Geen vergoeding voor verkochte Subaru: klacht consument ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Voertuigen    Categorie: Betaling    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 547086/662653

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Tijdens zijn vakantie kreeg de consument pech met zijn Subaru uit 2009. De auto werd naar een garage gebracht, maar kon niet gerepareerd worden. De consument betaalde al voor onderdelen en besloot uiteindelijk de auto voor € 1.000 aan de ondernemer te verkopen. Later zag hij dezelfde auto online te koop staan voor € 6.499 en vond dat hij te weinig had gekregen. Hij eiste daarom € 6.375,84 terug van de ondernemer. De ondernemer gaf aan dat de auto moeilijk te repareren was en dat de consument zelf had besloten om niet verder te gaan met dure herstelopties. De commissie oordeelde dat niet bewezen is dat de ondernemer wist dat de auto makkelijk te repareren was of dat hij fouten heeft gemaakt. Daarom hoeft de ondernemer het bedrag niet te vergoeden en is de klacht ongegrond.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of de ondernemer gehouden is om
€ 6375,84 aan de consument te vergoeden.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op zondag 27 augustus 2023 trad er tijdens de vakantie van de consument in [plaatsnaam] een defect op aan de Subaru Legacy Touring Wagon uit bouwjaar 2009. De auto had op dat moment een kilometerstand van 179.000 kilometer.

De ANWB kon het probleem niet verhelpen. Besloten werd de auto naar de ondernemer te brengen voor reparatie, die daar op woensdagmiddag 30 augustus 2023 naartoe werd gebracht. De ondernemer zou proberen de daaropvolgende dag naar de auto te kijken. Helaas was het probleem op donderdagmiddag 31 augustus 2023 nog niet opgelost. Vrijdag 1 september 2023 was de vertrekdag van de consument uit het vakantieverblijf. Met de aanhanger en een leenauto reed de consument vanuit [plaatsnaam] naar huis. Nadat de consument de leenauto in [plaatsnaam] had ingeleverd, werd er wederom contact opgenomen met de ondernemer, die te horen kreeg dat de auto helaas nog niet gerepareerd was. Uiteindelijk had de werkplaats het punt bereikt, zo werd de consument verteld, dat ze niet meer wisten wat ze nog meer konden ondernemen om de auto weer te repareren. De volgende opties werden de consument geboden:

1. Een opkoper zou een bod doen op de ‘niet te herstellen’ auto, waarbij de ondernemer de verwachting uitsprak dat er ongeveer € 1.000, — voor betaald zou worden. Inmiddels had de consument echter al € 657,34 betaald voor nieuwe onderdelen, zonder resultaat;
2. Of de consument kon bij de ondernemer een andere auto kopen met korting.

De consument besloot de auto voor € 1.000, — te verkopen aan de ondernemer.
Enige tijd later zag de consument de auto op Gaspedaal.nl staan voor € 6.499, –. De consument was dan ook zeer verbaasd en vroeg zich af hoe het kon dat een gewone vakgarage de ‘onherstelbare’ Subaru weer rijklaar kon maken, terwijl een Subaru-dealer dit niet kon, en kennelijk tegen niet al te hoge reparatiekosten, gegeven de vraagprijs (€ 6.944, –). Terwijl de consument destijds van de ondernemer te horen kreeg dat een mogelijk noodzakelijk nieuw onderdeel te duur was in relatie tot de (dag)waarde van de auto. De prijs van dat nieuwe onderdeel was nooit genoemd, waardoor de consument geen goede afweging kon maken om daar ‘ja’ of ‘nee’ op te zeggen. Bovendien was maar de vraag of dat dé oplossing was, aangezien al meerdere onderdelen waren vervangen met de melding dat het nu wel goed zou komen.

De consument verlangt € 6.375,84 van de ondernemer (= € 6.499, — min € 1.000, — opkoopbedrag plus
€ 657,35 aan onderdelen plus € 219,49 voor de gemaakte kosten van de leenauto).

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft geprobeerd de auto van de consument te herstellen door eerst aan de “basis” te beginnen, teneinde te proberen de auto zo voordelig mogelijk weer goed rijdbaar te maken. Op een gegeven moment kwam de ondernemer tot de conclusie dat het vervangen van de ECU-computer noodzakelijk was. Dit was een kostbare zaak. De ondernemer heeft daarbij een globale prijsindicatie afgegeven van rond de € 1.500, — en daarbij opgemerkt dat de succesvolle uitkomst nog steeds niet vast zou staan. De consument gaf aan dit niet meer te willen doen (ook rekening houdende met de verdere algehele staat en leeftijd van de auto). Dit werd ook door de ondernemer als een juiste beslissing gezien. De consument vroeg de ondernemer om een bieding op de defecte auto. Deze bieding (van een opkoper) werd aan de consument verstrekt, en na enige bedenktijd ging de consument hiermee akkoord.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De klacht van de consument komt er in feite op neer dat als hij had geweten dat de auto weer elders voor een bedrag van € 6.499, — te koop zou kunnen worden aangeboden, hij de auto nooit voor € 1.000, — aan de ondernemer zou hebben verkocht. Gelet op het feit dat de auto op een later moment voor € 6.499, — op internet te koop is aangeboden, betwijfelt de consument ook de juistheid van de opmerking van de ondernemer dat herstel te duur zou worden gelet op de dagwaarde van de auto.

In het licht van het voorgaande merkt de commissie allereerst op dat de vordering van de consument ten bedrage van € 6.375,84 niet toewijsbaar is vanwege de enkele omstandigheid dat hij zijn Subaru op enig moment later in de tijd op internet te koop heeft zien staan voor een bedrag van € 6.499, –. Dat de auto alsnog door een of meer latere eigenaren tegen niet al te hoge kosten hersteld is kunnen worden, is niet komen vast te staan. Ook is niet vast komen te staan dat de ondernemer op het moment van het opkopen van de auto wist of behoorde te weten dat de auto tegen niet al te hoge kosten hersteld kon worden. Voorts is niet komen vast te staan dat de ondernemer onjuiste diagnoses heeft gesteld of niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Concluderend is de commissie dan ook van oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn komen vast te staan die tot de conclusie dienen te leiden dat de vordering van de consument toewijsbaar is.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. D.P.C.M. Hellegers, voorzitter, de heer R. Vlasveld, mevrouw mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij, leden, op 31 januari 2025.

 

 

Opslaan als PDF