Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
377731/496795
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt diende een klacht in tegen zijn advocaat, omdat hij vond dat zij hem niet goed had geholpen tijdens zijn echtscheidingsprocedure. Hij was vooral boos dat er geen verzoek was ingediend om de kinderalimentatie te verlagen nadat zijn inkomen daalde. Ook voelde hij zich niet gesteund en vond hij de houding van de advocaat neerbuigend. De advocaat gaf aan dat een wijziging van de alimentatie niet mogelijk was binnen de lopende procedure en dat daarvoor een aparte procedure nodig was. Ze had geprobeerd een oplossing te vinden in overleg met de ex-partner, maar toen dat niet lukte en de cliënt de samenwerking stopzette, kon ze geen verdere stappen meer nemen. De Geschillencommissie oordeelde dat de advocaat heeft gehandeld zoals van een goede advocaat mag worden verwacht. De klacht is daarom ongegrond en de cliënt krijgt geen schadevergoeding. Wel moet hij het openstaande bedrag van €3.403,73 aan de advocaat betalen. Het eerder gestorte depotbedrag wordt aan de advocaat overgemaakt.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat en de schade die de cliënt stelt te hebben geleden door het handelen en/of nalaten van de advocaat.
De cliënt heeft een bedrag van € 3.403,73 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De cliënt heeft zich tot de advocaat gewend in verband met zijn echtscheiding. Hij heeft nooit een opdrachtbevestiging van haar ontvangen. Hij vraagt zich daarom af of sprake is van een geldige overeenkomst tussen hem en de advocaat.
De advocaat heeft geen wijziging verzocht voor het verlagen van de kinderalimentatie, die de cliënt aan zijn ex-echtgenote (hierna te noemen: de wederpartij) moet betalen. Zij had dit wel moeten doen. Immers, er is door de rechtbank een alimentatieberekening gemaakt op basis van het oude inkomen van de cliënt. Op basis van deze berekening is de alimentatie vastgesteld op ongeveer € 550,– per maand. Doordat de cliënt na de definitieve uitspraak van de rechtbank in de Ziektewet is gekomen, is zijn inkomen gedaald. Uit een nieuwe berekening aan de hand van zijn gewijzigde inkomen blijkt dat zijn draagkracht slechts €133,– per maand is.
Volgens de advocaat was een aparte procedure nodig om wijziging van de alimentatie te vragen. Zij is deze echter niet gestart, omdat een wijzigingsverzoek volgens haar veel geld kost en omdat de cliënt volgens haar “later toch meer gaat verdienen”. De advocaat heeft hem er niet op gewezen dat de vastgestelde alimentatie onherroepelijk is. Weliswaar zou een wijzigingsprocedure geld hebben gekost, maar het zou de cliënt veel problemen hebben bespaard.
Door de nalatigheid van de advocaat is de cliënt nu definitief gebonden aan een alimentatiebedrag dat hij niet kan opbrengen en dat ook niet in lijn met de inkomensrichtlijn is. De wederpartij is niet bereid om in onderling overleg een lager alimentatiebedrag vast te stellen.
De advocaat heeft voorts stellingen van de advocaat van de wederpartij voor waar aangenomen, terwijl deze feitelijk onjuist zijn. Hoewel deze advocaat loog, beschuldigde de advocaat de cliënt juist van liegen.
De advocaat heeft ook geweigerd stukken bij de rechtbank in te dienen, terwijl de cliënt daar juist uitdrukkelijk om had verzocht. Haar argument dat de rechtbank deze stukken niet zou accepteren, is onjuist.
De cliënt heeft in het algemeen het gevoel gehad dat hij voortdurend werd tegengewerkt door de advocaat. Op geen enkel moment in het traject heeft hij het gevoel gekregen dat de advocaat hem heeft gesteund of alles heeft geprobeerd om ervoor te zorgen dat hij zijn kinderen vaker zou zien. De houding van de advocaat heeft de cliënt als neerbuigend, arrogant en belerend ervaren. De cliënt heeft de samenwerking met de advocaat beëindigd. Hij heeft zich daarna niet tot een andere advocaat gewend, omdat hij geen vertrouwen meer heeft in de advocatuur en de rechtspraak.
De cliënt heeft met de advocaat een betalingsregeling afgesproken voor de openstaande rekeningen, maar de advocaat heeft – ondanks zijn verzoek daartoe – verzuimd een rekeningnummer door te geven, Het aanmaken van een betalingslink was volgens haar ook niet mogelijk. Daardoor kon de cliënt de betalingsregeling niet nakomen. De advocaat heeft direct gedreigd met incassomaatregelen.
De cliënt verlangt excuses van de advocaat. Voorts verzoekt hij de commissie hem een schadevergoeding toe te kennen voor het verschil tussen de hogere alimentatie (€ 550,–per maand) en de lagere alimentatie (€ 133,– per maand) vanaf september 2023 tot en met het moment dat de alimentatie naar beneden wordt bijgesteld door een wijzigingsverzoek. Tot mei 2024 bedraagt dit verschil € 3.753,–.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De cliënt heeft zich tot het kantoor van de advocaat gewend met het verzoek om hem bij te staan in het verdere verloop van zijn echtscheidingsprocedure. Deze procedure was afgerond op de zorgregeling na. De cliënt is geïnformeerd over de persoon die hem verder zou bijstaan en over het plan van aanpak. Hij heeft vervolgens een aantal malen de maandelijkse declaraties voldaan. Dit maakt dat er sprake is van een opdrachtbevestiging en dat de cliënt de opdracht heeft erkend.
De cliënt heeft de advocaat laten weten dat zijn inkomen was gewijzigd. De advocaat van de wederpartij heeft de advocaat voorts geïnformeerd dat sprake was van achterstallige kinderalimentatie, die de cliënt niet wenste te voldoen. De advocaat heeft zich vervolgens ingezet om op zoek te gaan naar een regeling in der minne door te werken aan een voorstel voor verrekening van de tussen partijen over en weer openstaande vorderingen. Zij heeft de cliënt meerdere keren gewezen op het risico dat de wederpartij het LBIO kon inschakelen om nakoming van de betalingsverplichting te vorderen. De cliënt heeft meerdere keren aangegeven dit te begrijpen en dat risico te aanvaarden. Toen de wederpartij niet meer openstond voor verrekening en bij de cliënt bleef aandringen om de achterstallige kinderalimentatie te voldoen, heeft de advocaat de cliënt erop gewezen dat het in zijn belang was om de achterstallige kinderalimentatie te voldoen. Dit vergrootte zijn kansen tot overeenstemming en was van belang in verband met de lopende procedure ten aanzien van de zorgregeling. Nadat het LBIO door de wederpartij was ingeschakeld, heeft de cliënt aangegeven toch bereid te zijn de achterstallige kinderalimentatie te betalen. De advocaat heeft hem toen een opzet gestuurd voor een voorstel aan de wederpartij om in onderling overleg een lagere kinderalimentatie vast te stellen. Ook heeft zij hem kostenindicatie voor een eventuele wijzigingsprocedure gestuurd. Uiteindelijk heeft de cliënt de samenwerking beëindigd, waardoor de advocaat deze procedure niet meer voor de cliënt heeft kunnen voeren. De advocaat betwist dat de cliënt schade heeft geleden door het niet eerder starten van de wijzigingsprocedure. Ook betwist zij de omvang van de schade die de cliënt stelt te hebben geleden.
In de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank een definitieve kinderalimentatie vastgesteld. De cliënt wilde dat de advocaat in deze procedure zijn inkomensgegevens aan de rechtbank zou overleggen. Nu het niet mogelijk is om in de echtscheidingsprocedure wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie te verzoeken en daarvoor een aparte procedure nodig is, is de advocaat niet aan de wens van de cliënt tegemoetgekomen. Wanneer zij dit wel had gedaan, zou sprake zijn geweest van een onnodige juridische handeling en zouden onnodige kosten zijn gemaakt.
De advocaat betwist dat zij stellingen van de advocaat van de wederpartij voor waar heeft aangenomen.
De cliënte wilde dat zijn kinderen iedere woensdag en drie weekenden per maand bij hem zouden verblijven. De advocaat heeft hem erop gewezen dat de kans klein is dat de rechtbank een verzoek tot deze zorgregeling zou toewijzen en dat de rechtbank bovendien ambtshalve een zorgregeling kan vastleggen. Zij achtte het meer in het belang van de cliënt om in gesprek te gaan met de wederpartij. De advocaat heeft echter niet afwijzend gereageerd op de voorstellen van de cliënt om zijn kinderen vaker te zien. Zij heeft hem ook niet ontmoedigd om zijn kinderen te zien.
Voor wat betreft de betalingsregeling merkt de advocaat op dat het rekeningnummer van het kantoor bij de cliënt bekend was, omdat hij eerdere declaraties handmatig heeft voldaan. Het rekeningnummer staat ook vermeld op alle naar de cliënt toegezonden declaraties. Bovendien had de cliënt contact kunnen opnemen met het kantoor en het bankrekeningnummer kunnen vragen. Het was voor de cliënt dus wel degelijk mogelijk om aan zijn betalingsverplichting te voldoen.
De advocaat is van mening dat zij steeds de belangen van de cliënt voor ogen heeft gehouden en niet in strijd heeft gehandeld met de Gedragsregels Advocatuur. De cliënt heeft voor de door de advocaat verrichte werkzaamheden elke maand een declaratie met een urenspecificatie ontvangen. Op geen enkel moment heeft hij bezwaar gemaakt tegen deze declaraties. Hij heeft een bedrag van € 3.403,73 onbetaald gelaten.
De advocaat verzoekt de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en te bepalen dat hij het openstaande bedrag dient te voldoen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
De commissie stelt voorop dat uit de overgelegde stukken genoegzaam is gebleken dat de advocaat in opdracht en voor rekening van de cliënt werkzaamheden heeft verricht. Dat de opdracht tot dienstverlening niet schriftelijk is vastgelegd, betekent niet dat geen overeenkomst tussen de cliënt en de advocaat tot stand is gekomen.
De commissie stelt vast dat de meest verstrekkende klacht van de cliënt is dat de advocaat geen verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie heeft ingediend. De advocaat stelt terecht dat zij niet kon voldoen aan het verzoek van de cliënt om in de lopende echtscheidingsprocedure een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie in te dienen, omdat dit juridisch niet mogelijk is. Voor een dergelijk verzoek is een aparte procedure nodig. Om die reden heeft de advocaat ook terecht geweigerd de gewijzigde inkomensgegeven in de lopende echtscheidingsprocedure in te dienen.
Op grond van de stukken staat vast dat de cliënt de advocaat bij e-mail van 18 oktober 2023 heeft bericht dat hij in de Ziektewet zat, waardoor hij minder verdiende en de loonstrook op basis waarvan de kinderalimentatie was berekend niet meer klopte. De advocaat heeft in reactie daaropop 19 oktober 2023 geantwoord:
“Voor wat betreft jouw opmerking over jouw inkomen; ik zal de kinderalimentatie opnieuw berekenen waarbij ik aansluit bij de berekening van de rechtbank maar wel jouw inkomen aanpas. Op basis hiervan doe ik een voorstel aan [naam advocaat van de wederpartij]. Mocht er geen akkoord komen op dit voorstel, dan kan de rechtbank worden verzocht om een wijziging van de kinderalimentatie wegens wijziging omstandigheden.”
De advocaat heeft vervolgens op 22 november 2023 de herberekening aan de cliënt gestuurd. Dat dit een maand heeft geduurd, verdient naar het oordeel van de commissie niet de schoonheidsprijs maar is onvoldoende voor de conclusie dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de advocaat in de tussentijd met de advocaat van de wederpartij heeft gecorrespondeerd over de verrekening van de vordering van de wederpartij wegens achterstallige kinderalimentatie met de vordering van de cliënt in verband met de verdeling van de gemeenschap. Eveneens op 22 november 2022 heeft de advocaat aan de advocaat van de wederpartij bericht dat het inkomen van de cliënt was gedaald en dat zij daarom een voorstel voor een nieuwe kinderalimentatie zou doen.
Echter, omdat de cliënt weigerde de achterstallige kinderalimentatie aan de wederpartij te voldoen en er bij haar geen bereidheid meer bestond om deze te verrekenen met de vordering die de cliënt in verband met de verdeling van de gemeenschap op haar had, heeft de advocaat op dat moment geen voorstel aan haar advocaat gedaan. Zij heeft dit aan de cliënt uitgelegd. De commissie is met de advocaat van oordeel dat een wijzigingsverzoek indienen bij de rechtbank in de gegeven omstandigheden weinig zinvol was. Dat zij de cliënt heeft geadviseerd om eerst de achterstallige kinderalimentatie in te lopen, acht de commissie begrijpelijk.
Uiteindelijk heeft de advocaat de cliënt bij brief van 24 april 2024 gevraagd of hij wilde dat de advocaat een procedure wijziging kinderalimentatie zou starten. Zover is het echter niet gekomen, omdat de cliënt de door de advocaat daarvoor gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd en de samenwerking met de advocaat heeft beëindigd.
De cliënt is achteraf van mening dat de advocaat meteen een wijzigingsverzoek had moeten indienen. De commissie merkt in dit verband op dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding dient te nemen en vanuit zijn/haar eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid kan bepalen hoe de belangen van een cliënt het beste worden gediend. Hoewel de commissie begrip heeft voor de lastige situatie waarin de cliënt zich door de daling van zijn inkomen bevond, getuigt het naar haar oordeel niet van een onjuiste taakopvatting dat de advocaat eerst heeft geprobeerd met de advocaat van de wederpartij in onderling overleg tot een oplossing te komen.
De cliënt maakt voorts nog een aantal verwijten aan de advocaat. De commissie treft in de overgelegde stukken en in hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, geen gronden of aanwijzingen aan voor deze door de advocaat gemotiveerd weersproken verwijten. Dat de advocaat feitelijk onjuiste stellingen van de advocaat van de wederpartij voor waar heeft aangenomen, blijkt niet uit de stukken. De commissie acht ook het door de advocaat gegeven advies met betrekking tot de door de cliënt gewenste zorgregeling begrijpelijk. Zonder te willen afdoen aan de ervaring van de cliënt, kan de commissie niet vaststellen dat de advocaat de cliënt heeft tegengewerkt en zijn belangen onvoldoende heeft behartigd.
Ook hier geldt dat de advocaat een eigen verantwoordelijkheid had ten aanzien van de wijze van behandeling van de zaak en niet blindelings de wensen van de cliënt hoefde te volgen. Hoewel de commissie zich kan voorstellen dat het resultaat van de dienstverlening van de advocaat teleurstellend is geweest voor de cliënt, betekent dit niet dat de advocaat is tekortgeschoten. Immers, bij de uitvoering van de opdracht is sprake van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. De prestatie bestond niet in het behalen van een bepaald resultaat, maar bestond daaruit dat de advocaat zich daarvoor diende in te spannen. Het is de commissie niet gebleken dat de advocaat haar inspanningsverplichting niet correct of onvoldoende is nagekomen.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De commissie acht de klacht van de cliënt dan ook ongegrond. Er is daarom geen aanleiding voor de door de cliënt verzochte excuses door de advocaat, nog daargelaten dat de commissie niet bevoegd is deze dwingend op te leggen. Ook de door de cliënt verzochte schadevergoeding zal worden afgewezen. Daarbij merkt de commissie nog op dat de cliënt geen andere advocaat heeft ingeschakeld om een wijzigingsverzoek in te dienen en de commissie dus niet kan vaststellen of de cliënt inderdaad een lager bedrag aan de wederpartij is verschuldigd en, zo ja, welk bedrag dit dan zou zijn. Het bedrag van € 133,– is enkel gebaseerd op een berekening van de advocaat. Ook de periode waarover de cliënt eventueel een lagere kinderalimentatie aan de wederpartij zou moeten betalen, kan de commissie niet vaststellen.
Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor zijn rekening.
Hetgeen partijen ieder voor zich met betrekking tot de klacht van de cliënt verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Aan de orde is dan het tegenverzoek van de advocaat tot betaling van het openstaande bedrag van € 3.403,73. De commissie stelt vast dat de cliënt voor de betaling van dit bedrag een betalingsregeling met de advocaat heeft getroffen. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de commissie de vordering van de advocaat erkend (zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2022:6974 Rechtbank Amsterdam, 25-11-2022 / <9842011 \ CV EXPL 22-5715>). De cliënt heeft ook geen inhoudelijke bezwaren tegen de declaraties aangevoerd. Dat de advocaat geen rekeningnummer of betalingslink heeft gegeven, ontsloeg de cliënt niet van zijn betalingsverplichting. De advocaat heeft onweersproken gesteld dat het rekeningnummer bij de cliënt bekend was, althans kon zijn.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– Verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem verlangde af;
– Bepaalt dat de cliënt het openstaande bedrag van 3.403,73 aan de advocaat is verschuldigd. Met inachtneming hiervan zal het in depot gestorte bedrag aan de advocaat worden overgemaakt.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 15 november 2024.