Opzegvergoeding energie verlaagd: consument krijgt gelijk

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Opzegvergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 584013/697005

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde over een hoge opzegvergoeding van € 743,39 op haar eindnota, terwijl de ondernemer haar eerder telefonisch en schriftelijk had meegedeeld dat de vergoeding slechts € 191,45 zou bedragen. De commissie oordeelde dat de ondernemer gebonden is aan die indicatieve opgave, omdat volgens de Beleidsregel Redelijke Opzegvergoedingen de actuele prijs op het moment van de opvraag bepalend is. De eindnota wordt daarom verlaagd met € 551,94. Uiteindelijk betaalt de consument via verrekening € 643,83, terwijl de ondernemer het klachtengeld van € 52,50 moet vergoeden. Het depotbedrag van € 1.195,77 wordt verdeeld: € 591,33 naar de ondernemer en € 604,44 naar de consument. De klacht is gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de hoogte van de op de eindnota van 4 juni 2024 in rekening gebrachte opzegvergoeding.

De consument heeft op 20 juni 2024 de klacht bij de ondernemer ingediend.

Ingevolge de depotbeslissing van de commissie heeft de consument een bedrag van € 1.195,77 in depot gestort.

Beoordeling

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In verband met haar voorgenomen voortijdige opzegging van de overeenkomst met de ondernemer nam de consument op 15 april 2024 telefonisch contact op met de ondernemer. Tijdens dat telefoongesprek, dat nadien schriftelijk is bevestigd door de ondernemer, werd haar meegedeeld dat de opzegvergoeding voor gas € 191,45 zou bedragen en voor elektriciteit € 0,–. Tevens werd haar meegedeeld dat de opzegvergoeding alleen maar lager zou worden als zij later zou opzeggen.

Na de ontvangst van de bevestigingsmail heeft de consument op 15 april 2025 de overeenkomst opgezegd. Deze opzegging is door de ondernemer op 17 april 2024 schriftelijk aan de consument bevestigd.

Na de ontvangst van de eindnota bleek dat de ondernemer geen opzegvergoeding van in totaal € 191,45 in rekening bracht, maar een bedrag van € 743,39.

Daarmee gaat de consument niet akkoord gelet op de inhoud van het telefoongesprek van 15 april 2024 en de schriftelijke bevestiging daarvan.

Ter zitting heeft de consument verder in hoofdzaak nog het volgende aangevoerd.

De consument blijft bij haar standpunt. Zij heeft direct na het telefoongesprek en de bevestiging daarvan opgezegd. Er was nog geen definitieve einddatum tijdens dat gesprek. Wel werd er gezegd dat het te betalen bedrag nooit hoger zou worden.

Er is op 15 april 2025 opgezegd met als verwachte ingangsdatum 31 mei 2024.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 21 augustus 2023 ontving de consument de vierde verlenging van leveringsovereenkomst voor de duur van drie jaar vanaf 10 september 2023 tot 10 september 2026 met de daarbij behorende algemene voorwaarden, de contractvoorwaarden, de Kwaliteitscriteria en de aansluit- en transportovereenkomst.

Op 12 april 2024 gaf de consument per e-mail aan dat zij als gevolg van een verhuizing de leveringsovereenkomst per 31 mei 2024 wilde opzeggen.

Op 15 april 2024 informeerde de ondernemer de consument over de indicatieve opzegvergoeding, die op dat moment € 191,45 voor gas bedroeg en nihil was voor elektriciteit. Daarbij werd ook medegedeeld dat het exacte bedrag van de opzegvergoeding kan variëren, afhankelijk van de datum waarop wordt besloten de overeenkomst op te zeggen.

Op 15 april 2024 gaf de consument haar akkoord voor de opzegging; de ondernemer heeft de opzegging op 17 april 2024 bevestigd.

Op de eindnota is in totaal een bedrag van € 743,99 als opzegvergoeding rekening gebracht.

Na de klacht van de consument gaf de ondernemer bij herhaling aan dat dit bedrag niet werd gewijzigd. Op 25 juli 2024 gaf de ondernemer uitleg aan de consument over de regeling betreffende de hoogte van de opzegvergoeding. Er was eerder slechts sprake van een indicatieve opzegvergoeding en op de eindafrekening was pas sprake van een definitieve vergoeding. De ondernemer heeft nooit gezegd dat de opzegvergoeding lager zal zijn als later wordt opgezegd.

De opzegvergoeding is bepaald aan de hand van de Beleidsregel Redelijke Opzegvergoedingen vergunninghouders van 2023. De hoogte is bepaald overeenkomstig artikel 4 van de Beleidsregel.

De opzegvergoeding is terecht en op juiste wijze in rekening gebracht.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

Het hogere bedrag is een gevolg van het feit dat het referentieproduct een lager tarief had dan het overeengekomen tarief voor de betreffende periode. Het gaat om het referentieproduct in de maand mei 2024. Het is juist dat er in het verweerschrift geen berekening van de opzegvergoeding is opgenomen. De ondernemer kan dat alsnog doen. Er is per 31 mei 2024 opgezegd. Het referentieproductaanbod is zichtbaar in het portaal van de ondernemer.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In het onderhavige geschil klaagt de consument over de omstandigheid dat de door haar gevraagde indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding aanzienlijk afwijkt van de hoogte van de op de eindnota in rekening gebrachte opzegvergoeding van in totaal € 743,39.

De consument stelt dat zij op 15 april 2024 de gevraagde opgave van de opzegvergoeding heeft gevraagd en gekregen en dat deze haar schriftelijk is bevestigd, waarna zij op dezelfde dag heeft opgezegd.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

De commissie volgt het standpunt van de consument.

De commissie stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat op de berekening van de hoogte van de opzegvergoeding de Beleidsregel van toepassing is.

Die regeling geeft in artikel 4 de wijze waarop de hoogte van de opzegvergoeding kan worden bepaald. Het uitgangspunt daarbij is dat een opzegvergoeding niet redelijk wordt beoordeeld indien de opzegvergoeding per product hoger is dan de rekenkundige uitkomst van de formule:

“opzegvergoeding = (de overeengekomen prijs – de prijs van het referentieproductaanbod) x de resterende hoeveelheid.”

Daarbij bepaalt artikel 6, dat ziet op de actuele prijs van het productieaanbod, dat bij de toepassing van artikel 4 van de Beleidsregel, de prijs van het referentieproduct actueel is dat geldt op de dag dat de consument een indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding opvraagt.

De handelwijze van de ondernemer is daarmee niet in overeenstemming nu de ondernemer niet de juiste actuele prijs hanteert, maar een prijs die geldt op het moment dat de levering stopt.

De ondernemer is dan ook gehouden aan de opgave van de indicatieve opzegvergoeding zoals door hem op 15 april 2024 is bevestigd en de consument mag de ondernemer daaraan houden.

Daarbij overweegt de commissie dat zij in deze zaak eraan voorbij gaat dat de indicatieve opgave niet is vergezeld van een gespecificeerde berekening, die in overeenstemming is met de eisen die de Beleidsregel stelt, zoals artikel 5 dat bepalingen over de kenbaarheid van het referentie productieaanbod en de mogelijkheid van een alternatief referentieaanbod als de ondernemer geen vergelijkbaar productreferentie aanbod meer heeft.

De slotsom is dat de hoogte van de in rekening te brengen opzegvergoeding in totaal een bedrag van
€ 191,95 bedraagt, zodat de eindnota verlaagd wordt met het verschil tussen het in rekening gebrachte bedrag van € 743,39 minus € 191,45 = € 551,94. Voor het overige blijft de eindnota in stand nu de consument daartegen geen verdere bezwaren naar voren heeft gebracht.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gegrond.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De consument betaalt, (via verrekening met het depotbedrag), uit hoofde van de eindnota van 4 juni 2024 een bedrag van € 643,83 (1.195,77 – 551,94) aan de consument.

Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan haar te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer in overeenstemming met het Reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten.

Het depotbedrag van € 1.195,77 wordt verdeeld als volgt:

De ondernemer ontvangt een bedrag van € 591,33 ( 643,83 – 52,50).

De consument ontvangt een bedrag van € 604,44 ( 1195,77 – 591,33).

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.H. van Oorspronk, mevrouw mr. A. Zwart-Hink, leden, op 27 maart 2025.

Opslaan als PDF