Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
883754/1003080
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt klaagde dat zijn advocaat nalatig was bij de afwikkeling van de erfenis van zijn vader, waardoor de stiefmoeder vrij kon beschikken over vermogen en een woning. De commissie stelde vast dat de advocaat nooit de beschikking had over de Europese Verklaring van Erfrecht en dat de woning al vóór de opdracht was verkocht. Omdat sprake is van een inspanningsverbintenis en de advocaat zich voldoende heeft ingespannen, is de klacht ongegrond. De cliënt moet de openstaande factuur van € 1.357,62 betalen; zijn verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat en de schade die de cliënt stelt te hebben geleden door toedoen van de advocaat.
De cliënt heeft een bedrag van € 1.357,62 niet aan de advocaat betaald en bij de commissie in depot gestort.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt de klacht van de cliënt – zoals verwoord in het vragenformulier en toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De cliënt heeft zich tot de betreffende advocaat gewend teneinde de nalatenschap van zijn vader, wijlen de heer [naam], voor zichzelf en zijn zus veilig te stellen. De cliënt is van mening dat als gevolg van nalatigheid van de advocaat, de echtgenote waarmee de heer [naam] gehuwd was (hierna: de stiefmoeder) op het moment van zijn overlijden tevens zijn erfgename, onbeperkt heeft kunnen handelen in de erfenis. Dit heeft geleid tot het leegmaken van een rekening met een saldo van € 175.000,– en de verkoop van een woning met een geschatte waarde van bijna € 300.000,–. Dit had voorkomen kunnen worden als de advocaat haar werkzaamheden correct en tijdig had uitgevoerd. Door haar nalatigheid is een
Europese Verklaring van Erfrecht (verder te noemen: EVvE) verstrekt die de rechten van de cliënt en zijn zus niet waarborgt.
De cliënt en zijn zus hebben op 12 april 2024 persoonlijk hun verzoek om rechtsbijstand op het kantoor van de advocaat toegelicht. Het heeft echter tot 20 juni 2024 geduurd voordat zij een eerste inhoudelijke stap heeft gezet, met als resultaat de voormelde schade. Vervolgens bleef het wederom lang stil en heeft de cliënt op 19 augustus 2024 besloten de opdracht in te trekken. De cliënt heeft inmiddels een andere advocaat die zijn belangen behartigt. Deze advocaat heeft aanzienlijke inspanningen moeten verrichten om de schade, veroorzaakt door de advocaat, te beperken.
Ondanks de ondermaatse prestatie van de eerste advocaat, heeft zij twee facturen in rekening gebracht: factuur 107790 ad € 678,81 en factuur 107954 van 2 juli 2024 ad € 1.357,62. De cliënt maakt bezwaar tegen de factuur van € 1.357,62 en verzoekt om creditering. Ondanks dat de eerdere factuur van € 678,81 is betaald, heeft het gebrek aan communicatie en het uitblijven van tijdige reacties van de advocaat de zaak ernstig vertraagd en benadeeld. De cliënt verzoekt dan ook om terugbetaling van het bedrag van de eerste factuur en een passende afhandeling van deze kwestie, in de vorm van een redelijke en billijke door de commissie vast te stellen vergoeding van maximaal € 25.000,–, ter compensatie van het verlies van erfrechtelijke aanspraken en de gemaakte kosten voor rechtsbijstand van de huidige advocaat teneinde de schade voor de cliënt te beperken.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.
De advocaat betwist de klachten dat een gebrek aan communicatie en tijdige reacties van haar zijde de erfrechtkwestie van de cliënt ernstig zouden hebben benadeeld.
Op 12 april 2024 heeft een eerste gesprek met de cliënt en zijn zus plaatsgevonden, waarin is besproken dat van belang is eerst uit te zoeken of de rechtsbijstandverzekering de kosten van een advocaat voor de cliënt vergoedt. Ook diende in het kader van de hulpvraag vastgesteld te worden of er aanknopingspunten met het Nederlandse recht aanwezig waren. De kosten voor rechtsbijstand bleken niet vergoed te worden en aanknopingspunten met het Nederlandse recht waren er niet. De cliënt heeft vervolgens op 13 mei 2024 de advocaat verzocht een kostenraming te geven (factuur 1), voordat zij met werkzaamheden voor deze zaak zou aanvangen. De advocaat mocht derhalve nog geen werkzaamheden verrichten, maar kreeg later op 13 juni 2024 alsnog het verzoek daartoe.
De cliënt heeft in een e-mail-bericht van 13 juni 2024 de advocaat verzocht om hem en zijn zus bijstand te verlenen, dit naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen na het gesprek van 12 april 2024. Aanleiding was het huis in [land] van de vader van de cliënt dat ineens verkocht bleek te zijn. De cliënt wilde van de advocaat weten welke rechten hij in deze situatie kon laten gelden, maar ook verlangde hij een correcte opmaak van de notariële akte met fideï-commis. Een dergelijke akte wordt door de notaris opgesteld en die zorgt ervoor dat deze voldoet aan alle wettelijke eisen.
Op grond van dit verzoek van de cliënt heeft de advocaat op 18 juni 2024 de opdrachtbevestiging aan de cliënt toegestuurd voorzien van een Plan van Aanpak, welke zij op 19 juni 2024 van cliënt ondertekend retour heeft ontvangen.
De advocaat is daarop direct aan de slag gegaan met bestudering van de stukken en het aanschrijven van de (kanditaat-)notaris op 20 juni 2024, die reeds op 22 mei 2024 de cliënt heeft bericht bezig te zijn een EVvE op te stellen. De advocaat heeft de notaris gevraagd de betreffende verklaring aan haar door te sturen. Op 2 juli 2024 heeft de advocaat de notaris een rappelbericht gestuurd en voorts in het kader van de verrichte werkzaamheden een factuur ten bedrage van € 1.357,62 aan de cliënt gezonden, die qua hoogte binnen de kostenraming bleef zoals vermeld in de opdrachtbevestiging van 5 tot 10 uur, namelijk 4,4 uur.
Op grond van het voorgaande betwist de advocaat de door de cliënt geuite klachten, immers zij zelf stelt geen EVvE op, dat doet de notaris. De advocaat heeft nimmer deze verklaring ontvangen, noch van de (kandidaat) notaris noch van de cliënt zelf, zodat zij deze ook niet heeft kunnen verifiëren.
Daarnaast betreft de klacht nalatig handelen van de advocaat waardoor het huis in [land] is verkocht ten gevolge waarvan de cliënt schade heeft geleden. Dit is niet juist, immers het huis was reeds verkocht, voordat er een overeenkomst tot opdracht tussen partijen op 19 juni 2024 tot stand is gekomen. Op 22 mei 2024 is de cliënt reeds door de (kandidaat) notaris bericht dat de overdracht van het huis op handen was en dat zij doende was een EVvE op te stellen.
De advocaat stelt dat zij heeft uitgevoerd wat zij met de cliënt heeft afgesproken en verzoekt de commissie om de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren. Zij doet voorts een depotverzoek in verband met de onbetaald gelaten declaratie van € 1.357,62.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Een advocaat heeft een inspanningsverplichting, wat betekent dat hij/zij de plicht heeft zijn/haar best te doen, de cliënt goed te informeren en de belangen van de cliënt te behartigen. De advocaat heeft geen resultaatsverplichting, tenzij dat contractueel is overeengekomen. Het kan immers van vele factoren afhangen of een zaak tot een goed einde kan worden gebracht.
De commissie constateert dat de kern van de klacht van de cliënt is dat de advocaat vanwege het niet correct en tijdig uitvoeren van haar werkzaamheden, zij niet tijdig de EVvE heeft gecontroleerd en niet bij de notaris heeft aangegeven dat deze verklaring niet deugt, waardoor een EVvE is verstrekt die de rechten van de cliënt (en zijn zus) als kind(eren) niet waarborgt en de stiefmoeder onbeperkt heeft kunnen handelen in de erfenis. Dit heeft geleid tot het leegmaken van de rekening en de verkoop van de woning in [land].
De commissie constateert dat de cliënt niet betwist dat de uren die de advocaat heeft gedeclareerd, daadwerkelijk zijn besteed. Weliswaar is de cliënt van mening dat door de advocaat dubbel werk is verricht, nu ook reeds door zijn rechtsbijstandsverzekeraar onderzoek in de kwestie is verricht, echter daarmee betwist hij de gedeclareerde uren niet. De stelling dat tussen partijen is overeengekomen dat de eerste factuur € 195,– zou bedragen, wordt door de advocaat weersproken en de commissie vindt voor die stelling geen steun in de stukken.
De cliënt stelt de facturen niet te hoeven voldoen, nu de advocaat niet heeft bewerkstelligd dat er een correcte EVvE is verstrekt, waardoor de stiefmoeder onbeperkt heeft kunnen handelen in de erfenis. De factuur staat om die reden niet in verhouding tot de geleverde prestatie. De commissie onderschrijft deze mening niet, nu sprake is van een inspanningsverbintenis en uitgangspunt dient te zijn of de advocaat zich voldoende heeft ingespannen.
Het is met name dit punt dat in dispuut is tussen partijen. Zo stelt de cliënt dat de advocaat heeft nagelaten fouten in de verstrekte EVvE te signaleren en deze niet door de notaris heeft laten corrigeren, zodat de cliënt en zijn zus geen kindsdeel van de opbrengst van de woning is toegekomen en de rekening ongestraft is leeggehaald. De cliënt stelt dat de advocaat de betreffende verklaring van de cliënt of van de (kandidaat-)notaris heeft ontvangen. De advocaat betwist dit; zij geeft aan nooit de beschikking te hebben gekregen over dit document, ondanks dat zij hierom meermaals schriftelijk, zowel op 20 juni en 2 juli 2024, bij de (kandidaat-)notaris heeft verzocht. De advocaat stelt de betreffende verklaring nimmer ontvangen te hebben, terwijl de cliënt stelt zeker te weten deze wel aan haar te hebben toegezonden. Desgevraagd heeft de cliënt daarvan ter zitting geen bewijs kunnen overleggen. Wat hier ook van zij, de commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de advocaat het document heeft toegezonden gekregen, noch van de notaris, noch van de cliënt. Nu dit niet is komen vast te staan, kan de advocaat niet worden verweten dat zij de EVvE niet heeft geverifieerd en de notaris niet heeft gecorrigeerd.
Naar het oordeel van de commissie had het van de cliënt mogen worden verwacht dat hij in deze procedure bewijs had aangebracht dat hij het document aan advocaat heeft toegezonden. Uit de stukken blijkt dat de cliënt de [land] versie van dit document, opgesteld op 10 juni 2024, heeft ontvangen en als document in deze procedure heeft ingebracht. Nu de cliënt kon weten dat de advocaat verlegen zat om dit document, gezien haar rappelbericht aan de (kandidaat-)notaris van 4 juli 2024, waarbij hij in de ‘bcc’ stond, had hij (eerder) kunnen reageren richting de advocaat. De commissie laat eventuele consequenties daarvan in het midden, nu uit de stukken onvoldoende onderbouwing blijkt van de door de cliënt gestelde schade in relatie tot het handelen van de advocaat. Immers, partijen hebben op 19 juni 2024 de overeenkomst van opdracht gesloten, dus op het moment waarop het betreffende huis reeds verkocht bleek te zijn.
Het geheel overziende, is de commissie van oordeel dat de conclusie kan worden getrokken dat de advocaat heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en een redelijk handelende advocaat. Op basis daarvan acht zij de klacht van de cliënt ongegrond en zal zij de vordering van de cliënt afwijzen. De cliënt dient het openstaande bedrag van € 1.357,62 aan de advocaat te betalen. De commissie zal dan ook bepalen dat het door de cliënt in depot gestorte bedrag aan de advocaat wordt overgemaakt.
De door de cliënt verzochte schadevergoeding zal eveneens worden afgewezen, nog afgezien dat van enige schade door toedoen van de advocaat onvoldoende is gesteld en niet is gebleken.
Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor rekening van de cliënt.
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart van de klacht van de cliënt ongegrond;
– bepaalt dat de cliënt het openstaande bedrag van € 1.357,62 aan de advocaat dient te voldoen. Met inachtneming hiervan wordt het depotbedrag aan de advocaat overgemaakt;
– wijst het door de cliënt meer of anders verlangde af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 23 mei 2024.