Commissie: Energie
Categorie: Overig
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
547981/721129
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De commissie onderzoekt of het bedrijf de leveringsovereenkomst met de verbruiker terecht heeft beëindigd. Het bedrijf zegt dat de verbruiker betalingen heeft teruggeboekt en daarom is afgesloten. De commissie vindt het onduidelijk wat het bedrijf bedoelt met “afgesloten” en of de wettelijke regels voor beëindiging van een overeenkomst (artikelen 6:265 en 6:267 BW) zijn gevolgd. Daarom is ook niet duidelijk of de verbruiker recht heeft op compensatie. Het bedrijf moet eerst uitleg geven over de juridische grondslag van de beëindiging. Daarna mag de verbruiker reageren en aangeven welke compensatie hij verlangt. Pas daarna neemt de commissie een definitieve beslissing.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Tussenadvies. De commissie stelt het bedrijf in de gelegenheid zich uit te laten over de wijze waarop de overeenkomst tussen partijen al dan niet tot een einde zou zijn gekomen en de (feitelijke en juridische) grondslag daarvoor op, dit mede gelet op de artt. 6:265 en 6:267 BW en de stelling van de verbruiker dat hij de 2 maandbedragen weer betaald zou hebben, maar die weer door het bedrijf aan de verbruiker zouden zijn teruggestort.
Beoordeling
Kern van het geschil tussen partijen draait om de vraag of het bedrijf de overeenkomst met de verbruiker tot een einde is gekomen en zo ja, of dat bedrijf daartoe gerechtigd was.
Bij verweer stelt het bedrijf dat de verbruiker terecht is afgesloten, omdat er door de verbruiker betalingen zijn teruggeboekt. Het is de commissie echter niet duidelijk wat het bedrijf bedoelt met “afgesloten”, omdat het door de netbeheerder afsluiten van een aansluiting iets anders is dan het door de leverancier beëindigen van een leveringscontract. Daar komt bij dat bij ontbinding van een overeenkomst in beginsel eisen in acht dienen te worden genomen, zoals bijvoorbeeld opgenomen in de artikelen 6:265 en 6:267 BW. Het is de commissie niet duidelijk of, en zo ja wanneer deze eisen door het bedrijf in acht zijn genomen. Derhalve is ook niet duidelijk of de overeenkomst al dan niet (rechtsgeldig) tot een einde is gekomen.
De verbruiker stelt compensatie van het bedrijf te willen ontvangen voor de vermeende beëindiging. Gelet op het feit dat het voor de commissie niet duidelijk is of, en zo ja wanneer de leveringsovereenkomst tussen partijen al dan niet tot een einde is gekomen, is het ook niet duidelijk of de verbruiker recht heeft op enige compensatie. Laat staan wat de omvang van die compensatie zou moeten zijn.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie stelt het bedrijf in de gelegenheid zich uit te laten over de wijze waarop de overeenkomst tussen partijen al dan niet tot een einde zou zijn gekomen en de (feitelijke en juridische) grondslag daarvoor op, dit mede gelet op de artt. 6:265 en 6:267 BW en de stelling van de verbruiker dat hij de 2 maandbedragen weer betaald zou hebben, maar die weer door het bedrijf aan de verbruiker zouden zijn teruggestort.
De hiervoor verlangde aanvullende informatie wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de verbruiker gezonden. Deze wordt in de gelegenheid gesteld daarop binnen twee weken een schriftelijke reactie aan de commissie kenbaar te maken. De verbruiker wordt daarbij tevens in de gelegenheid gesteld te onderbouwen welke compensatie hij van het bedrijf verlangt in het licht van de door het bedrijf bij de commissie aanvullend aangeleverde informatie.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie zakelijk, bestaande uit de heer mr. D.P.C.M. Hellegers, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip , de heer J.H.L. den Otter , leden, op 20 december 2024.