgelegd en duidelijk uitgelegd waarom hij nog geen toevoeging voor de cliënt kon aanvragen. De advocaat heeft ter zitting benadrukt dat hij – anders dan de cliënt stelt – bij een eventuele procedure wel een toevoeging voor de cliënt had willen aanvragen.
De commissie stelt voorts vast dat de cliënt zich in zijn e-mail van 27 februari 2023 uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met de opdrachtbevestiging.
De cliënt maakt de advocaat voorts het volgende verwijt: “geen duidelijke marsroute omtrent geschil, slechts een krent uit de pap”.
In de opdrachtbevestiging van 27 februari 2023 beeft de advocaat de inhoud van de opdracht als volgt omschreven: “Op 20 februari 2023 hebben wij gesproken over het openvallen van de nalatenschap van uw moeder op 2 februari 2023 in relatie tot het feit dat u tot op heden niets heeft vernomen over de afwikkeling daarvan door uw mede-erfgenamen. Gelet op de niet uit te sluiten mogelijkheid dat de afwikkeling buiten u om zal plaats vinden, mede beschouwd vanuit de verstoorde relatie en de voorliggende wens om het contact met hen niet zelf te onderhouden, heeft u mij verzocht om als contactpersoon te fungeren. Wij hebben besproken dat ik voor u de communicatie met uw mede-erfgenamen voor mijn rekening neem ten einde vast te stellen hoe, door wie en op welke wijze zij voornemens zijn om de afwikkeling ter hand te nemen”.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de advocaat overeenkomstig de opdracht werkzaamheden heeft verricht. Van het ontbreken van een marsroute en “het slechts een krent uit de pap’ is de commissie niet gebleken. De inspanningen van de advocaat hebben er onder meer toe geleid dat de cliënt de door hem gewenste inzage in de spaarrekening heeft gekregen. De advocaat heeft onweersproken gesteld dat juist dit onderwerp voor de cliënt van belang was.
Tot slot voert de cliënt als bezwaar tegen de slotdeclaratie aan dat deze is gebaseerd op onduidelijkheid en dat bovendien het merendeel van de werkzaamheden al was behandeld en gefactureerd. De commissie stelt vast dat de advocaat de cliënt een bij de slotdeclaratie behorende specificatie van zijn werkzaamheden heeft gestuurd. De advocaat heeft daarin zijn werkzaamheden naar het oordeel van de commissie voldoende duidelijk omschreven. De op de specificatie vermelde omschrijvingen van de werkzaamheden zijn gebruikelijk in de advocatuur. Voor wat betreft de post studiekosten heeft de advocaat in zijn e-mail van 11 januari 2024 nadere uitleg aan de cliënt gegeven. De cliënt heeft geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de overige posten. Zijn stelling dat het merendeel al was behandeld en gefactureerd, heeft de cliënt niet nader onderbouwd. De commissie komt de declaratie niet bovenmatig voor.
Het geheel overziende komt de commissie tot de conclusie dat de advocaat heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De commissie zal dan ook bepalen dat de cliënt het openstaande bedrag van € 1.257,80 aan de advocaat dient te voldoen. De commissie zal ook de verzochte wettelijke rente toewijzen.
De commissie zal voorts de cliënt als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 90,75 van het door de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters. Gelet op de beslissing wordt de advocaat geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens de cliënt te hebben voldaan. De commissie zal voorts bepalen dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie.
Ten aanzien van de door de advocaat verzochte kosten voor de verkrijging van een exequatur overweegt de commissie als volgt. Uit het systeem van de wet volgt dat voor het geval de bij vonnis veroordeelde partij niet vrijwillig aan de veroordeling voldoet, de andere partij genoodzaakt wordt tot executie over te gaan. Het betreft een toekomstige nog niet vaststaande omstandigheid. Daarnaast geldt in dit geval een geheel nieuwe procesgang, welke geheel eigen regels kent omtrent de kostenlast. Om die redenen wijst de commissie de vordering tot vergoeding van de kosten voor het verkrijgen van een exequatur dan ook af.
Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt beslist als volgt
Beslissing
De commissie:
– Veroordeelt de cliënt om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 1.257,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
– Bepaalt dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt de cliënt in de kosten van deze arbitrage, aan de zijde van de advocaat vastgesteld op € 90,75 aan honorarium en verschotten van de arbiters;
– Wijst het meer of anders verzochte af.
Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op 22 oktober 2024 en door de arbiters van de Geschillencommissie Advocatuur ondertekend. De heer mr. N. Schaar, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk & de heer mr. C.J.J. Havermans