Commissie: Post
Categorie: Ondeugdelijke levering
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
958338/1121319
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument verzond een pakket met waardevolle elektronica naar het buitenland en betaalde garantiekosten. Het pakket werd aangehouden door de douane, die invoerrechten eiste. De consument weigerde te betalen en stelde het postbedrijf aansprakelijk. De Geschillencommissie Post oordeelde dat de douane-ingreep een bevoegd overheidsoptreden betrof en dat het postbedrijf niet verantwoordelijk is voor inbeslagname of vertraging door buitenlandse autoriteiten. Ook had de consument onvolledige aangifte gedaan. De klacht werd ongegrond verklaard en schadevergoeding afgewezen.
De volledige uitspraak
BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Post
Zaaknummer 958338/1121319
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft een vermist pakket.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Ik ben eerst en vooral een trouwe klant van [ondernemer] en onlangs, op 06/11/2024, heb ik een pakket verzonden naar [locatie] met [ondernemer]. Ik heb ook de garantiekosten betaald, in totaal € 48,50. In dit pakket zitten een iPhone15 pro, een Samsung S9, een Apple-oortelefoon, een schermbeschermer, een telefoonhoesje, een Apple-oplader en een Nokia 106. Nadat het pakket door [ondernemer] was verzonden, was de aankomst- en ontvangstdatum in [locatie] overschreden. De verwachte datum door [ondernemer] is 3 weken en ik heb ze gebeld om het nieuws over het pakket te horen. Ik maak me daar erg zorgen over. Na een paar weken was mijn vrouw naar het kantoor gegaan en ze vertelden haar dat ze de opnamekosten moest betalen waar ze misbruik van hadden gemaakt. Ze weigerde en ze onderhandelden daar. Vervolgens hebben ze het pakket niet in geopende staat teruggezet en zeiden ze dat ze het hadden ontvangen. Toen ze me daar op kantoor belde, was ik erg boos en weigerden ze om met me te praten aan de telefoon. Daarna heb ik contact opgenomen met [ondernemer] en met hen gesproken. Ze zeiden dat ze het zouden onderzoeken en contact met me zouden opnemen, wat ze nooit hebben gedaan. Toen ik ze belde, zeiden ze dat ze contact met mij zullen opnemen en nog steeds niet en daarna heb ik erop aangedrongen en stuurden ze me een e-mail om me te vertellen dat ik ze de facturen en mijn IBAN moest sturen. Ik deed dat een paar dagen later schreven ze me dat ze me niets in rekening zouden brengen of de verzendkosten omdat ze niet verantwoordelijk zijn voor alles na verzending, wat een gebrek aan respect voor mij is en onacceptabel hun manier van reageren is te vulgair en arrogant voor woorden.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Wanneer de inhoud van een verzekerd pakket tijdens het postvervoer beschadigd of vermist raakt, is [ondernemer] daarvoor in principe aansprakelijk en heeft de consument aanspraak op een schadevergoeding. Die aanspraak vervalt als de schade aan of de vermissing van de inhoud wel tijdens het postvervoer is ontstaan, maar deze bijvoorbeeld het gevolg is van aanhouding of beslag op last van daartoe bevoegd gezag (artikel 9.7 lid 1 AVP, zesde punt). Uit de verklaring van de consument blijkt dat de douane een betaling van 9.000 kwacha (circa € 292,–) verlangde alvorens het pakket zou worden vrijgegeven. Dit duidt onmiskenbaar op een ingreep door een bevoegde autoriteit op grond van lokale weten regelgeving. Dergelijke handelingen van overheidsinstanties vallen uitdrukkelijk buiten de risicosfeer van [ondernemer]. Dat smartphones en andere elektronische apparaten bij invoer in [locatie] onderworpen zijn aan douanerechten, blijkt uit algemeen toegankelijke informatie die men online kan vinden. De consument had zich hiervan vooraf op de hoogte moeten stellen. Bovendien blijkt uit zijn eigen correspondentie met de klantenservice dat hij bij het invullen van het CN23- formulier bewust minder goederen heeft opgegeven dan hij daadwerkelijk verzond. Hiermee heeft hij het risico aanvaard dat de zending zou worden aangehouden, beboet of in beslag genomen wegens onjuiste aangifte. Ook om die reden rust de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie volledig bij de consument. Bij inbeslagname door ambtenaren van een bevoegde overheidsinstelling heeft de afzender van die goederen geen recht op schadevergoeding van de vervoerder. De consument die zendingen naar het buitenland verzendt, wordt verwacht zichzelf op de hoogte te stellen van wat onderhevig is aan invoerrechten in het land van bestemming. [Ondernemer] gaat verder niet in op individuele verzoeken waarom poststukken aangehouden worden door de douane. Postbedrijven hebben geen zeggenschap over douaneautoriteiten. Bij inbeslagname door ambtenaren van een daartoe bevoegde overheidsinstelling heeft de consument dan ook geen aanspraak op schadevergoeding van de vervoerder.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting onderschrijft de commissie in grote lijnen het standpunt van [ondernemer]. Kennelijk heeft de douane in [locatie] het pakket geopend en op basis daarvan geconcludeerd dat voor afgifte invoerrechten moesten worden betaald. Dat dit niet is gebeurd kan de consument niet met succes aan [ondernemer] tegenwerpen. [Ondernemer] is niet gehouden aan de consument schadevergoeding uit te keren. De klacht treft geen doel.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Post, bestaande uit de heer mr. D.J. Buijs, voorzitter, de heer A. Verkaik, de heer H.W. Zuur, leden, op 22 juli 2025.
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.