Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
848409/989154
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt klaagde over een voornaamswijziging en het niet uitbrengen van een dagvaarding door zijn advocaat. De commissie stelde vast dat de cliënt al in 2019 en 2020 wist van de betreffende handelingen, maar pas in 2024 een klacht indiende. Omdat dit ruim buiten de termijn van drie maanden viel en er geen reden was om hiervan af te wijken, verklaarde de commissie de cliënt niet-ontvankelijk.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening en de door de advocaat in rekening gebrachte kosten voor zijn werkzaamheden.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Cliënt beklaagt zich allereerst over de door de advocaat gerealiseerde voornaamswijziging. Hij wenst dat de naam wordt hersteld, omdat hij de advocaat alleen opdracht heeft gegeven een tweede voornaam te wijzigen. Voorts beklaagt cliënt zich over het niet uitbrengen van een wel in rekening gebrachte dagvaarding bij de rechtbank over een vordering die cliënt stelt te hebben op de loterijorganisatie. De advocaat is volgens cliënt op het laatste moment gestopt met die zaak.
Cliënt wenst dat de zaak eerlijk wordt opgelost en dat hij een uitspraak van de rechter krijgt. Zo niet dan wil cliënt zijn geld terug. Overigens heeft de advocaat cliënt ook niet van tevoren geïnformeerd over de hoge kosten die zijn ontstaan.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat stelt primair dat cliënt op grond van artikel 7 lid 2 sub a van het reglement niet-ontvankelijk is in zijn klachten. Cliënt heeft zijn klachten niet overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat ingediend binnen drie maanden na het moment waarop hij kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven.
Cliënt wist op 3 december 2018 wat het verzoek tot voornaamswijziging zou zijn, niet in de laatste plaats omdat dat verzoek van hem afkomstig was, maar ook wist hij op 22 november 2019 dat het verzoek was toegewezen door de rechter. Eerst op 1 juli 2024 klaagt cliënt over de voornaamswijziging, wat ver buiten de klachttermijn van drie maanden is. Cliënt heeft in ieder geval op 24 augustus 2020 een schriftelijke bevestiging gehad dat er geen dagvaardingsprocedure zou worden ingesteld, welk bericht zowel telefonisch als per e-mail is herhaald. Eerst op 4 juli 2024 klaagt cliënt over het niet uitbrengen van de dagvaarding, wat eveneens ver buiten de klachttermijn van drie maanden is. Cliënt was bekend dan wel had redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de toepasselijke klachttermijn.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen. De commissie dient allereerst de ontvankelijk van de cliënt te beoordelen, nu de advocaat een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan. De advocaat stelt dat cliënt zijn klacht te laat heeft ingediend en bij de advocaat eerder had moeten klagen.
In artikel 7 lid 2 van het reglement geschillencommissie is hierover het volgende bepaald:
De Commissie verklaart op verzoek van de advocaat – mits gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk:
a. indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat heeft ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de cliënt kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven;
b. indien na indiening van de klacht als bedoeld onder a nog geen vier weken zijn verstreken of indien voor de klacht binnen deze termijn tussen de advocaat en de cliënt een regeling is overeengekomen die door de advocaat aan de cliënt schriftelijk is bevestigd;
c. indien na schriftelijke afhandeling van de klacht als bedoeld onder a meer dan twaalf maanden zijn verstreken.
In het derde lid van voormeld artikel is bepaald dat de commissie, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder a, kan besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de consument ter zake van de niet-naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de Commissie redelijkerwijs geen verwijt treft.
De commissie stelt allereerst vast dat de advocaat cliënt heeft bijgestaan in een procedure tot voornaamswijziging, welke procedure op 22 november 2019 is afgerond door een toewijzing overeenkomstig het door cliënt gedane verzoek. Op dat moment had cliënt in elk geval dus kennis van het vermeende handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven. Naar aanleiding daarvan heeft cliënt zich echter pas in juli 2024 tot de advocaat gewend, waarbij hij heeft aangegeven een andere wijziging van zijn voornaam/voornamen te wensen.
De commissie is van oordeel dat cliënt gelet op het gestelde in artikel 7 lid 1 onder a van het reglement niet-ontvankelijk is in zijn klacht met betrekking tot de voornaamswijziging. Cliënt heeft zijn klacht niet binnen drie maanden na het moment waarop hij kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat ingediend. Dat de cliënt ter zake van de niet-naleving van deze termijn redelijkerwijs geen verwijt treft, is niet gebleken. De verklaring daarvan in een door cliënt aan de commissie verzonden bericht van 26 mei 2025 is volstrekt onvoldoende. Indien en voor zover de klacht van cliënt met name betrekking zou hebben op de aan hem verzonden facturen, maakt namelijk niet dat cliënt dan wel ontvankelijk is in zijn klacht. Tussen de factuur van 23 april 2020, welke cliënt expliciet benoemt in zijn reactie van 26 mei 2025, en het indienen van de klacht bij de advocaat zit immers ook meer dan drie maanden.
Voorts stelt de commissie vast dat cliënt zich in verband met een door hem gestelde vordering tegen de Loterijorganisatie heeft gewend tot de advocaat. In augustus 2020 heeft cliënt bericht van advocaat gehad dat geen dagvaarding zou worden uitgebracht. Op dat moment had cliënt in elk geval dus kennis van het vermeende handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven. Naar aanleiding daarvan heeft cliënt zich echter pas in juli 2024 tot de advocaat gewend, waarbij hij heeft aangegeven dat alsnog een dagvaarding dient te worden uitgebracht.
De commissie is van oordeel dat cliënt gelet op het gestelde in artikel 7 lid 1 onder a van het reglement niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De cliënt heeft zijn klacht niet binnen drie maanden na het moment waarop hij kennisnam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat ingediend. Dat de cliënt ter zake van de niet-naleving van deze termijn redelijkerwijs geen verwijt treft, is niet gebleken. De verklaring daarvan in een door cliënt aan de commissie verzonden bericht van 26 mei 2025 is volstrekt onvoldoende.
Derhalve wordt beslist als volgt.
Beslissing
De commissie:
verklaart cliënt niet-ontvankelijk in zijn klachten.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 13 juni 2025.