Geen schadevergoeding voor kentekenregistratie in 2024: auto officieel van bouwjaar 2025

  • Home >>
  • Voertuigen >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Voertuigen    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 940182/1124721

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kocht in september 2024 een nieuwe Kia Sportage en sprak af dat de auto pas in januari 2025 geregistreerd zou worden. Toch werd het kenteken al op 30 december 2024 aangevraagd. De consument was hier niet blij mee en wilde een schadevergoeding. De ondernemer stelde dat het officiële bouwjaar bepaald wordt door de datum van eerste toelating, en die was 8 februari 2025. De commissie oordeelde dat de consument geen nadeel heeft geleden, omdat hij een auto van bouwjaar 2025 heeft ontvangen én een lagere BPM heeft betaald. De klacht is daarom ongegrond.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 21 september 2024 tussen partijen gesloten overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een nieuwe auto van het merk Kia, type Sportage, tegen een door de consument te betalen prijs van € 54.803,–.

De overeenkomst is uitgevoerd.

De consument heeft de klacht op 21 januari 2025 voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In september 2024 bestelde de consument een nieuwe auto bij de ondernemer. Daarbij werd afgesproken dat de levering, registratie en kenteken in januari 2025 zou plaatsvinden. Ook blijkt dat uit het feit dat het verhoogde BPM tarief van 2025 werd aangehouden. Op 20 januari 2025 informeerde de consument naar de afleverdatum en kreeg toen te horen dat de auto al op 30 december 2024 op kenteken was gezet. Dat wilde de consument niet en dat was ook niet de (mondelinge) afspraak.

Om tot een oplossing te komen werd overleg met de ondernemer gevoerd, maar dat leidde tot niets. Er werd gedreigd met het annuleren van de bestelde auto. Hierna nam de consument de auto onder protest af. De BPM verhoging werd terugbetaald aan de consument en afgesproken werd om de zaak door de commissie te laten toetsen.

De consument ervaart de gang van zaken alsof hij een auto moest afnemen die hij niet heeft besteld. Bij een andere gelegenheid waarbij de ondernemer niet betrokken was min of meer sprake van een identieke situatie en een bedrijf dat zich erop beriep dat het kenteken van een jaar eerder was en de auto dus een eerder bouwjaar had.

De consument verlangt een passende schadeloosstelling van de ondernemer.

Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

De consument bestelde de auto en betaalde daarbij de in 2025 verschuldigde BPM en niet de lagere BPM van 2024. De totale registratie zou in 2025 plaatsvinden. De consument heeft eerder een dergelijk akkefietje meegemaakt en kon toen geen deal met een dealer maken vanwege een discussie over het bouwjaar. Toen kwam hij bij het huidige merk terecht.

Op zich bevalt de auto goed, ware het niet dat de auto is gestolen en in [plaats] is teruggevonden. De auto zal elders op kosten van de verzekeraar worden hersteld. Hij heeft nu genoeg van de auto en wil hem graag bij de ondernemer inruilen.

Hij koos ervoor om te wachten en vond het niet erg € 826,– extra te betalen voor de BPM

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Er staat voor de consument een nieuwe auto met bouwjaar 2025 en kenteken 1 en 2 op datum aflevering van 8 februari 2025. De datum waarop het kenteken bij de RDW is aangevraagd geldt niet als bouwjaar van de auto. De datum eerste toelating geeft aan wanneer het voertuig voor het eerst is geregistreerd, waar ook ter wereld. Ook bepaalt die datum het moment waarop de afschrijving van de BPM begint. Op de kentekenregistratie komt de datum van 8 februari 2025 te staan en geen eerdere datum. Dat is het officiële bouwjaar.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

De aanvraag om het kenteken in 2024 te registreren is louter ingegeven om BPM te besparen. Het bouwjaar wordt bepaald door het jaartal op het kentekenbewijs en niet door de enkele aanmelding van het kenteken. Mogelijk heeft de verkoper de consument verkeerd begrepen. Hij heeft echter het beste van twee werelden gedaan: een lagere BPM gerealiseerd en een auto van 2025 afgeleverd.

De ondernemer is bereid om te zijner tijd te praten over een inruil van de auto, mits goed hersteld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In deze zaak klaagt de consument over de omstandigheid dat het kenteken van zijn nieuw bestelde auto in 2024 is geregistreerd/aangevraagd bij de RDW, terwijl dat niet de afspraak was. Hij sprak af dat alles in 2025 zou worden geregistreerd. De ondernemer heeft niet gehandeld zoals is afgesproken en hij verlangt een schadeloosstelling.

De ondernemer voert verweer.

De commissie volgt het standpunt van de ondernemer.

De commissie blijft bij haar eerdere beslissingen waarbij zij heeft geoordeeld dat bepalend voor het bouwjaar van een auto de datum van eerste toelating is en niet het moment waarop het kenteken, zonder tenaamstelling, bij de RDW is aangevraagd.

De consument lijkt dan ook geen redelijk belang bij zijn klacht te hebben, te meer nu door het handelen van de ondernemer een aanzienlijk lager BPM bedrag werd verschuldigd en aan hem een auto met bouwjaar 2025 is geleverd.

De omstandigheid dat bij de inruil van de auto mogelijk een beroep op het kenteken kan worden gedaan, maakt dat niet anders. Bovendien is het zo dat ook een auto die in februari 2025 is afgeleverd, feitelijk eerder, in 2024 is geproduceerd, zei het dat die datum niet wordt aangehouden als het bouwjaar van de auto (in economische en juridische zin).

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument ongegrond.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie wijst het door de consument verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer R. Vlasveld, de heer H.H. van der Linden, leden, op 19 augustus 2025.

Opslaan als PDF