Commissie: Post
Categorie: Schadevergoeding
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
710898/774423
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument had een aangetekende brief verstuurd die pas na zes weken en geopend retour kwam. De ondernemer beweerde eerst dat de geadresseerde het stuk had opgehaald, maar dat bleek niet te kloppen. Uiteindelijk gaf de ondernemer toe dat het poststuk niet was afgehaald, naar de afdeling onbestelbare stukken was gestuurd en daar geopend werd. De commissie oordeelde dat de brief onterecht geopend is en dat de privacy van de consument is geschonden. De klacht is deels gegrond. De ondernemer moet € 95,80 vergoeden voor schade en portokosten, plus € 27,50 klachtengeld.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft een aangetekend stuk dat vertraagd en geopend retour is gekomen. De consument wenst een schadevergoeding.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar hetgeen overwogen is in genoemd tussenadvies.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie ook hiernaar hetgeen in genoemd tussenadvies is overwogen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Zoals hierboven vermeld gaat het in deze zaak om een aangetekend verzonden brief die vertraagd (na 6 weken) en geopend retour gekomen is bij de afzender.
In genoemd tussenadvies overwoog de commissie dat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte en dat een hoorzitting gehouden zal worden. Zij wenst van de ondernemer te vernemen wat er op 5 oktober 2024 op het afhaalpunt gebeurd is. Immers de ondernemer betoogt dat de enveloppe door de geadresseerde is afgehaald, dat hij daarvoor getekend heeft (de handtekening is niet overgelegd) en dat de enveloppe aan het afhaalpunt teruggegeven is. De vermelding op de door de ondernemer overgelegde Verzendstatusinformatie bevestigt dit niet. Er staat immers “Geweigerd bij bezorging, zending gaat retour afzender”. Voor zover de commissie bekend wordt vanuit een afhaallocatie niet bezorgd. Zonder de gevraagde nadere toelichting concludeert de commissie dat na geweigerde bezorging het poststuk naar het afhaalpunt is gebracht, waarvandaan het na enige tijd zonder door de geadresseerde afgehaald te zijn teruggestuurd is aan de afzender. In de tweede plaats wenst de commissie te vernemen waarom de enveloppe geopend is, gezien de vermelding van naam en adres van de afzender op de oorspronkelijke enveloppe. Dat die adresgegevens onvolledig zijn kan de commissie zonder verdere toelichting niet onderkennen.
In de vervolgens gehouden zitting deelde de ondernemer mede dat een nieuw onderzoek was ingesteld. Daaruit bleek dat het poststuk nooit door de geadresseerde was opgehaald (vandaar dat er eerst gesproken was over “geweigerd”). Omdat de gegevens van de afzender niet duidelijk waren, is het poststuk naar de afdeling opslag onbestelbare stukken verstuurd en daar geopend. Vervolgens is het in een plastic zakje aan de consument geretourneerd.
De commissie merkt allereerst op dat zij in de vorige zitting kennelijk onjuist en onvolledig, derhalve ondermaats is voorgelicht. Dat valt te betreuren.
Betreffende de klacht van de consument dat de brief lang onderweg geweest is, overweegt de commissie dat in de periode 12 september tot 5 oktober 2024 de brief op een afhaalpunt lag om door de geadresseerde afgehaald te worden. Omdat zulks niet gebeurde, is de brief via de post van de ondernemer en na opening van de brief op 22 oktober 2024 aan de consument aangeboden. De tijdsduur hangt dus onder meer samen met de periode dat het poststuk voor de geadresseerde beschikbaar bleef. Daarbij komt dat de retourzending naar de consument ruim twee weken heeft geduurd, hetgeen zal samenhangen met het openen van de brief. Dat de brief geopend is door de ondernemer staat nu vast. Nu de consument een foto van de achterzijde van de brief als bewijsstuk heeft overlegd en daaruit van enige onduidelijkheid omtrent de gegevens van de afzender niet blijkt, moet het oordeel zijn dat de brief ten onrechte geopend is. De consument klaagt dan ook terecht over schending van zijn privacy.
De vraag is tot welke schadevergoeding het voorgaande dient te leiden. De ondernemer heeft ter zitting toegezegd € 50,– (standaard schadevergoeding bij aangetekende verzending), de portokosten (€ 10,80) en het klachtengeld te willen vergoeden. De commissie zal in dit bijzondere geval, met het oog op het hiervoor overwogene, in plaats van de aangeboden € 50,– een bedrag aan schade bepalen van € 85,–, zijnde de door de consument geleden materiële schade. De consument vermeldt nog dat hij en zijn echtgenote immateriële schade geleden hebben die mede samenhangt met andere discussies. Wat daarvan zij, de commissie stelt vast dat die schade onvoldoende is gebleken. Het enkele feit dat het poststuk ten onrechte geopend is, leidt zonder bijkomende omstandigheden (waarvan onvoldoende gebleken is) niet tot toekenning van een dergelijke schadevergoeding.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht deels gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie oordeelt de klacht van de consument voor zover hiervoor vermeld gegrond. Zij bepaalt dat de ondernemer aan de consument een bedrag van € 95,80 (€ 85,– + € 10,80) dient te betalen. Betaling dient plaats te vinden binnen één week na verzending van deze beslissing, bij gebreke waarvan wettelijke rente over dat bedrag vergoed dient te worden. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 27,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Post, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer drs. G.J.F.M. Klaas en mevrouw mr. M.T. Buiting, leden, op 28 maart 2025.