Commissie: Recreatie
Categorie: Overig
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
861345/1085416
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument wilde het bedrag van € 313,50 niet betalen dat de ondernemer in 2023 rekende voor ‘12 maanden gebruik’ van een jaarplaats op het park. Hij stelt dat hij in dat jaar een woning had in [plaatsnaam] en dus niet permanent op het park woonde. De commissie oordeelt dat de consument deze kosten in eerdere jaren wel betaalde en pas laat bezwaar maakte. Ook is niet duidelijk wanneer hij zijn woning in [plaatsnaam] heeft verlaten. Daarom is de klacht ongegrond en krijgt de ondernemer het bedrag van € 313,50.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft het bedrag van € 313,50 dat de ondernemer over 2023 in rekening heeft gebracht bij de consument inzake ’12 maanden gebruik’.
De consument heeft een bedrag van € 313,50 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
We hebben een bedrag van € 313,50 openstaan, omdat we op het park zouden wonen, terwijl we een woning in [plaatsnaam] hadden en het hele jaar mogen recreëren. We hebben bezwaar gemaakt, maar de ondernemer wil dit bedrag toch ontvangen.
Aanvullend heeft de consument nog het volgende naar voren gebracht.
‘Het geschil met onze parkeigenaar bestaat uit een bedrag van 313,50 euro dat al een aantal jaren werd geheven door de parkeigenaar. Dit bedrag was eerst 250 euro en werd bij het ingaan van een nieuw jaar zonder aankondiging vooraf en zonder uitleg op nieuwe rekening gezet onder de kop ‘gebruik [park] 12 maanden.’
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument en zijn echtgenote wonen hier jaren op ons [park]. Ze hebben destijds een nieuw [park] laten plaatsen op ons [park] en zijn daar permanent gaan wonen. Je mag je hier niet inschrijven want officieel mag je niet permanent wonen op een vakantiepark, dus de kopie van het bevolkingsregister is dan ook geen bewijs. Ze hebben vorig jaar een woning toegewezen gekregen in [plaats] en toen heb ik de extra kosten ook niet meer in rekening gebracht. Er is wel degelijk gecommuniceerd dat er kosten voor ‘twaalf maanden gebruik’ in rekening worden gebracht. Dit bedrag betalen de mensen namelijk als ze hier permanent wonen, dus ook de consument. Dit is dan ook al die jaren door hem betaald. Dan ga je niet pas in 2025 iets aanvechten wat ruim vijf jaar lang betaald is.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Uit de jaarplaatsbevestigingen die de ondernemer heeft overgelegd, blijkt dat de consument de kosten voor ’12 maanden gebruik’ heeft betaald over de jaren 2020 t/m 2022. Die kosten heeft de ondernemer ook opgenomen op de jaarplaatsbevestiging voor 2023 met als reserveringsdatum 1 januari 2023. Die kosten wil de consument echter niet betalen. Dit omdat hij in 2023 naar zijn zeggen een woning had in [plaatsnaam] en derhalve in dat jaar niet permanent in het [park] heeft gewoond.
Uit hetgeen de consument aanvullend naar voren heeft gebracht (zie ‘standpunt consument’) maakt de commissie op dat de consument het er niet mee is dat de ondernemer over de jaren 2020 t/m 2023 kosten in rekening heeft gebracht onder de post ’12 maanden gebruik’. Om hem moverende redenen heeft de consument bij de ondernemer geen bezwaar gemaakt tegen die kosten over de jaren 2020 t/m 2022, maar wel tegen die van 2023. Niet duidelijk is overigens wanneer de consument dat heeft gedaan. Verder is van belang dat de consument zijn klacht over het door hem te betalen bedrag van € 313,50, opgenomen op de jaarplaatsbevestiging voor 2023, pas op 6 januari 2025 bij de commissie aanhangig heeft gemaakt, terwijl hem begin 2023 al bekend was dat de ondernemer dit bedrag bij hem in rekening had gebracht. Ten slotte merkt de commissie op dat de consument een uittreksel uit het bevolkingsregister heeft ingebracht, waaruit zou moeten blijken dat hij en zijn echtgenote gedurende het jaar 2023 een woning hadden in [plaatsnaam]. Daaruit blijkt wel dat de adreshouding van de woning in [plaatsnaam] op 8 oktober 2022 is aangevangen, maar niet is komen vast te staan op welke datum de adreshouding van die woning is beëindigd.
Op grond van al het voorgaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Het depotbedrag van € 313,50 komt aan de ondernemer toe.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. M. de Rooij – Slager, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 5 juni 2025.