Klacht over studievertraging door buitenlandse verhuizing afgewezen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Lesovereenkomst    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 467622/555402

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument diende een klacht in bij de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen over vertraging in haar studie. Zij volgde een mbo-opleiding en verhuisde in 2023 naar Curaçao. Volgens haar was ze onvoldoende geïnformeerd over het feit dat het praktijkexamen en de stage alleen in Nederland konden plaatsvinden. Ze vroeg om terugbetaling van het lesgeld of een alternatieve opleiding zonder stage. De ondernemer stelde dat deze informatie duidelijk was opgenomen in het Onderwijs- en Examenreglement en op de website, en dat zij tijdig en correct had gereageerd op vragen van de consument. De commissie oordeelde dat de ondernemer voldoende informatie had verstrekt en dat de consument zelf ook verantwoordelijk is voor het inwinnen van informatie. De vertraging in de studie is volgens de commissie ontstaan door de keuze van de consument om naar het buitenland te verhuizen, en valt daarom onder haar eigen verantwoordelijkheid. De klacht is ongegrond verklaard en het verzoek tot terugbetaling of een alternatieve opleiding is afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een klacht over de ontstane vertraging van de studie.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft herhaaldelijk niet binnen de door hen gestelde termijnen gereageerd op verzoeken van de consument om duidelijkheid en een oplossing voor opleiding en stage vanuit het buitenland. Ondanks meerdere contactmomenten via telefoon en e-mail sinds januari 2023, ontving zij standaardantwoorden zonder concrete oplossingen, wat heeft geleid tot significante vertragingen in haar studie. Zij verzoekt om een terugbetaling van het lesgeld of de mogelijkheid om een alternatieve Hbo-opleiding zonder stagevereisten te volgen.

De consument heeft nog nader gereageerd op het verweer van de ondernemer en stelt bij het inschrijven voor de opleiding niet voldoende te zijn geïnformeerd over het stagegedeelte, met name over de onmogelijkheid om de stage in het buitenland te voltooien. Dit werd haar pas duidelijk na haar verhuizing naar het buitenland. Voorts heeft zij onvoldoende reactie ontvangen op haar vragen en stelt zij dat de ondernemer voornamelijk informatie heeft verstrekt over het praktijkexamen, zonder in te gaan op het aspect van het stage lopen zelf. Voorts was haar stagebedrijf bereid om de stage online voort te zetten en was de consument bereid naar Nederland te komen voor het praktijkexamen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument is op 1 april 2021 met de opleiding MBO Medewerker marketing en communicatie gestart. De consument geeft aan dat zij niet was geïnformeerd over het feit dat het praktijkexamen en CGI (Criterium Gericht Interview) enkel in Nederland kunnen worden afgenomen. Hoewel zij terecht opmerkt dat onze algemene voorwaarden met name spreken over bijeenkomsten en contactdagen die niet in het buitenland kunnen plaatsvinden, is het Onderwijs- en Examenreglement (OER) hierin leidend. In het OER, Deel 1, Bijlage 1 – Reglement Examineren & Diplomering, Artikel 2.2, staat expliciet vermeld dat het praktijkexamen alleen in Nederland kan worden afgenomen. Daarnaast wordt in het OER aangegeven dat het examen moet plaatsvinden op de primaire stageplek, waar de student minimaal 75% van haar stage heeft doorlopen. In het geval van de consument betreft dit een stageplek in Nederland, waar zij haar stage heeft doorlopen. Hiermee heeft zij aan een belangrijk deel van haar studievereisten voldaan. Desondanks blijft het praktijkexamen een verplicht onderdeel dat, zoals in het OER staat vermeld, alleen in Nederland kan worden afgenomen. Dit is een vast onderdeel van het opleidingsbeleid en geldt voor alle studenten.

De consument heeft aangegeven dat de ondernemer niet snel genoeg heeft gereageerd op haar verzoeken. De consument heeft op 31 januari 2023 middels telefonisch contact laten weten dat zij vanwege de werkzaamheden van haar echtgenoot in juni 2023 zou verhuizen naar Curaçao. Zij gaf aan haar opleiding graag vanuit Curaçao te willen afronden, inclusief het praktijkexamen. De ondernemer heeft haar toen geïnformeerd op 31 januari 2023 en op 20 maart 2023, middels een e-mail dat het niet mogelijk is om het praktijkexamen in het buitenland af te nemen. Zij heeft hier nogmaals navraag over gedaan op 3 april 2023. Het examenbureau heeft toen op 4 april 2023 nogmaals via e-mail bevestigd dat het praktijkexamen alleen in Nederland kan worden afgenomen. Zoals blijkt uit de correspondentie, heeft de ondernemer binnen dezelfde week waarin de consument contact opnam, een reactie gestuurd waarin de situatie en de geldende regels zijn uitgelegd.

De consument heeft als oplossing geëist dat het volledige lesgeld wordt terugbetaald of dat haar een alternatieve Hbo -opleiding wordt aangeboden die geen stage vereist. De consument is in 2021 met de mbo-opleiding begonnen. Zij kreeg pas in 2023 te horen dat zij vanwege externe factoren moest verhuizen naar Curaçao. Op haar vraag naar de mogelijkheid om het praktijkexamen in het buitenland af te leggen is steeds binnen redelijke termijn gereageerd en aan haar de juiste informatie verstrekt. De ondernemer heeft de voorwaarden en verplichtingen omtrent het praktijkexamen en CGI vanaf het begin duidelijk gecommuniceerd. Er is dan ook geen sprake geweest van nalatigheid en daarnaast ligt de situatie buiten de invloed van de ondernemer.

In tweede termijn heeft de ondernemer nog schriftelijk gereageerd om de reactie van de consument. De ondernemer benadrukt dat op haar website via de opleidingsinformatie expliciet staat vermeld dat het stagebedrijf gevestigd moet zijn in Nederland, of het noorden van België. Deze informatie is ook te vinden op de website via de optie ‘Veel gestelde vragen’ en de vraag “Mag ik stagelopen in het buitenland?” Er mag worden verondersteld dat een student zich voorafgaand aan het inschrijven voor een opleiding informeert over de mogelijkheid tot het lopen van stage en het afleggen van examens. Het is jammer dat de consument zich hierover niet heeft geïnformeerd alvorens tot inschrijving over te gaan. Ten tijde van de inschrijving op 15 maart 2021 was deze informatie via de website beschikbaar. De ondernemer stelt zich dan ook op het standpunt haar informatieplicht naar behoren te hebben vervuld.

De ondernemer benadrukt wel degelijk te hebben gereageerd op vragen van de consument met betrekking tot de stage. Dit heeft plaatsgevonden op 31 januari 2023, toen zij voor het eerst te kennen gaf dat zij noodgedwongen zou gaan verhuizen naar het buitenland in juni 2023 Op 20 april 2023 hebben wij de consument wederom van de nodige informatie voorzien. In beide gevallen is de gevraagde informatie verstrekt en duidelijkheid gegeven over de stagevereisten en het praktijkexamen. Ter ondersteuning van dit standpunt is de betreffende communicatie in deze ingebracht. De ondernemer stelt zich dan ook op het stadpunt adequaat te hebben gereageerd en de benodigde informatie tijdig te hebben verstrekt.

De consument heeft op 31 januari 2023 telefonisch contact opgenomen om onder andere te vragen hoe het nu verder moet met het stage gedeelte en dat de stage opdrachten volgens haar via het internet online volbracht konden worden. Dezelfde dag is de consument via e-mail van de benodigde informatie voorzien over studeren in het buitenland. In dit bericht is duidelijk gemaakt dat het voltooien van de stage op afstand niet mogelijk is. De consument heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen op 3 april 2023 met onder andere een vraag over het praktijkexamen. Het examenbureau heeft haar op 4 april 2023 per mail van informatie voorzien.

De consument heeft in deze aangegeven dat zij bereid was om naar Nederland te komen voor het praktijkexamen. Dit is echter een nieuw element in haar verklaring. Een dergelijke bereidheid heeft de consument niet eerdere naar de ondernemer geuit. Zij wordt dan ook verzocht deze stelling met bewijs te ondersteunen nu de ondernemer dit betwist.

Verzocht wordt de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Uit hetgeen de ondernemer heeft aangevoerd en onderbouwd met stukken en zoals hiervoor in de kern is weergegeven, komt naar voren dat de ondernemer de consument tijdig en deugdelijk heeft geïnformeerd over de opleiding, stage mogelijkheden en het afleggen van het praktijkexamen in Nederland. De ondernemer heeft deze informatie verstrekt zowel op het moment dat consument met de opleiding startte als op het moment bijna 2 jaar later toen zij aan de ondernemer haar vraag voorlegde in verband met haar verhuizing naar het buitenland. Daarnaast mag van de consument worden verwacht dat zij zelf ook onderzoek verricht naar die mogelijkheden. Zij had onder meer de benodigde informatie kunnen vinden op de website van de ondernemer.

Dat de consument door toedoen van de ondernemer vertraging heeft opgelopen van haar studie heeft de ondernemer gemotiveerd betwist en heeft de consument dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarbij is het een voor rekening van de consument ontstane omstandigheid geweest die haar heeft doen besluiten naar het buitenland te vertrekken gedurende haar studie. De gevolgen daarvan komen dan ook geheel voor haar rekening en risico. Van een gehoudenheid van de ondernemer haar studiegeld terug te betalen of haar een andere studie aan te bieden is ook niet gebleken. Volgens mededeling van de ondernemer tijdens de mondelinge behandeling is het voor de consument nog steeds mogelijk binnen de gegeven termijn haar studie af te ronden volgens de daarvoor gegeven vereisten.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het door de consument verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik , mevrouw mr. M.T. Buiting , leden, op 12 november 2024.

Opslaan als PDF