Commissie: Advocatuur
Categorie: Onbetaalde facturen door cliënte
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: arbitraal vonnis
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
248032/249116
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een advocaat had een cliënt bijgestaan in een juridisch conflict met haar verhuurder. De advocaat eiste betaling van €22.590,81 voor zijn werkzaamheden, maar de cliënt vond dat hij onzorgvuldig had gehandeld. Ze beklaagde zich over gebrekkige dossierkennis, slechte communicatie, het niet tijdig starten van een kort geding, en het noemen van een uitkoopbedrag zonder haar toestemming. De Geschillencommissie Advocatuur oordeelde dat de advocaat inderdaad te passief was geweest en onvoldoende had gehandeld zoals van een redelijk bekwame advocaat mag worden verwacht. Toch erkende de commissie dat de advocaat wel werkzaamheden had verricht en stelde het te betalen bedrag vast op €10.000 inclusief btw. De overige vorderingen van beide partijen, waaronder schadevergoeding voor emotionele impact, werden afgewezen. De klacht werd deels gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
De heer mr. A.G.M. Zander, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer mr. C.J.J. Havermans, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in een door beide partijen ondertekende opdrachtbevestiging d.d. 19 september 2022 en de daarbij behorende algemene voorwaarden, waarbij partijen zich voor de beslechting van alle geschillen ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of uitvoering van de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, onderwerpen aan arbitrage door de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie). Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Partijen zijn tevens overeengekomen dat alle geschillen – zoals hiervoor omschreven – zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).
De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.
Standpunt van eiser
Voor het standpunt van eiser verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Eiser heeft werkzaamheden verricht voor verweerster in een geschil met de verhuurder van de bedrijfsruimte van verweerster. Aan verweerster zijn meerdere declaraties verstuurd, waarvan een gedeelte onbetaald is gebleven. De openstaande facturen bedragen € 17.482,25. Vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten bedraagt de omvang van de eis € 22.590,81. Eiser verzoekt de commissie verweerster te veroordelen tot betaling van laatstgenoemd bedrag.
Standpunt van verweerster
Voor het standpunt van verweerster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Verweerster stelt dat eiser onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld. De verwijten hebben betrekking op een zestal onderdelen, te weten:
– Vertrouwelijkheid / integriteit
– Onvoldoende dossierkennis / deskundigheid
– Gebrek aan betrokkenheid, bereikbaarheid en beschikbaarheid
– Juridische bijstand en advies / onzorgvuldig procederen
– Ontbreken van een strategie
– Facturatie en overschrijding van het afgesproken budget.
Verweerster heeft aan eiser, los van de openstaande facturen, reeds betaald € 13.128,50. Door nalatigheid van verweerster heeft eiser veel zelf moeten doen, zonder adequate steun van eiser. Eiser heeft onvoldoende gedaan om de rechter ervan te overtuigen dat het renovatievoorstel van de tegenpartij niet redelijk was. Zijn afwachtende houding en gebrek aan bewijsvoering heeft ertoe bijgedragen dat de vordering van de tegenpartij geaccepteerd werd en verweerster haar bedrijf moest ontruimen. Eiser heeft zijn inspanningsovereenkomst dan ook niet naar behoren vervuld. Verweerster vraagt compensatie voor financieel verlies. Naast de directe kosten wegens loonderving houdt verweerster een onderhandelbaar bedrag open voor de emotionele impact van het extra werk en de stress die het heeft veroorzaakt.
Behandeling van het geschil
Op 6 december 2024 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. M. Gardenier fungerend als plaatsvervangend secretaris.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.
Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. Verweerster is verschenen samen met de heer (naam). Eiser heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van eiser hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
De commissie is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat eiser bij de behandeling van het dossier van verweerster te passief is geweest en niet altijd adequaat heeft gehandeld. De tekortkoming van de advocaat blijkt onder meer uit het niet tijdig starten van een kort geding procedure, zoals met verweerster afgesproken. Doordat eiser hiermee enkele weken heeft gewacht, is het de wederpartij geweest die een kort geding heeft gestart. Eiser heeft weersproken tekort geschoten te zijn in zijn dienstverlening door het kort geding niet tijdig te starten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen van verweerster ook bij wijze van eis in reconventie in kort geding aanhangig gemaakt konden worden. Ter zitting heeft verweerster duidelijk uiteengezet waarom het in haar belang was dat deze procedure door haar zou worden gestart, om zodoende het initiatief te behouden.
Eiser had gelet op dit belang van verweerster en gelet op de tussen hen gemaakte afspraak dat eiser het kort geding zou starten naar het oordeel van de commissie hiermee niet een aantal weken mogen wachten. In ieder geval heeft eiser verweerster onvoldoende meegenomen en geïnformeerd over de aard en de timing van zijn werkzaamheden en zijn keuzes (strategie). Hij heeft daarmee geen blijk gegeven de urgentie van verweerster bij de behandeling van haar dossier te begrijpen.
Ook is door verweerster aangevoerd dat eiser op de zitting niet goed heeft gereageerd op de door de wederpartij in het geding gebrachte plattegrond van de vershal. Verweerster stelt dat eiser slechts heeft aangegeven dat deze plattegrond niet correct is, maar hiervoor geen argumenten heeft aangedragen. Eiser heeft dit weersproken en aangegeven dat de tekening slechts een detail was en geen cruciaal onderdeel van de zitting. De commissie is van oordeel dat ter zitting is gebleken dat, – zoals ook het verwijt van verweerster is – de advocaat niet goed op de hoogte was van de gebreken rond de plattegrond. Hij gaf ter zitting in eerste instantie ook aan dat de meest recente plattegrond wel technisch in orde was maar later gaf hij aan dat ook deze plattegrond fouten bevatte. De commissie is van oordeel dat mede gelet hierop eiser op dit onderdeel niet adequaat genoeg heeft gereageerd en geen blijk heeft gegeven van gedegen en voldoende dossierkennis. Gebleken is ook dat eiser meermaals het woord heeft gelaten aan verweerster om haar zaak te bepleiten, terwijl het juist van een advocaat verwacht mag worden dit voor zijn cliënt te doen. Verweerster heeft aangegeven zich hierin alleen gelaten gevoeld te hebben en dit is eiser aan te rekenen. Eiser heeft de commissie niet kunnen overtuigen dat dit niet het geval is geweest.
Verder acht de commissie het de advocaat aan te rekenen dat hij, ondanks nadrukkelijk verzoek van verweerster, geen foto’s en/of video-opnames in kort geding heeft ingebracht. De kantonrechter heeft in het kort gedingvonnis d.d. 28 november 2022 overwogen dat dit wel van verweerster verwacht mocht worden en heeft bij gebreke daarvan geoordeeld dat niet uitgegaan kan worden van de juistheid van de stellingen van verweerster. De door eiser ter zitting genoemde redenen om dit niet te doen, namelijk dat het lastig is om filmmateriaal in te brengen en dat de overlast ook niet werd betwist, hebben de commissie niet overtuigd.
Ook is komen vast te staan dat eiser, eveneens in weerwil van het nadrukkelijk verzoek van verweerster dit niet te doen, in gesprekken met de wederpartij wel een bedrag voor uitkoop (enkele tonnen) heeft genoemd. Er was naar het oordeel van de commissie geen noodzaak om een bedrag of indicatie van een bedrag te noemen in de gesprekken met de wederpartij, nu verweerster duidelijk heeft aangegeven dat de onderhandelingen gericht waren op herstel van de bedrijfsvoering en niet op uitkoop. Een cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat een advocaat zich houdt aan de tussen hen gemaakte afspraken en hier niet in een gesprek met de wederpartij van afwijkt.
Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat eiser niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Wel staat vast dat eiser de nodige werkzaamheden heeft besteed aan de zaak van verweerster en voor die werkzaamheden recht heeft op betaling. Gelet op de geconstateerde gebreken in de dienstverlening zal de commissie het door verweerster te betalen bedrag in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,– inclusief btw.
De vordering van verweerster tot vergoeding van de tijd die zij en haar partner aan de zaak hebben besteed en voor de emotionele impact en de stress zal, zonder daar iets aan af te willen doen, worden afgewezen, omdat voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding geen grondslag bestaat.
De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Beslissing
De commissie:
– Wijst de vordering van eiser toe tot een bedrag van € 10.000, — inclusief btw en veroordeelt verweerster tot betaling van dit bedrag;
– Bepaalt dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie;
– Wijst het meer of anders verzochte af.
Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op 06 december 2024 en door de arbiters van de Geschillencommissie Advocatuur ondertekend. De heer mr. A.G.M. Zander, de heer mr. I.L. Haverkate & de heer mr. C.J.J. Havermans.