Vervolgonderzoek naar vergoeding alternatieve treinreis na staking

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: Overig    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanvullende informatie nodig   Referentiecode: 252623/281814

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument reisde in januari 2024 met de trein van Nederland naar Zwitserland. Door stakingen in Duitsland vielen zowel de heen- als terugreis uit. De consument koos voor alternatief vervoer: een vlucht heen en een trein via Frankrijk terug. De vervoerder weigerde de extra kosten te vergoeden. De commissie oordeelt dat de vlucht niet voor vergoeding in aanmerking komt, maar dat de treinreis via Frankrijk mogelijk wel vergoed moet worden. De consument mag binnen 30 dagen extra bewijs aanleveren van de gemaakte kosten. Daarna beslist de commissie definitief.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft vergoeding bij alternatief vervoer bij een vertraagde internationale treinreis.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Zowel op mijn heen- als terugreis met de trein van Nederland naar Zwitserland (januari 2024) staakten de Duitse treinen. Het [bedrijf] (waar ik tickets gekocht had) bood geen enkel acceptabel alternatief (enkel 3 of 4 dagen later reizen) en hebben ook geen gevolgschade (kosten andere manier reizen, etc) willen vergoeden (terwijl ik dit zo goedkoop mogelijk gevonden had). Dit is – naar mijn inzicht – in strijd met de EU verordening over de rechten van treinreizigers.

Mijn voorstel aan [bedrijf] is geweest dat zij de kosten voor alternatief vervoer op zich zouden nemen voor wat betreft de heenreis. De reis over Duitsland was niet meer mogelijk op vrijdag 12 januari (zo bleek op 8 januari ivm meerdaagse staking), dus heb ik verzocht om ons over te boeken op een trein over Frankrijk. Het [bedrijf] heeft aangegeven daarin niet te kunnen voorzien, omboeken kon, maar de kosten waren voor onszelf, dat betrof een bedrag van ruim 600, voor twee personen-. Een vlucht naar Zwitserland betrof een bedrag van 473,34,- dat was voor ons dus een goedkoper alternatief. De medewerker gaf tevens aan dat zijn inschatting was dat een reis met de trein over Frankrijk of meerdere dagen later over Duitsland geen garantie zou geven op een soepele reis (ivm gevolgen van de meerdaagse staking). Wij hebben er toen dus voor gekozen om zelf voor alternatief vervoer te kiezen, te meer wij in het buitenland ook afspraken hadden die niet verzet konden worden. Helaas bleek ook dat de terugreis (voor drie personen) ook werd geannuleerd, ook in dit geval hoorden we dat op de maandag voor onze reis op vrijdag (26 januari). Ook in dit geval bood [bedrijf] geen alternatief anders dan 4 dagen later als de stakingen voorbij zouden zijn. I.v.m. ons werk moesten we op maandag terug zijn in Nederland. Ook in dit geval hebben we verzocht om ons over te boeken op een trein over Frankrijk, en wederom was het antwoord dat zij niet voor alternatief vervoer zorgen en ook geen kosten op zich nemen. Aangezien het niet meer mogelijk was om op vrijdag te reizen (treinen over Frankrijk vol) konden we pas op zaterdag met de trein reizen over Frankrijk. Dit betekende naast kosten die hoog uitvielen (1,5 uur met medewerker aan de telefoon die niet goed wist hoe ze onze tickets moest boeken liep de prijs fors op (100,- pp). Wij zijn dus naast de kosten voor een extra overnachting geconfronteerd met 761,- extra kosten voor vervoer dit bovenop de kosten voor overnachting.
Ook in dit geval is het voorstel dus dat wij gecompenseerd worden voor de extra kosten (minus terugbetaling voor annulering).

Aanvullend: Tot op heden hebben we de terugbetaling voor de annulering van de tickets nog
niet volledig binnen. Graag verneem ik hoe wij de Europese verordening moeten interpreteren daar waar het compensatie van vervolgschade betreft en aanbieden van een alternatief. Aangezien er geen sprake was van buitengewone omstandigheden zoals beschreven in de verordening.
Ook onze reisverzekering heeft geconcludeerd dat zij onze kosten niet kunnen vergoeden omdat
stakend personeel wordt gezien als verantwoordelijkheid van de vervoerder en er dus geen sprake was van buitengewone omstandigheden waarvoor de vervoerder niet verantwoordelijk gehouden kan worden.

Het standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht van mevrouw [naam] betreft een reis die zij heeft gemaakt samen met één (heen-
reis) en twee (terugreis) andere personen tussen Nederland en Zwitserland. Ten aanzien van de heenreis heeft mevrouw [naam] geen stukken overgelegd, maar gezien de contacten die hierover met [bedrijf] Klantenservice heeft plaatsgevonden, moet er vanuit worden gegaan dat mevrouw [naam] vervoersbewijzen heeft gekocht om op 12 januari 2024 van Rotterdam Centraal naar Zernez in Zwitserland te reizen Op 8 januari 2024 werd bekend dat als gevolg van een staking deze reis geen doorgang kon vinden. Mevrouw [naam] heeft daarop [bedrijf] Klantenservice gevraagd of het mogelijk was te reizen via Frankrijk. [Bedrijf] Klantenservice heeft bericht dat dit mogelijk was, maar dat de (extra) kosten daarvan voor rekening van mevrouw [naam] zouden komen. Mevrouw [naam] heeft evenwel er voor gekozen de heenreis per vliegtuig te maken en heeft op 15 januari 2024 de heenreis geannuleerd. De kosten voor deze heenreis per trein zijn volledig aan mevrouw [naam] terugbetaald.

Op 26 januari 2024, de datum van de beoogde terugreis per trein, vinden er evenwel ook stakingen plaats, zodat ook deze reis niet kan plaatsvinden op de wijze als voorzien. Mevrouw [naam] boekt daarom een nieuwe treinreis via Frankrijk. Na terugkomst in Nederland belt zij op 29 januari 2024 [bedrijf] Klantenservice om haar oorspronkelijke tickets
via Duitsland te annuleren. Ook deze tickets worden later volledig terug betaald.

[Bedrijf] begrijpt de klacht van mevrouw [naam] als volgt. Zij wenst dat [bedrijf] de kosten voor het alternatieve vervoer op de heenreis (de vliegreis naar Zürich à € 473,34 voor twee personen) vergoedt. Voorts wenst zij dat [bedrijf] de kosten van het alternatieve vervoer op de terugreis (de treinreis via Frankrijk à € 1.162,40 voor drie personen) vergoedt, met dien
verstande dat het reeds door [bedrijf] terugbetaalde bedrag in verband met de annulering van de terugreis via Duitsland à € 401,40, hierop in mindering wordt gebracht, zodat zij een vergoeding vraagt ter hoogte van € 761,–.

[Bedrijf] Klantenservice heeft de verzoeken van mevrouw [naam] volgens de toepasselijk voorwaarden en wet- en regelgeving behandeld. [Bedrijf] licht dat hieronder toe. Verordening 2021/782 De Europese verordening 2021/782 betreffende de rechten en verplichtingen van treinreizigers (hierna: Verordening) bepaalt waar reizigers recht op hebben bij uitval van treinen en welke verplichtingen vervoerders dan hebben. De Verordening is in werking getreden op 7 juni 2023. Aangezien de reis van mevrouw [naam] plaatsvond in januari 2024 is het bepaalde in deze Verordening van toepassing.
Recht op restitutie en compensatie Zowel de heen- als de terugreis van mevrouw [naam] kon niet plaatsvinden vanwege stakingen van personeel van Deutsche Bahn. De reis die mevrouw [naam] had geboekt ging, zowel op de heen- als op de terugweg via Duitsland. Deze reis werd uitgevoerd door de spoorwegmaatschappijen [bedrijf] in Nederland, DB in Duitsland en SBB (de Zwitserse spoorwegmaatschappij) in Zwitserland. Artikel 18 regelt de rechten van reizigers bij (een te verwachten) vertraging bij aankomst van 60 minuten of meer. In dat geval krijgt de reiziger de keuze uit verschillende mogelijkheden, waaronder ‘terugbetaling van de volledige kostprijs van het vervoerbewijs’
en ‘voortzetting van de reis of vervoer langs een andere route naar de eindbestemming bij de vroegste gelegenheid en onder vergelijkbare vervoersomstandigheden’. [Bedrijf] heeft mevrouw [naam] aangeboden om per vroegste gelegenheid te reizen, dat was nadat de stakingen voorbij zijn. Dat was voor mevrouw [naam] echter geen optie omdat
zij eerder in zowel Zwitserland op de heenreis als Nederland op de terugreis moest zijn. Om die reden wilde mevrouw [naam] via Frankrijk reizen. Hoewel dit een vervoer is via een andere route, betreft het hier een reis met een andere (spoor)vervoerder. Om die reden wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 18 lid 1 onder b van de Verordening.
[bedrijf] Klantenservice heeft dan ook terecht gesteld, dat de kosten voor dit (nieuwe) vervoersbewijs, voor rekening van mevrouw [naam] dienden te komen. In die situatie had mevrouw [naam] uiteraard wel recht op terugbetaling van de volledige kostprijs van het oorspronkelijke vervoersbewijs. Mevrouw [naam] heeft uiteindelijk gekozen om niet per trein te reizen en de kostprijs voor haar ticket voor de heenreis is derhalve aan haar terugbetaald.

Voor wat betreft de terugreis heeft mevrouw [naam] wél gekozen om met de trein via Frankrijk – en derhalve niet via Duitsland – te reizen. Zoals hiervoor reeds toegelicht, komen de kosten voor dit nieuwe vervoersbewijs voor rekening van mevrouw [naam], evenwel onder aftrek van de kostprijs van het vervoersbewijs dat zij voor de oorspronkelijke terugreis heeft betaald. Derhalve resteerde een bedrag te voldoen ter hoogte van € 761,-. Gevolgschade
Mevrouw [naam] vraagt verder een toelichting op de Verordening met betrekking tot gevolgschade. De gevolgschade beschrijft zij als ‘kosten andere manier van reizen etc’. Zoals hiervoor reeds aangegeven, heeft [bedrijf] voldaan aan haar contractuele en wettelijke verplichtingen jegens mevrouw [naam], door de kostprijs van de vervoersbewijzen voor
de heen- en terugreis terug te betalen c.q. te verrekenen met de kosten voor een nieuw vervoersbewijs voor de treinreis van Zwitserland naar Nederland via Frankrijk. [Bedrijf] is van oordeel, dat zij niet gehouden is om de (extra) kosten die mevrouw [naam] heeft gemaakt voor haar alternatieve heen- en terugreis te vergoeden. Om te beginnen is er geen sprake meer van een vervoersovereenkomst, omdat deze is beëindigd. Mevrouw [naam] heeft immers geen gebruik gemaakt van de vervoersbewijzen en deze zijn terugbetaald. Daarnaast is [bedrijf] wettelijk noch contractueel aansprakelijk voor schade veroorzaakt door vertraging die, door welke oorzaak dan ook, voor, tijdens, of na het vervoer is opgetreden. Ten aanzien van dergelijke schade bepaalt artikel 17 van de Verordening dat de
schade waarvoor een spoorwegonderneming aansprakelijk is ten aanzien van (onder meer) vertraging, voor zover niet anders in de Verordening is bepaald, wordt bepaald door het bepaalde in titel IV hoofdstuk II van de aan de Verordening gehechte bijlage In artikel 32 van voormelde Bijlage I is bepaald dat de vervoerder enkel aansprakelijk is voor schade bestaande uit de redelijke kosten voor een overnachting en voor het waarschuwen van personen die de reiziger verwachten in geval van het uitvallen of vertraging van een trein (of het missen van een aansluiting waardoor de reis niet meer op dezelfde dag kan worden voortgezet of wanneer de voortzetting van de reis als gevolg
van de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet kan worden verlangd). Dit behoudens overmacht. Het artikel bepaalt voorts dat het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de eerder genoemde schade moet vergoeden. Terzake is het bepaalde in artikel 8:108 van het Burgerlijk Wetboek bepalend. Daarin is
bepaald dat schade die een reiziger lijdt als gevolg van vertraging dan wel als gevolg van welke afwijking van de dienstregeling dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komt: “De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel
is veroorzaakt door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.” Ratio achter deze bepaling is dat aansprakelijkheid voor vertragingsschade in het openbaar vervoer tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

[Bedrijf] was slechts verplicht de ticketprijs van de geannuleerde vervoersbewijzen terug te betalen aan mevrouw [naam], wat [bedrijf] heeft gedaan. [Bedrijf] heeft hiermee voldaan aan haar wettelijke en contractuele verplichtingen jegens mevrouw [naam]. Zoals toegelicht bestaat voor andere vergoeding van door mevrouw [naam] gestelde schade geen grondslag.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Terecht is aansluiting bij Verordening 2021/782 gezocht door de ondernemer. Niet wordt weersproken dat staking niet als buitengewone omstandigheden wordt aangenomen in dit geval.

De heenreis

Wat betreft de heenreis verwijst de ondernemer naar artikel 18 onder 1b van de Verordening. Als redengevend wordt aangegeven dat niet wordt voldaan aan het beweerdelijke vereiste dat het hier een reis met een andere (spoor)vervoerder betreft. Uit de tekst van lid 2 wordt al duidelijk dat dit vereiste niet opgaat. Wat wel een rol kan spelen is het vereiste van vergelijkbare vervoersomstandigheden. Dat wordt echter niet aangevochten als zodanig.

Artikel 18 lid 1 luidt voor zover hierover relevant als volgt.
b) voortzetting van de reis of vervoer langs een andere route naar de eindbestemming bij de vroegste gelegenheid en onder vergelijkbare vervoersomstandigheden;
c) voortzetting van de reis of vervoer langs een andere route naar de eindbestemming op een latere da-tum wanneer het de reiziger schikt en onder vergelijkbare vervoersomstandigheden.
2.   Indien met het oog op de toepassing van lid 1, punten b) en c), vergelijkbaar vervoer langs een andere route wordt verricht door dezelfde spoorwegonderneming of een andere onderneming daartoe opdracht krijgt, mag dat niet tot extra kosten voor de reiziger leiden. Dit vereiste geldt ook indien voor het vervoer langs een andere route wordt gebruikgemaakt van vervoer in een hogere vervoerklasse of van alternatieve vervoerwijzen. Spoorwegondernemingen moeten redelijke inspanningen leveren om extra overstappen te vermijden en om ervoor te zorgen dat binnen de totale reistijd de vertraging zo kort mogelijk is. Reizigers mogen niet in een lagere vervoerklasse worden vervoerd, tenzij dergelijke faciliteiten de enige beschikbare alternatieve reismogelijkheid vormen.

Dit veronderstelt enerzijds dat wel een andere onderneming het overeengekomen vervoer kan verrichten maar anderzijds dat alleen spoorvervoer in aanmerking komt voor toepasselijkheid van dit artikel. Er wordt ook steun voor gevonden in de laatste voorstellen van de Europese Commissie waarbij multimodaal vervoer tot onderwerp worden genomen. Er wordt dan wel uitgegaan van combinatie van verschillende vervoermogelijkheden. Dat bevindt zich nog echter in een voorbereidend stadium. Om het dan nu als een vergoedingsmogelijkheid te zien zou in weerwil van deze uitgangspunten zijn.

Opmerking verdient dat de ondernemer volgens de tekst en uitgangspunten van de Verordening een actieve rol toekomt bij vertraging. Dat houdt in dat eventueel de opdracht dient te worden gegeven die in dit artikellid 2 genoemd is. De informatie die is verstrekt door het klantenloket kan daarom niet volledig genoemd worden. Het was wel terecht voor eventuele vergoeding van het vliegvervoer.  Het is echter een eigen keuze geweest van de consument om per vliegtuig te gaan. Dat komt niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor wordt verwezen naar de tekst van lid 3 van artikel 18 dat zich niet uitstrekt tot vliegvervoer. Hierna wordt daarop nader ingegaan.

Zodoende kan wat de heenreis betreft de klacht niet kunnen leiden tot toewijzing van de verlangde vergoeding.

De terugreis

Wat betreft de terugreis is het verschil dat per spoor via een alternatieve route is gereisd. Inachtnemend wat hiervoor is overwogen dient dit niet tot extra kosten voor de consument te leiden.  Er is echter kennelijk onenigheid tussen partijen of er contact geweest is met de ondernemer. Voor toepasselijkheid van de betreffende bepalingen van de Verordening is in principe wel nodig dat de ondernemer tijdig in kennis wordt gesteld en de gelegenheid heeft te voldoen aan de verplichtingen voor hem daaruit. Evenwel geeft artikellid 3 een aanvulling.

3.   Onverminderd lid 2 kan de spoorwegonderneming de reiziger op zijn verzoek toestaan overeenkom-sten te sluiten met andere aanbieders van vervoerdiensten die hem in staat stellen onder vergelijkbare omstandigheden de eindbestemming te bereiken, in welk geval de spoorwegonderneming de door de reiziger gemaakte kosten terugbetaalt.
Indien de beschikbare mogelijkheden voor vervoer langs een andere route niet binnen 100 minuten na de geplande vertrektijd van de vertraagde of geannuleerde dienst of gemiste aansluiting aan de reiziger worden meegedeeld, heeft de reiziger het recht een dergelijke overeenkomst te sluiten met andere aan-bieders van openbarevervoerdiensten per spoor, touringcar of autobus. De spoorwegonderneming betaalt de door de reiziger gemaakte noodzakelijke, passende en redelijke kosten terug.
Dit lid doet geen afbreuk aan nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die reizigers gunsti-gere voorwaarden voor vervoer langs een andere route bieden.

Op grond van deze bepaling dient de ondernemer wel op te komen voor de door de consument bestede kosten.  Niet geheel opgehelderd is welke kosten in dat verband precies gemaakt zijn. De commissie heeft daarop meer inzicht nodig om te kunnen beoordelen of het noodzakelijke, passende en redelijke kosten betreft en zal de consument in de gelegenheid stellen dat nader te preciseren en onderbouwen.

De ondernemer heeft nog gewezen op de tekst van artikel 17 van de Verordening waarin is geregeld dat onder voorbehoud van de bepalingen van dit hoofdstuk op de aansprakelijkheid van spoorwegondernemingen ten aanzien van vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen bijlage I, titel IV, hoofdstuk II, van toepassing is(zie noot 1) .
Deze bepaling mist toepassing in deze zaak voor zover alleen vergoeding van reiskosten wordt gevraagd en deze rechtstreeks gebaseerd (kunnen) worden op artikel 18 lid 2. Het betreft dan niet andere schade of gevolgschade als bedoeld in artikel 17, zoals dat onder lid 1 valt. Voor zover de commissie kan overzien wordt daarop gedoeld bij de klacht.

Voor zover de ondernemer nog aanvoert dat er geen sprake meer is van een vervoersovereenkomst, omdat deze is beëindigd omdat de consument geen gebruik gemaakt heeft van de vervoersbewijzen en deze zijn terugbetaald, moet worden geconstateerd dat de Verordening juist een regeling geeft voor de gevolgen van een vertraagde reis als die zich hier heeft voorgedaan. Die was voor de vertraging niet geëindigd.

Voor de volledigheid en actuele achtergrondinformatie wijst de commissie ook nog op Uitvoeringsverordening (EU) 2024/949 van de Commissie van 27 maart 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk formulier voor terugbetalings- en vergoedingsaanvragen van reizigers in het treinverkeer voor vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen van spoorwegdiensten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/782 van het Europees Parlement en de Raad (noot 2) . Die is van toepassing met ingang van 2 juli 2024.

Daarin wordt nader toegelicht welke vertragingskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie bepaalt dat de consument binnen een termijn van dertig dagen  nadere informatie zal kunnen geven en stukken zal kunnen indienen ter nadere precisering en onderbouwing van de opgegeven kosten van de terugreis.

De hiervoor verlangde aanvullende informatie wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de ondernemer gezonden. Deze wordt in de gelegenheid gesteld daarop binnen twee weken een schriftelijke reactie aan de commissie kenbaar te maken. De commissie zal vervolgens zonder nadere mondelinge behandeling op basis van de stukken bindend adviseren.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. J.M.J. Godrie, voorzitter, de heer mr. P. Vonk, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 17 juli 2024.

Noot 1. 
aansluiting
1.   De vervoerder is jegens de reiziger aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het feit dat door het uitvallen, door de vertraging van een trein of door het missen van een aansluiting de reis niet op dezelfde dag kan worden voortgezet, of dat de voortzetting hiervan als gevolg van de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kan worden verlangd. De schadevergoeding omvat de redelijke kosten voor overnachting en voor het waarschuwen van personen die de reiziger verwachten.
2.   De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, wanneer het uitvallen, de vertraging of het missen van een aansluiting te wijten is aan een van de volgende oorzaken:
a) omstandigheden buiten de uitoefening van het spoorwegbedrijf, die de vervoerder ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;
b) schuld van de reiziger; of
c) het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen; een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast.
3.   Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de in lid 1 bedoelde schade moet vergoeden.

Noot 2

Uitvoeringsverordening (EU) 2024/949 van de Commissie van 27 maart 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk formulier voor terugbetalings- en vergoedingsaanvragen van reizigers in het treinverkeer voor vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen van spoorwegdiensten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/782 van het Europees Parlement en de Raad Dat is van toepassing met ingang van 2 juli 2024.

Vergoeding door de spoorwegonderneming van de kosten voor het gebruik van andere aanbieders van vervoersdiensten of andere kosten (rekeningen voor andere spoorwegondernemingen, bussen, touringcars, taxi’s, hotels of andere accommodatie, maaltijden, hapjes en dranken) (*****).

(****) De criteria voor het bepalen van een vertraging en voor het berekenen van de vergoeding zijn vermeld in de vergoedingsregeling van de spoorwegonderneming, overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EU) 2021/782.
(*****) Alleen kosten die passend zijn op grond van artikel 18, lid 3, en artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) 2021/782, worden in aanmerking genomen. Maaltijden en verfrissingen moeten door spoorweg-ondernemingen worden aangeboden in redelijke verhouding tot de wachttijd, als ze aan boord van de trein of in het station beschikbaar zijn of redelijkerwijs kunnen worden geleverd, rekening houdend met criteria zoals de afstand tot de leverancier, de voor de levering benodigde tijd en de kostprijs. De terugbetaling van de kosten voor het gebruik van andere vervoersdiensten gebeurt binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag. De indiening van relevante bewijsstukken wordt sterk aanbevolen

Opslaan als PDF