Depotstorting verplicht voor verdere behandeling klacht van consument

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Betaling    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: depotbeslissing   Uitkomst: aanhouding beslissing   Referentiecode: 722184/906755

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde bij de Geschillencommissie Energie over een volgens haar onrealistisch hoge jaarafrekening en vermoedde een administratieve fout of defecte meter. De ondernemer voerde aan dat de klacht niet ontvankelijk was, onder meer omdat geen depot was gestort. De commissie oordeelde dat de consument haar klacht wel correct bij de ondernemer had ingediend, maar dat zij verplicht is het openstaande bedrag van €3.628,21 in depot te storten. Dit depot dient als zekerheid voor de ondernemer en wordt terugbetaald indien de vordering wordt afgewezen. Pas na ontvangst van het depotbedrag zal de commissie de klacht inhoudelijk behandelen; bij uitblijven van betaling wordt het dossier gesloten.

De volledige uitspraak

DEPOTBESLISSING
Geschillencommissie Energie
Zaaknummer 722184/906755

Samenvatting
Depotbeslissing. De commissie bepaalt dat de consument gehouden is een bedrag van € 3.628,21 in depot te storten en wel binnen een maand na verzending van deze uitspraak.

Beoordeling
De consument beklaagt zich over een in haar ogen onrealistisch hoge jaarafrekening, die zij van de ondernemer heeft ontvangen. Zij vermoedt een administratieve fout of defecte meter en vraagt aan de ondernemer om correctie.

De ondernemer verzoekt om een oordeel van uw commissie over ontvankelijkheid om de volgende door haar aangevoerde redenen:
1. de consument heeft op 29 oktober 2024 een klacht tegen de ondernemer aan de commissie voorgelegd over het functioneren van de meter, reeds voordat deze schriftelijk aan de ondernemer bekend is gemaakt en haar daarmee de gelegenheid heeft gegeven om de zaak op te lossen, conform artikel 18 van de op de overeenkomst met de consument toepasselijke Algemene Voorwaarden. Deze handelswijze is in strijd met artikel 6 van het reglement van de commissie;
2. De commissie heeft reeds bij herhaling geoordeeld dat niet de energieleverancier, maar de regionale netbeheerder verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het correct functioneren van de energiemeters. De consument heeft daarmee het geschil tegen de verkeerde partij aanhangig gemaakt;
3. Vanaf aanvang heeft de ondernemer (vanzelfsprekend) gesteld zich te conformeren aan het resultaat van de meterijking en de (eventueel) door de regionale netbeheerder uit te voeren verbruikscorrectie. Partijen zijn het hier over eens. Desondanks zet de klant de zaak tegen de ondernemer voort;
4. de consument heeft geen depot gestort.

Gelet op het voorgaande ligt thans de vraag aan de commissie voor of de consument ontvankelijk is in zijn klacht jegens de ondernemer. Daarover merkt de commissie het volgende op.

Artikel 5 lid 1 van het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie de consument in zijn klacht ambtshalve niet ontvankelijk verklaart:
a. indien en voor zover het geschil betrekking heeft op dood, lichamelijk letsel of
ziekte;
b. indien het een geschil betreft over de niet-betaling van een factuur en daaraan
geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt;
c. indien het een geschil betreft waarover de consument of met inachtneming van
artikel 6 lid 1 onder c de ondernemer reeds bij de rechter een procedure
aanhangig heeft gemaakt of waarin de rechter reeds een uitspraak over de
inhoud heeft gedaan.
d. indien het financiële belang van het geschil het bedrag van € 5.000,– te boven
gaat, tenzij partijen anderszins overeenkomen.

En artikel 6 lid 1 luidt dat de commissie op verzoek van de ondernemer – gedaan bij eerste gelegenheid – de consument in zijn klacht niet ontvankelijk ik verklaart:
a. indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de op de overeenkomst van
toepassing zijnde voorwaarden bij de ondernemer heeft ingediend;
b. indien hij zijn klacht niet binnen 12 maanden, na de datum waarop hij de klacht
bij de ondernemer indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt;
c. indien de ondernemer aan de consument een termijn van vijf weken heeft
gegeven om het geschil bij de commissie aanhangig te maken en de consument
van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De ondernemer dient daarbij
aan te kondigen dat hij na het verstrijken van voornoemde termijn zich vrij zal
achten het geschil aan de gewone rechter voor te leggen.
Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel 6 kan de commissie in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a en b, besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de consument op ter zake van de niet naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft.

Naar het oordeel van de commissie is niet gebleken dat een situatie zich voordoet als bedoeld in voornoemd artikel 5.

De ondernemer stelt dat de consument haar klacht niet eerst overeenkomstig de op de overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden bij de ondernemer heeft ingediend en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 6 lid 1 onder a van het reglement van de commissie. De commissie deelt dit standpunt niet. Uit het dossier blijkt dat de consument zich op 28 oktober 2024 schriftelijk bij de ondernemer heeft beklaagd over de hoogte van de factuur. Daarmee heeft de consument voldaan aan artikel 18.1 van de algemene voorwaarden van de ondernemer. Gelet op de inhoud van het dossier hebben partijen elkaar kennelijk de volgende dag telefonisch gesproken en is de consument het niet eens geweest met hoe haar klacht is of zou worden opgelost, waarna zij haar klacht bij de commissie heeft ingediend. Gelet op deze gang van zaken kan niet zonder meer komen vast te staan dat de consument gezegd dat de heeft gehandeld in strijd met artikel 6 lid 1 onder a van het reglement van de commissie.

De ondernemer verlangt echter ook dat de consument niet ontvankelijk wordt verklaard omdat de zij geen depot wenst te storten. Dit terwijl er sprake is van een thans openstaand bedrag van € 3.628,21. Hierover merkt de commissie het volgende op. Het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie, voor zover de consument de betaling van een goed of dienst waarover het geschil gaat, achterwege heeft gelaten, in de regel zal verlangen dat de consument een bedrag ten hoogste gelijk aan het nog openstaande bedrag bij haar deponeert.

Kern van de geschillenregeling is dat de ondernemer moet gedogen dat een geschil door de commissie wordt behandeld, als de consument dit wenst. Hiertegenover staat dat de ondernemer verzekerd moet zijn van de betaling van datgene dat volgens de commissie verschuldigd is. Die zekerheid wordt verkregen door de in het reglement van de commissie voorgeschreven depotstorting. De consument lijdt hierdoor geen nadeel, omdat zij het depotbedrag terugkrijgt indien en voor zover de vordering van de ondernemer wordt afgewezen. Op die gronden is de consument in beginsel verplicht tot depotstorting. Van die verplichting kan geen ontheffing worden verleend enkel op de grond dat de depotstorting de consument slecht uitkomt of op grond van een inhoudelijke beoordeling van de vordering van de ondernemer door de commissie. Het past de commissie niet zich al een oordeel te vormen over het geschil voordat partijen hun standpunt hebben kunnen toelichten. De depotstorting staat naar zijn aard in beginsel los van een inhoudelijk oordeel over de vordering van de commissie en dient uitsluitend als zekerheid voor de betaling van de vordering van de ondernemer.

Slechts in het geval door de consument voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij niet over de financiële middelen beschikt om de verlangde depotstorting te doen, kan er naar redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaan gehele of gedeeltelijke ontheffing te verlenen. Aangezien niet gebleken is dat de consument niet over de financiële middelen beschikt om de verlangde depotstorting te doen, wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie bepaalt dat de consument gehouden is een bedrag van € 3.628,21 in depot te storten en wel binnen een maand na verzending van deze uitspraak.

De commissie bepaalt dat na ontvangst van volledige betaling van dit bedrag de klacht verder in behandeling zal worden genomen en dat bij gebreke daarvan het dossier zal worden gesloten zonder verdere behandeling.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. D.P.C.M. Hellegers, voorzitter, de heer ing. C. Verloop, mevrouw mr. J.M. Hoekstra, leden, op 13 maart 2025.

De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.

 

Opslaan als PDF