Commissie: Thuiswinkel
Categorie: Betaling / Herstel
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
822539/889000
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument kocht op 1 november 2024 een Frilec wasmachine voor €389. Na een klacht over ondeugdelijkheid werd het apparaat teruggenomen en de koopprijs vergoed. De consument eiste daarnaast schadevergoeding voor waterschade aan de zoldervloer en een houten wand. Uit deskundigenonderzoek bleek echter dat de schade voortkwam uit een onjuiste legwijze van het laminaat, niet door de lekkage. Wel achtte de Geschillencommissie Thuiswinkel het aannemelijk dat de consument kosten maakte voor vochtvreters. De commissie kende daarom een vergoeding van €200 toe, plus €26,25 klachtengeld. De klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
van de Geschillencommissie Thuiswinkel
De verdere behandeling van het geschil
Na een door deskundige [naam] verricht onderzoek, behandeling op de zitting van 19 maart 2025 en het tussenadvies van 19 maart 2025 heeft de deskundige [naam] rapport uitgebracht. Partijen zijn niet opnieuw voor een zitting opgeroepen omdat zij ermee hebben ingestemd dat nu op de stukken uitspraak zal worden gedaan.
De verdere beoordeling van het geschil
De commissie volhardt bij de in het tussenadvies gegeven beslissingen en roept, kort samengevat, in herinnering dat de ondernemer bij de op 1 november 2024 gesloten overeenkomst een Frilec wasmachine aan de consument heeft verkocht tegen een koopprijs van € 389,–. Na de klacht dat de ontvangen wasmachine niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, heeft de ondernemer deze teruggenomen onder terugbetaling van de koopsom. Deze zaak spitst zich toe op de door de consument verlangde vergoeding voor de door de ondeugdelijke wasmachine veroorzaakte schade, in het bijzonder voor de als gevolg daarvan geleden waterschade aan de zoldervloer van circa 30 m2 en aan een daarop geplaatste houten wand. Vanwege onduidelijkheid over de aard en omvang van de schade en over het causaal verband daarvan met de afgeleverde ondeugdelijke wasmachine, is bij het tussenadvies bepaald dat een (nader) deskundigenonderzoek zal worden ingesteld. De commissie overweegt nu verder als volgt.
Deskundige [naam] heeft in hoofdlijn het volgende gerapporteerd.
Vaktechnisch oordeel:
De schade aan de vloer op de zolder betreft 2 slaapkamers en de overloop, netto opp. 32,90 m². De schade betreft naden welke open staan en naden die stuiken. Dit laatste is het over de gehele lengte van de naad tegen elkaar gedrukt zijn van de panelen laminaat waardoor deze in geringe mate tegen elkaar opstaan.
Als er vocht tussen de naden tussen de panelen trekt gaat de MDF of HDF basislaag van het laminaat zwellen. Dat is altijd op plaatsen recht tegenover elkaar aan beide zijde van de naad. In de onderhavige kwestie is dit niet het geval. Hier stuiken de naden en zijn op een aantal plaatsen, met name in de slaapkamers, kopse naden 1 á 2 mm uit elkaar gedrukt, beide is het direct gevolg van het klem liggen van de vloer. De vloer dient volgens legvoorschrift langs wanden en vaste objecten 5 – 10 mm vrij te liggen, zodat deze bij wijziging van klimatologische omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve luchtvochtigheid, vrij kan uitzetten. Dit is door de deskundige gecontroleerd en vastgesteld dat voornoemde ruimte niet of niet voldoende aanwezig is. Zo is op de overloop op de kopse kanten dit geconstateerd alsmede bij de paal van het traphek. Ook in de slaapkamers is dit vastgesteld. Wat echter het meest bedenkelijke is, is dat de wanden tussen de slaapkamers onderling en de overloop zijn geplaatst nadat de laminaatvloer was gelegd. De wand op het laminaat geplaatst is door het laminaat heen in de vloer vastgeschroefd. Hiermee is de laminaatvloer volledig vastgelegd en is er geen enkele mogelijkheid van werking van de vloer met als gevolg dat het laminaat op naden is gaan stuiken en enkele kopse naden zijn open gedrukt. De oorzaak is dus leg technisch en niet toe te rekenen aan de lekkage van de wasmachine. De deskundige heeft tevens het vloervochtpercentage in de zand/cement deklaag van de vloer gemeten. Deze was 2.1% waar 2.5% is toegestaan. Dit is dus een normale waarde. Voorts heeft de deskundige ook plinten van de tussenwand verwijderd. Achter de plinten is er visueel geen enkele aanwijzing van vocht op dat moment nog in het verleden vastgesteld. Op de wand zijn normale gipsplaten aangebracht welke onder invloed van vocht direct gaan uitzetten en na droging verpulveren. Hiervan is geen sprake.
De volledige schade is de consument toerekenbaar. Niet zozeer het achterwege laten van schadebeperkende maatregelen betreffende de lekkage als wel de niet juiste legwijze van het laminaat. De omvang van de klacht(en):
Gering.
Is herstel of reparatie technisch mogelijk?
Nee. Het stuiken van de naden is onomkeerbaar bij gevolg waarvan herstel niet mogelijk is.
Uit het deskundigenrapport volgt dat de consument wel schade heeft geleden, maar ook dat de door de consument ingeroepen beschadigingen aan de zoldervloer en een daarop geplaatste houten wand uiteindelijk een legtechnische oorzaak hebben. Volgens de deskundige is de zoldervloer zodanig vastgelegd dat de gebruikelijke vrije ruimte om werking door vochtinvloed op te vangen, ontbreekt. Nu de ondernemer niet voor het leggen van de zoldervloer verantwoordelijk is, komt die legtechnische oorzaak niet voor rekening van de ondernemer en valt dat in de risicosfeer van de consument. Hierdoor is de door de consument verlangde vergoeding van schade aan de zoldervloer en een daarop geplaatste wand niet toewijsbaar.
Dat ligt mogelijk anders voor enkele andere gestelde schadeaspecten. De consument stelt als gevolg van de door de ondeugdelijke wasmachine opgetreden waterschade met het oog op de noodzakelijke ventilatie van de zolderruimtes ook kosten voor horren en vochtvreters te hebben gemaakt. Dat de volgens de consument aangeschafte drie horren in causaal (conditio sine qua non) verband staan met de bedoelde waterschade, is echter niet voldoende duidelijk geworden. Dat wordt wel voldoende aannemelijk geoordeeld voor de meeste van de ca. tien vochtvreters die volgens de consument als gevolg van de bedoelde waterschade moesten worden aangeschaft. Bij gebreke van een concrete schadeonderbouwing door de consument stelt de commissie de (te vergoeden) schade hiervoor op een bedrag van € 200,–.
De commissie zal bepalen dat de ondernemer € 200,– moet vergoeden en oordeelt dat ter beëindiging van dit geschil ook redelijk en billijk. Nu wat verder nog is aangevoerd niet anders doet beslissen, komt de commissie tot de slotsom dat de klacht van de consument slechts gedeeltelijk gegrond is en dient de ondernemer overeenkomstig het Reglement het betaalde klachtengeld gedeeltelijk – gematigd tot de helft – aan de consument te vergoeden en aan de commissie behandelingskosten te betalen. De commissie beslist nu als volgt.
Beslissing
De commissie bepaalt dat de ondernemer aan de consument € 200,– moet vergoeden, te betalen binnen een maand na de verzenddatum van dit advies. Als de ondernemer dat niet binnen die maand betaalt, dan moet de ondernemer ook de wettelijke rente daarover betalen vanaf een maand na de verzenddatum van dit bindend advies tot de dag van volledige betaling.
De commissie bepaalt dat de ondernemer aan de consument ook (€ 52,50: 2 =) € 26,25 voor betaald klachtengeld moet vergoeden.
De commissie bepaalt dat de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd is.
De commissie wijst het meer of anders door de consument verlangde af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Thuiswinkel, bestaande uit mr. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, mr. S.L.R. van Nuijs en mr. L. Schots-Smit, leden, op 26 september 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.