Commissie: Advocatuur
Categorie: dienstverlening/ informatieverstrekking
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
323743/484882
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In deze zaak klaagt een cliënt bij de Geschillencommissie Advocatuur over het advies van zijn advocaat bij het beoordelen van een vaststellingsovereenkomst met zijn ex-werkgever. De cliënt ontving een vergoeding van €5.500, maar kreeg uiteindelijk slechts €2.961 uitbetaald vanwege belastinginhouding. Volgens hem had de advocaat gezegd dat hij het volledige ingehouden bedrag kon terugvorderen via de belastingaangifte. De advocaat ontkent dit en stelt dat zij alleen heeft uitgelegd dat transitievergoedingen bijzonder worden belast en dat terugvordering mogelijk is, afhankelijk van persoonlijke omstandigheden. De commissie oordeelt dat de advocaat niet expliciet heeft gezegd dat het volledige bedrag zou worden terugbetaald en dat de cliënt dit niet zomaar had mogen aannemen. De commissie vindt dat de advocaat heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame advocaat mag worden verwacht. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard en krijgt de cliënt geen schadevergoeding. Het klachtengeld blijft voor rekening van de cliënt.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de volgens de cliënt onjuiste advisering door de advocaat.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft zich tot de advocaat gewend met het verzoek de vaststellingsovereenkomst, die hij met zijn ex-werkgever had gesloten, te beoordelen.
De cliënt is onder meer een vergoeding van € 5.500,– met zijn ex-werkgever overeengekomen. Pas achteraf kwam de cliënt erachter dat op dit bedrag een bedrag van € 2.039,– aan belasting werd ingehouden en dat hij daarom slechts € 2.961,– ontving. Hij heeft hierover vragen gesteld aan de advocaat. In reactie hierop heeft de advocaat hem per e-mail geïnformeerd dat de transitievergoeding als een bijzondere betaling wordt beschouwd en dat deze tegen een speciaal tarief wordt belast door de belastingdienst. Zij heeft hem verzekerd dat hij de inhouding kon terugvorderen in zijn belastingaangifte 2022. De cliënt heeft dit telefonisch bij de advocaat geverifieerd. De advocaat heeft bevestigd dat de cliënt het volledige bedrag kon terugvorderen. Omdat de cliënt vertrouwde op volledige restitutie, heeft hij geen verdere actie ondernomen en de overeenkomst niet ontbonden. De belastingdienst heeft de terugvordering van het belastbare bedrag echter afgewezen, waardoor de cliënt een aanzienlijk financieel verlies heeft geleden.
De cliënt is van mening dat de advocaat hem onjuist heeft geïnformeerd en dat zij hem daarom moet compenseren voor het door hem misgelopen bedrag van € 2.039,–. Hij heeft geprobeerd in onderling overleg met de advocaat tot een oplossing te komen, maar dit is niet gelukt.
De cliënt verzoekt de commissie hem een schadevergoeding van € 2.039,– toe te kennen.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De advocaat heeft de cliënt bijgestaan in een arbeidsgeschil. Uiteindelijk heeft mediation plaatsgevonden tussen de cliënt en zijn inmiddels ex-werkgever. De advocaat is niet bij de mediationgesprekken aanwezig geweest. De cliënt heeft zich daarna weer tot de advocaat gewend met vragen over de concept vaststellingsovereenkomst. Bij de totstandkoming daarvan is de advocaat niet betrokken geweest. De advocaat heeft de cliënt vervolgens geadviseerd. In een tekstvoorstel heeft zij onder meer aangegeven dat loon en bijzondere vergoedingen anders worden belast.
Na onderhandelingen is een regeling getroffen tussen de cliënt en zijn ex-werkgever. Bij deze onderhandelingen is de advocaat ook niet betrokken geweest. Overeengekomen is dat de ex-werkgever de cliënt een vergoeding van € 5.500,– zou betalen. Omdat de cliënt graag van de zaak afwilde, heeft hij met dit bedrag ingestemd.
Nadat de cliënt een betaling had ontvangen van € 3.461,15, heeft hij de advocaat benaderd met de vraag of het normaal is dat er bijna € 2.100,– is ingehouden. De advocaat heeft hem geantwoord dat dit bedrag kan kloppen, omdat een transitievergoeding een bijzondere betaling is die door de belastingdienst wordt belast tegen een bijzonder tarief van 35% à 40%. De advocaat heeft op geen enkel moment verklaard of aangegeven dat de cliënt recht heeft op volledige terugbetaling van de gehele inhouding. De bewering van de cliënt dat zij hem “gegarandeerd” zou hebben dat hij het bedrag 100% terugbetaald krijgt, is dan ook onjuist.
De advocaat heeft de cliënt zeker niet verkeerd geadviseerd of hem op het verkeerde been gezet. Zij verzoekt de commissie daarom de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en de door hem verzochte schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Op grond van de stukken staat vast dat de cliënt op 10 juni 2022 de met zijn ex-werkgever gesloten vaststellingsovereenkomst heeft getekend. Daarin is opgenomen dat de ex-werkgever de cliënt een vergoeding van € 5.500,– zou betalen. Op 17 juni 2022 heeft de cliënt de advocaat gevraagd of het kan kloppen dat zijn ex-werkgever hem slechts € 3.461,15 heeft betaald. Op 20 juni 2022 heeft de advocaat de cliënt per e-mail bericht: “Omdat transitievergoeding een bijzondere betaling is wordt het belast tegen het bijzonder tarief door de belastingdienst. Dit betekent dat ongeveer 35 à 40% belasting wordt ingehouden op het brutobedrag. Daarom kan het bedrag kloppen wat je hebt ontvangen. De inhouding kan je dan in je belastingaangifte van 2022 terugvorderen van de belastingdienst”.
De cliënt stelt dat hij op basis van deze e-mail ervan uit is gegaan dat hij het gehele ingehouden bedrag zou terugkrijgen van de belastingdienst en dat hij daarom geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de vaststellingsovereenkomst binnen de bedenktermijn van veertien dagen te ontbinden.
De commissie stelt vast dat de advocaat niet expliciet heeft vermeld dat de cliënt de inhouding niet volledig zou terugkrijgen. Dit is echter naar het oordeel van de commissie onvoldoende voor de conclusie dat de advocaat verwijtbaar heeft gehandeld. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat de door de belastingdienst na een vaststellingsovereenkomst op te leggen aanslag voor de inkomstenbelasting wordt bepaald door alle persoonlijke omstandigheden van een belastingplichtige en dat deze niet enkel afhankelijk is van de loonheffing over de transitievergoeding en over het loon zoals afgesproken in de vaststellingsovereenkomst. De cliënt mocht er op basis van de e-mail van de advocaat dus niet zonder meer vanuit gaan dat hij de gehele inhouding zou terugkrijgen.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De commissie acht de klacht van de cliënt dan ook ongegrond. Zij zal de door hem verzochte schadevergoeding daarom afwijzen.
Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor zijn rekening.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 15 november 2024.