Klacht over funderingsgebreken deels verjaard, commissie vraagt nader onderzoek naar scheurvorming

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Verbouwingen en nieuwbouw    Categorie: Tekortkoming in de uitvoering opdracht    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanhouding beslissing   Referentiecode: 235579/250488

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak klaagt een consument over ernstige bouwfouten bij een verbouwing van haar woning in 2011. Volgens haar heeft de ondernemer fouten gemaakt bij het aanleggen van de betonnen vloer, zoals het niet plaatsen van keerwanden en het ontbreken van een dilatatievoeg tussen oud en nieuw vloerwerk. Dit zou hebben geleid tot vochtproblemen, scheuren in de vloer en gezondheidsklachten. De consument stelt dat de ondernemer zijn afspraken niet is nagekomen en vordert ruim €100.000 voor herstel en bijkomende schade. De ondernemer ontkent aansprakelijkheid en beroept zich op verjaring. De commissie oordeelt dat de klacht over de vochtproblemen en het ontbreken van de keerwand te laat is ingediend en dus verjaard is. De consument is daarom niet ontvankelijk in dat deel van haar klacht. Over de klacht over de ontbrekende dilatatievoeg is nog geen definitief oordeel geveld. De commissie vindt dat er onvoldoende duidelijkheid is over de oorzaak en ernst van de scheurvorming in de vloer. Daarom vraagt zij de deskundige om aanvullende uitleg over de technische situatie en mogelijke schade. Tot die tijd houdt de commissie verdere beslissingen aan.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft tekortkomingen aan de door de ondernemer aangebrachte fundering.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies te laten beslechten door de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw (hierna te noemen: de commissie)

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Op 21 juni 2024 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling van het geschil door de commissie plaatsgevonden. Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. Ter zitting werd de consument vergezeld van haar zoon. De ondernemer werd ter zitting vertegenwoordigd door de heer (naam), bijgestaan door de gemachtigde (naam).

Standpunt van de consument

In de kern komt het standpunt van de consument op het volgende neer.

De ondernemer heeft in 2011 in opdracht van de consument een verbouwing aan de woning van de consument gerealiseerd. Het ging om cascowerkzaamheden, het checken van de constructie en het in overleg met de constructeur en de consument eventueel uitvoeren van aanvullende werkzaamheden. In juni 2023 heeft de consument gebreken geconstateerd die volgens haar het fundament van de woning aantasten en ernstige vocht- en gezondheidsproblemen tot gevolg hebben. Deze betreffen het achterwege laten van een betonnen opstaande keerwand aan de betonnen vloerconstructie en het in een aaneengesloten deel leggen van de betonnen vloerconstructie zonder dilatatie, waardoor de vloer scheurt.

De consument overlegt een rapport van deskundige (naam) die in de zomer van 2023 een tweetal ernstige gebreken heeft geconstateerd.

Het betreft:
1. Het onterecht niet voorzien van de betonnen constructievloer van opstaande betonnen keerwanden;
2. Het onterecht niet voorzien van de betonnen constructievloer van een dilatatie tussen het oude (niet gefundeerde) en nieuwe (door de ondernemer gefundeerde) gedeelte.

Deze ernstige gebreken zijn ontstaan doordat de ondernemer de voorschriften van de verstrekte opdracht niet correct heeft uitgevoerd en daarmee zijn verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is nagekomen. Daarbij heeft de ondernemer ondeugdelijk werk geleverd dat afwijkt van wat logisch en gangbaar is in de bouwsector. Hij wist vanaf het begin van de vochtproblemen en heeft desondanks geen keerwanden geplaatst. Tevens is afgeweken van wat de ondernemer bij de bijna identieke verbouwing in de direct aangrenzende woning heeft gedaan. Bij de buren zijn door de ondernemer wel opstaande betonnen keerwanden geplaatst en is de vloer wel voorzien van dilatatie.

De consument stelt dat er door haar tijdig is geklaagd. Er is sprake van twee ernstige gebreken waarvoor een termijn van 20 jaar geldt. Ten onrechte beroept de ondernemer zich op de AVA 2013. In dit geval zijn de COVO 2010 van toepassing. In de COVO 2010 is sprake van een ernstig gebrek als de hechtheid van de constructie, of een deel daarvan wordt aangetast, waar in dit geval duidelijk sprake van is.

De consument beroept zich op een uitspraak van 4 augustus 2022 van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (72.262) die in lijn is met een aantal uitspraken van de Hoge Raad (HR). De essentie van deze uitspraak was volgens de consument dat de aard en omvang van het gebrek waar in eerste instantie over werd geklaagd wezenlijk anders was dan later bleek en waar de rechtsvordering op was gebaseerd en dat daarom geen sprake was van verjaring. Deze situatie doet zich hier volgens de consument ook voor.

De consument betwist de stelling van de ondernemer dat de opdracht slechts de aanbouw betrof en niet de bestaande woning. Er was geen sprake van een scheiding tussen bestaand en nieuw, er was een scheiding tussen casco en afbouw. De werkzaamheden zijn in opdracht van de consument verricht en niet in opdracht van (aannemer die belast was met de afbouw) zoals de ondernemer aangeeft.

De ondernemer had een waarschuwingsplicht en informatieplicht jegens de consument. Het is volgens de consument zeer nalatig en ernstig verwijtbaar dat de ondernemer zonder enig overleg met constructeur (ingenieursbureau) en de consument, hoewel nadrukkelijk overeengekomen was dat aanvullende maatregelen alleen in overleg met hen uitgevoerd zouden mogen worden, heeft nagelaten om betonnen keerwanden te plaatsen en in plaats daarvan de betonnen vloer direct tegen het aarden dijklichaam heeft geplaatst en in een aaneengesloten stuk zonder dilatatie. De ondernemer heeft voorts ten tijde van het werk (het leggen van de vloer) richting aannemer die belast was met de afbouw al zorgen geuit ten aanzien van vocht. Ook hierover is destijds geen contact geweest met de constructeur, zoals afgesproken in de overeenkomst tussen partijen.

Toen de vochtproblemen duidelijk werden heeft de consument zich gewend tot de ondernemer. Die heeft aangegeven dat de problemen aan de afbouw te wijten waren. In 2019 heeft hij aangegeven dat het leggen van een tegelvloer de problemen zou verhelpen. Uit coulance heeft hij een bedrag van € 1.500,– aangeboden voor het leggen van de tegelvloer. Dat bedrag heeft de consument geaccepteerd. Toen de vochtproblemen verergerden, heeft zij in 2023 onderzoek laten doen en eerst toen is haar de ernst van de situatie duidelijk geworden. De consument acht het niet integer dat de ondernemer na jaren van ellende en eerdere verwijzing naar de afbouw, zich nu beroept op verjaring. Ten aanzien van de dilatatie merkt de consument op dat ze die pas afgelopen zomer heeft gezien. Het is niet zo dat de scheur al jaren aanwezig was.

De consument vordert vergoeding van de kosten van herstel van de gebreken die door toedoen van de werkzaamheden van de ondernemer zijn ontstaan. Om beide ernstige gebreken en de directe gevolgen ervan aan de constructie van het huis te herstellen heeft deskundige (naam) in 2023 begroot dat het circa €100.000,– gaat kosten om het probleem structureel op te lossen en de woning weer normaal bewoonbaar te maken. Daarnaast zijn er de kosten die de consument moet maken voor tijdelijke alternatieve woonruimte tijdens de herstelperiode, eventuele andere nog onvoorziene gevolgschade, en exclusief de emotionele en gezondheidsschade die dit alles op de consument en haar kinderen heeft (gehad). Gezien de fouten die door de ondernemer zijn gemaakt en de gang van zaken na oplevering stelt zij de ondernemer aansprakelijk voor deze schade.

Standpunt van de ondernemer

In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer. De ondernemer wijst aansprakelijkheid van de hand.

De consument heeft niet eerst op 14 juli 2023 geklaagd bij de ondernemer zoals zij aangeeft. Zij heeft dat ook in 2017 en 2019 gedaan. Op 14 juli 2017 respectievelijk 7 november 2019 heeft ondernemer uitgebreid gereageerd. De aansprakelijkheid is telkens afgewezen. In 2019 heeft de ondernemer uit coulance-overwegingen een voorstel gedaan om € 1.500,– in de kosten bij te dragen wanneer over de gietvloer een tegelvloer zou worden aangebracht. De consument heeft niet meer gereageerd en schakelde evenmin de Geschillencommissie in. Op 2 mei 2023 heeft de consument zich wederom bij de ondernemer gemeld en heeft hem aansprakelijk gesteld voor vochtproblemen, welke aansprakelijkheid van de hand is gewezen.

De consument heeft niet voldaan aan de klachtplicht die op grond van artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek op haar rust. Tussen de zomer van 2011 en de klacht van kort voor 14 juli 2017 zit een tijdsverloop van zes jaar. Onduidelijk is wanneer de consument voor het eerst constateerde dat er vochtproblemen en blaasjes in de gietvloer aanwezig waren. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de eerste klacht in 2017 binnen een redelijke termijn werd gedaan. Op 10 oktober 2019 klaagt de consument opnieuw en de vraag is of dit niet dezelfde klacht is als de eerdere klacht in 2017. Naar het oordeel van ondernemer is van dezelfde klacht sprake en kan de klacht in 2019 reeds daarom niet als tijdig worden beschouwd.

De consument heeft niet binnen twee jaar na de eerste klacht van 14 juli 2017 een rechtsvordering ingesteld, zodat reeds daarom de vordering is verjaard, en zij heeft dat evenmin gedaan nadat zij haar klacht heeft herhaald op 10 oktober 2019. Voor zover de consument kan aantonen dat zij wel tijdig heeft geklaagd is (subsidiair) door verloop van de termijn van twee jaar ex artikel 7: 761 BW een eventuele vordering jegens de ondernemer verjaard. Ook aan de redelijke termijn van artikel 13 Covo 2010 is niet voldaan.

Het beroep op de uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw slaagt niet. Deze uitspraak is in lijn met de uitspraken van de Hoge Raad overwogen dat protesteren geen formele ingebrekestelling vergt, maar wel meer dan alleen het blijk gegeven van een teleurstelling veronderstelt. De mededelingen die de consument aan de ondernemer heeft gedaan, kunnen niet anders worden aangemerkt dan als een protest dan wel klacht.

De consument heeft (ingenieursbureau) als architect en constructeur ingeschakeld. Zij heeft zich omringd met deskundigen en die deskundigheid moet aan haar worden toegerekend. Aan de hand en conform de tekeningen die door (ingenieursbureau) zijn aangeleverd heeft de ondernemer de vloer ten behoeve van de aanbouw, het terras en de schuur uitgevoerd. Deze werkzaamheden zijn in opdracht van de consument gedaan. Deze werkzaamheden hadden geen betrekking op de bestaande woning. Het ontbreken van een opstaande rand tegen het dijklichaam ziet uitsluitend op de situatie in de bestaande woning. Het niet realiseren van een betonplint kan de ondernemer niet worden verweten. De vloer is van de juiste dikte en waterdicht. Uit door de ondernemer op 12 juni 2023 uitgevoerd onderzoek is gebleken dat het eventueel toetreden van vocht niet van onderaf kan komen. Van een gebrek, laat staan van een ernstig gebrek in de zin van artikel 13 lid 1 onder b, Covo 2010 is geen sprake.

Deskundigenrapport

De commissie heeft op 8 april 2024 een onderzoek laten uitvoeren door de heer E.G. Spruitenburg (hierna te noemen: de deskundige), die daarover op 16 april 2024 schriftelijk aan de commissie heeft gerapporteerd. De inhoud van dit rapport geldt – voor zover hierna niet aangehaald – als hier herhaald en ingelast.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het rapport van de deskundige. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van hetgeen partijen schriftelijk en mondeling naar voren hebben gebracht en met inachtneming van de inhoud van de in het geding gebrachte stukken, overweegt de commissie als volgt.

Vaststaat dat tussen partijen omstreeks 1 juni 2011 een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij de consument opdracht heeft gegeven tot uitvoering van werkzaamheden aan haar woning (hierna te noemen: de overeenkomst). Op de overeenkomst zijn de Consumentenvoorwaarden 2010 (Covo 2010) van toepassing.

Voordat zij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil in kwestie toekomt, dient de commissie zich eerst uit te laten over de formele weren die de ondernemer heeft aangevoerd inzake de ontvankelijkheid van de consument in haar klachten.

Klacht over vochtproblematiek/ geen keerwand geplaatst

Formeel verweer: niet voldaan aan klachtplicht
De ondernemer heeft zich primair beroepen op artikel 6: 89 van het Burgerlijk Wetboek. De consument heeft niet binnen een redelijke termijn bij de ondernemer geklaagd.

Artikel 6: 89 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

Dit verweer slaagt niet. De commissie overweegt dat niet in geschil is dat de consument kort voor 14 juli 2017 bij de ondernemer in hier relevante zin (voor het eerst) heeft geklaagd over vochtproblemen. De vraag die de commissie heeft te beantwoorden is of de consument, nadat zij de gebreken had ontdekt, dit ‘binnen bekwame tijd’, dan wel ‘zo spoedig mogelijk na ontdekking’, gemeld heeft. De commissie is van oordeel – daargelaten hoe lang de periode precies was die is verstreken na de eerste ontdekking – dat gelet op de omstandigheden van dit geval de consument binnen bekwame tijd heeft geklaagd bij de ondernemer. Daarbij overweegt zij dat de aard van het (vermeende) gebrek, te weten de zich traag manifesterende vochtproblemen, en de wijze waarop de vermeende ernst daarvan voldoende duidelijk wordt, omstandigheden zijn waarvan te begrijpen valt dat die (nader) tijd vergend onderzoek en beraad van de consument hebben gevraagd, alvorens zich tot de ondernemer te wenden met een voldoende inhoudelijke klacht. De consument heeft gelet op het vorenstaande tijdig geklaagd bij de ondernemer en is derhalve in zoverre ontvankelijk in haar klacht.

Formeel verweer: beroep op verjaring
De ondernemer beroept zich op de verjaringstermijn van artikel 7:761 lid 1 BW. Binnen de termijn van twee jaar vanaf het moment van protest heeft volgens de ondernemer geen stuiting plaatsgevonden. De consument heeft zich beroepen op jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw en de HR, stellende dat de aard en omvang van de problematiek in 2023 wezenlijk anders was dan in 2017 en 2019.

Artikel 7: 761, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
Elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen herstellen.

Dit verweer van de ondernemer slaagt. Vaststaat dat de consument in elk geval op 10 oktober 2019 een protest in de zin van artikel 7: 761, lid 1 bij de ondernemer heeft ingediend, nu zij op die datum de ondernemer per mail aansprakelijk heeft gesteld. Daarbij dient de consument, volgens de HR, inzicht te geven in de aard en omvang van het gestelde gebrek. De consument heeft in 2019 aangegeven dat er sprake is van vochtproblematiek in de niet-vrijdragende vloer (de betonvloer in de bestaande woning). De consument heeft de door de ondernemer gegeven verklaring en oplossing, in de vorm van het leggen van een tegelvloer, op dat moment aanvaard, maar niet uitgevoerd. De commissie volgt de consument niet in haar stelling dat de aard en omvang van de problematiek in 2023 wezenlijk anders was dan in 2019. De omvang van het probleem, vocht in de vloer van de bestaande woning komende door het beton, was naar het oordeel van de commissie in 2019 al bekend en daarvoor is de ondernemer door de consument aansprakelijk gesteld. Dat de problematiek na 2019 naar het zich laat aanzien is verergerd, doet niet af aan de aard en omvang van de klachten. Bij mail van 7 november 2019 heeft de ondernemer aansprakelijkheid (opnieuw) afgewezen. De verjaringstermijn van artikel 7:761 lid 1 BW is daarmee op 7 november 2019 gaan lopen en uiterlijk op 6 november 2021 verstreken. De verjaringstermijn is nooit door de consument gestuit. Daarom is de rechtsvordering van de consument, ingesteld op 13 oktober 2023, verjaard en moet deze worden afgewezen.

Toetsing aan de garantieregeling

Formeel verweer: er is niet binnen redelijke termijn geklaagd

Artikel 13 van de Covo bepaalt voor zover hier relevant:
1. Na de serviceperiode [van 2 maanden, toevoeging commissie] is de ondernemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk tenzij:[…]
a. het werk of enig onderdeel daarvan een tekortkoming bevat die door de consument redelijkerwijs niet eerder dan op het tijdstip van ontdekking onderkend had kunnen worden; […]
2. De rechtsvordering uit hoofde van een tekortkoming als bedoeld in het eerste lid onder a, is niet ontvankelijk als zij wordt ingesteld na 5 jaren na afloop van de serviceperiode.

De serviceperiode is in 2011 afgelopen. Gesteld noch gebleken is dat de consument binnen 5 jaar na afloop van de serviceperiode een rechtsvordering heeft ingesteld.

Formeel verweer: van ernstige gebreken is geen sprake

De consument stelt dat er sprake is van ernstige gebreken in de zin van de toepasselijke voorwaarden Covo 2010. De ondernemer heeft betwist dat er sprake is van ernstige gebreken.

Artikel 13 van de Covo bepaalt voor zover hier relevant:
1. Na de serviceperiode [van 2 maanden, toevoeging commissie] is de ondernemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk tenzij:[…]
b. het werk of enig onderdeel een ernstige tekortkoming heeft. Een tekortkoming is slechts als ernstig aan te merken als die de hechtheid van de constructie of een wezenlijk onderdeel daarvan aantast of in gevaar brengt, hetzij het werk ongeschikt maakt voor zijn bestemming. […]
4. De rechtsvordering uit hoofde van een tekortkoming als bedoeld in het eerste lid onder b, is niet ontvankelijk als zij wordt ingesteld na 20 jaren na afloop van de serviceperiode.

Van een ernstig gebrek in de zin van artikel 13 Covo 2010 is geen sprake. Niet gebleken is dat de hechtheid van de constructie of een wezenlijk onderdeel daarvan is aangetast of in gevaar gebracht. Evenmin is gebleken dat het werk ongeschikt is voor zijn bestemming.

De verjaringstermijn op grond van Covo 2010 was dan ook 5 jaar, welke periode in 2016 is verlopen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet de slotsom zijn dat de consument niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen omdat ze deze te laat heeft ingediend.

Nu de commissie tot niet-ontvankelijkheid van de consument concludeert, komt zij niet toe aan de inhoudelijke behandeling van deze klacht.

Klacht over ontbrekende dilatatie

De consument heeft geklaagd dat er geen dilatatievoeg is aangebracht tussen de vloer van de bestaande bouw en die van de aanbouw, waar dat volgens haar wel noodzakelijk was geweest.

Partijen twisten over de vraag of de consument de ondernemer op grond van een toerekenbare tekortkoming kan aanspreken, nu nergens uit blijkt dat de consument de ondernemer opdracht heeft gegeven om in de bestaande woning een betonvloer te leggen. De consument beroept zich in elk geval op de afspraak dat bij aanvullende maatregelen zij en haar constructeur (ingenieursbureau) door de ondernemer geraadpleegd dienden te worden. Voor de aansprakelijkheid dient onderzocht te worden of de ondernemer de door de consument gestelde opdracht, althans de door haar gestelde afspraken niet is nagekomen en tot welk resultaat nakoming geleid zou hebben.

De commissie ziet aanleiding – voorshands de aansprakelijkheid in het midden latend – te onderzoeken of en in hoeverre er sprake is van schade.

De commissie constateert dat de deskundige onweersproken heeft opgemerkt dat een betonnen vloer van ca. 20 cm dikte, hetgeen hier het geval is, als waterdichte vloer kan worden beschouwd. Daarmee is naar het oordeel van de commissie ten aanzien van de betonnen vloer voldaan aan de eisen van goed en deugdelijk werk.

Over de scheurvorming in de vloer heeft de deskundige het volgende gezegd:

Scheurvorming in de vloer
In het souterrain tussen de “onderheide vloer” en de “vloer op de vaste ondergrond” loopt vanuit de draagmuur aan de zijde van de woningscheidende wand een scheur van circa 11 cm lengte en een maximale wijdte van 0,5 mm (bijlage 2 en foto 7). Vanuit deze scheur is over een lengte van ca. 0,90 m een lijnvormige aftekening in de epoxyvloer waarneembaar. Tegen de bestaande draagmuur bevindt zich de stalen kolom, die omkokerd is. Met zekerheid kan worden gesteld dat onder deze lijnvormige aftekening een haarscheur in de onderliggende vloerconstructie zit. De twee vloergedeelten zijn voor wat betreft de ondersteuning verschillend. Aan de hand van de locatie en het scheurpatroon kan worden gesteld dat deze geringe scheurvorming te wijten is aan krimp en kruip van het materiaal beton en/of toegestane doorbuiging en/of geringe zetting in verband met het verschil in de vloerondersteuning. Namelijk het vloergedeelte onder de aanbouw is onderheid en het vloergedeelte in het oude gedeelte van de woning is op de vaste ondergrond gestort. Het verschijnsel krimp en kruip heeft een eindigend karakter voor onderhavige situatie mag worden aangenomen dat praktisch gesproken de eindwaarde is bereikt, waarvan krimp de eerste drie jaren na de bouw optreedt. Voor zover waarneembaar is deze scheur niet waterdoorlatend. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de vloer is gestabiliseerd. Bij een eventuele geringe zetting kan de scheur in de vloer groter worden. Om scheurvorming te voorkomen had tussen de twee vloergedeelten een dilatatievoeg moeten zitten. Nu is over een lengte van circa 1,01 m een onbedoelde dilatatievoeg ontstaan.

Voor de commissie blijkt uit het rapport van de deskundige niet duidelijk of er sprake is van schade waarvoor de ondernemer verantwoordelijk is te houden. De commissie acht zich hiermee vooralsnog onvoldoende geïnformeerd om tot een eindbeslissing over de scheurvorming c.q. het ontbreken van een dilatatie in de vloer te komen.

De commissie heeft daarbij de volgende overwegingen waarover zij de opvatting van de deskundige wenst te vernemen.

In de eerste plaats: heeft de deskundige in aanmerking genomen dat bij een dilatatievoeg tussen twee aangrenzende vloervelden direct een verschil in hoogte kan ontstaan? Een scheur zal zich dan aftekenen in de voeg waarvoor een dergelijke voeg zal worden aangebracht met een wisseling. In de tweede plaats: als tussen de nieuwe en oude vloer een dilatatie aangebracht zou zijn, zou de belasting van de bovenbouw via twee kolommen op de rand van de onderheide vloer afgedragen worden. Nu er geen dilatatie aanwezig is, vindt er een bepaalde spreiding plaats en de vraag is of dat mogelijk juist niet ongunstig is. In dit geval is de niet onderheide vloer over de fundatie van de oorspronkelijke achtergevel heen gestort. De daardoor ontstane belasting op de fundatie van de achtergevel is alleen een deel van het eigen gewicht van de nieuwe vloer en de veranderlijke belasting op de vloer. Dat is minder dan de oorspronkelijke belasting op de fundatie van de achtergevel. Juist op die plek zou de eventuele dilatatievoeg gesitueerd worden. De kans dat er wisselingen zouden kunnen ontstaan is wellicht dan ook (zeer) klein.

Voorts geeft de commissie de deskundige in overweging dat de niet onderheide vloer als het ware “hangt” aan de onderheide vloer. Als de vloer ter plaatse van de dijk zou zakken ten gevolge van zettingen op die plek zouden erboven in de vloer bij de overgang van onderheid naar niet onderheid trekkrachten ontstaan. In dat geval zou over de volle breedte van de vloer een scheur kunnen ontstaan. Of een dergelijke scheur aanwezig is, is niet waar te nemen omdat er een dekvloer overheen ligt. Ook geeft de commissie in overweging dat de kans dat er zettingen ontstaan nabij het dijklichaam klein lijkt omdat de oude vloer decennialang gezorgd heeft voor verdichting van de onderliggende grondlagen.

Vraag 1: Deelt de deskundige de opvatting dat er gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, daargelaten de scheur in de dekvloer, feitelijk geen schade is? Zo niet, waarom niet?
Vraag 2: Zo de deskundige voornoemde opvatting deelt, is dan de scheur in de dekvloer als schade te beschouwen, en zo ja, op welke wijze is deze te herstellen?
Vraag 3: Zo de deskundige voornoemde opvatting niet deelt, is schadeherstel alleen mogelijk door alsnog een dilatatievoeg tussen beide betonvloeren aan te brengen?

Beslissing

De commissie, beslissend naar redelijkheid en billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarvan deel uitmakende voorwaarden, beslist als volgt:

I. Verklaart de consument niet ontvankelijk in haar klacht over het ontbreken van een keerwand;

II. Stelt vast dat aan de consument voor deze klacht geen beroep op de garantieregeling toekomt;

en alvorens nader te beslissen:

III. Verzoekt de deskundige zich uit te laten over de vraag van de commissie over de scheur in de vloer;

IV. Houdt daartoe elke verdere beslissing aan.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, de heer ing. G.J. van Ingen en mevrouw mr. drs. S. Meinhardt, in aanwezigheid van mr. D.C.J. Frijlink, secretaris, op 21 juni 2024.

Opslaan als PDF