Commissie: Recreatie
Categorie: Depotbeslissing
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: voorbeslissing
Uitkomst: aanhouding beslissing
Referentiecode:
238470/253624
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een recreant diende een klacht in bij de Geschillencommissie Recreatie over overlast op een camping. Hij klaagde over een gesloten kantine, een vaak dicht zwembad en voortdurende bouwwerkzaamheden, zelfs op zondagen. Volgens hem kon hij daardoor niet genieten van zijn jaarplaats en eist hij €770 terug, ongeveer een derde van het betaalde bedrag. De ondernemer stelde daarentegen dat de recreant nog €1.847 verschuldigd is voor onderverhuur en opruimkosten. De commissie oordeelde dat deze tegenvordering van de ondernemer niet binnen het huidige geschil valt en dat het reglement geen ruimte biedt voor een aparte tegenvordering zonder instemming van de consument. Daarom hoeft de recreant geen bedrag in depot te storten en zal de commissie de klacht verder inhoudelijk behandelen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 1 april 2023 tussen partijen tot stand gekomen staanplaatsovereenkomst (jaarplaats).
Recreant heeft op 1 juli 2023 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Het standpunt van recreant luidt in hoofdzaak als volgt.
Wij en de kinderen hebben niet kunnen genieten van de jaarplaats. Een kantine die niet open was. Een zwembad dat geregeld dicht was wegens geen personeel. Bouwwerkzaamheden die de gehele week en seizoen doorgingen. Van s ’morgens vroeg tot s ’avonds laat ook op de zondagen. Diverse malen bij de receptie geweest maar geen oplossing.
In reactie op wat door de ondernemer is aangevoerd, nog het volgende.
Het geschil gaat niet over facturen, maar over dat er geen of weinig aanwezig was bv. geen kantine, snackbar etc., zwembad geregeld dicht en bouwwerkzaamheden. Deze werkzaamheden mogen na 1 juli niet meer uitgevoerd worden. Deze werkzaamheden gingen gewoon door ondanks dat, ik een aantal keren bij de receptie dit heb aangegeven Dit heb ik ook aangegeven in mijn eerste brief aan de geschillencommissie.
Recreant verlangt de ondernemer te verplichten tot betaling van € 770,–, te weten 1/3 van het door hem betaalde bedrag.
Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
Recreant heeft nog een rekening openstaan bij ons. Wij hebben rijplaten voor hem neergelegd en opgeruimd bij het verwijderen van zijn stacaravan. Vooraf hebben wij duidelijk besproken wanneer hij het zelf op zou ruimen op dezelfde dag dat hiervoor geen kosten waren. Echter heeft de recreant de platen laten liggen en na het nogmaals vragen niet weggehaald. Vooraf waren de extra kosten besproken met hem. In onze ogen logisch dat wij deze kosten bij hem in rekening hebben gebracht. Wij hebben alles netjes opgeruimd hiervoor zijn kosten gemaakt. Wij hebben ook aangegeven dat recreant vorig seizoen zijn stacaravan heeft onderverhuurd. Hij zou de ondernemer voor elke nacht die hij onderhuurd € 5,50 moeten betalen. Dit is € 1,– toeristenbelasting en € 4,50 verblijfkostenvergoeding. Er hebben vanaf 1 april tot 30 september 2 personen verbleven in zijn stacaravan. Echter recreant heeft dit niet vermeld aan ons en dus ook niets betaald. Dit zou neerkomen op 183 nachten x € 5,50; in totaal € 1006,50. Wij weten niet of deze 2 bewoners zijn ingeschreven in de gemeente, hierom haal ik de € 1,– toeristenbelasting eraf. Komen wij op € 4,50 per nacht per persoon. Er waren 2 personen in zijn stacaravan dit komt totaal neer op € 1.647,– wat recreant nog moet betalen aan ons. De consument is ons dus nog een totaalbedrag van totaal € 1.847,- verschuldigd.
De motivering van de voorbeslissing
De commissie heeft het volgende overwogen.
De vordering van recreant is gebaseerd op overlast, en daarmee op gesteld toerekenbaar tekortschieten van de ondernemer in een juiste nakoming van de staanplaatsovereenkomst van partijen. Grondslag voor het gevorderde bedrag is partiele ontbinding van die overeenkomst of (aanvullende) schadevergoeding.
De ondernemer wenst gelijktijdig met de beoordeling van die klacht afzonderlijke geschillen aan de commissie voor te leggen door het indienen van een zogenaamde reconventionele vordering. Het betreft hier (dus) geen verweer in het door recreant aanhangig gemaakte geschil. Het is vanwege die reconventionele vordering, dat naar zeggen van de ondernemer om meer redenen een (totaal)bedrag openstaat, (steeds) bij wijze van nakoming te betalen door recreant, zodat een daarmee samenhangend depot door recreant is vereist.
Het reglement van deze commissie voorziet niet in de mogelijkheid van het instellen door de ondernemer van een reconventionele vordering die qua grondslag(en) geheel losstaat van het door recreant aanhangig gemaakte geschil zoals dat blijkt uit het daartoe door recreant ingevulde klachtenformulier.
Wel biedt artikel 12 van het reglement van deze commissie de ondernemer de mogelijkheid om zelf bij de commissie een geschil aanhangig te maken. Dat geschil wordt slechts in behandeling genomen indien de consument daarmee instemt. Van die instemming is in casu echter evident geen sprake.
Het voorliggend geschil beperkt zich dus tot het door de consument aanhangig gemaakte geschil. Dit geschil betreft niet een bedrag dat de consument gehouden zou kunnen zijn te betalen aan de ondernemer. Een depot is daarom niet aan de orde.
Daarom wordt als volgt beslist.
Voorbeslissing
De commissie:
Alvorens nader te beslissen:
Stelt indachtig vast dat in bovengenoemd door de consument aanhangig gemaakt geschil geen depotstorting door de consument aan de orde is.
Bepaalt dat het geschil verder moet worden behandeld op de wijze zoals dat is vastgelegd in het Reglement van deze commissie.
Houdt daartoe elke beslissing aan.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie bestaande uit mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp en de heer H.H. van der Linden, op 3 december 2024.