Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
899263/1068387
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënte klaagde over de kwaliteit van haar advocaat in een scheidingszaak en betwistte diverse facturen. De commissie oordeelde dat de advocaat grotendeels correct heeft gehandeld en dat de klacht in het algemeen ongegrond is. Wel werd vastgesteld dat een bedrag van € 1.654,44 dubbel was gedeclareerd; dit hoeft cliënte niet te betalen. Het resterende openstaande bedrag van € 6.035,26 moet zij wel voldoen. Het depotbedrag wordt daarom deels aan de advocaat en deels aan cliënte teruggestort.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening en de schade die cliënte stelt te hebben geleden door toedoen van de advocaat.
Cliënte heeft een bedrag van € 7.689,70 bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Cliënte is in een scheidingszaak verwikkeld. Zij is eind maart 2024 bij de advocaat terecht gekomen voor een procedure vervangende toestemming, een wijziging van de voorlopige voorzieningen en een echtscheidingsprocedure.
Cliënte stelt zich op het standpunt dat er onjuistheden in de facturen zijn en dat de urenverantwoording niet klopt. Zo zijn de procedures vervangende toestemming en wijziging voorlopige voorzieningen op toevoeging uitgevoerd, maar zijn er aanzienlijke uren gedeclareerd die cliënte niet hoeft te betalen. Dit komt neer op een dubbele declaratie. Voorts heeft cliënte onnodige hoge griffiekosten en gewerkte uren moeten betalen, omdat de advocaat had aangegeven dat de echtscheidingsprocedure niet op basis van een toevoeging was. Daarnaast komen de bedragen op de facturen niet overeen met de urenverantwoording. Het voorschot lijkt bijvoorbeeld dubbel te zijn gedeclareerd. Ook zijn kantoorkosten, zoals het printen van ANWB routeplanners en het inscannen van stukken, extra gedeclareerd. Dit geldt eveneens voor werkzaamheden die cliënte niet hoeft te betalen, zoals het opstellen van de opdrachtbevestiging, overdracht van de vorige advocaat en op de scooter langs de rechtbank om de stukken in te dienen. Tot slot is er bovenmatig veel tijd gedeclareerd voor eenvoudige ondersteunende handelingen zoals het indienen van een F9-formulier of een e-mailbericht.
Voorts stelt cliënte zich op het standpunt dat door de advocaat in het proces fouten zijn gemaakt. Zo heeft de advocaat bij het indienen van de stukken belangrijke termijnen niet bewaakt. Cliënte is ook door de advocaat onvoldoende geïnformeerd over de betekenis van het niet bespreken van punten in het verweerschrift van de tegenpartij. Tot slot heeft de advocaat geweigerd de rechtbank te informeren over het niet reageren van de tegenpartij op de inboedellijst. Vervolgens heeft de rechtbank naar beide partijen aangegeven niets meer te hebben gehoord en ervan uit te zijn gegaan dat beide partijen in goed overleg eruit zijn gekomen.
Daarnaast stelt cliënte dat zij een gebrek aan adequate communicatie en ondersteuning heeft ervaren. De advocaat heeft haar niet gewezen op de mogelijkheid om direct na de uitspraak, welke uitvoerbaar bij voorraad was, actie te ondernemen om de gelden te innen, terwijl dit cruciaal was voor de financiële situatie van cliënte. Ook heeft de advocaat gesprekken en e-mailberichten gedeclareerd, zonder cliënte te informeren over de inhoud, en toezeggingen namens cliënte gedaan waar zij niet achter staat, zoals onder andere de mogelijkheid van een nieuwe taxatie.
Tot slot stelt cliënte dat de werkwijze van de advocaat te wensen heeft overgelaten. Zo is de overdracht van het dossier naar haar nieuwe advocaat niet goed gegaan en zijn er vele schriftelijke slordigheidsfouten.
Cliënte is van mening dat de advocaat haar belangen onvoldoende heeft behartigd en dat zij door de handelwijze van de advocaat schade heeft geleden. Zij verzoekt de commissie haar een schadevergoeding toe te kennen van € 13.224,25. Voorts verzoekt zij de commissie om kwijtschelding van alle bedragen die de advocaat nog van haar heeft te vorderen.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat stelt zich allereerst op het standpunt dat cliënte op grond van artikel 7 lid 2 sub a van het reglement Geschillencommissie Advocatuur niet-ontvankelijk is in haar klacht, omdat zij niet de interne klachtenprocedure heeft gevolgd, zoals zowel vermeld in de overeenkomst van opdracht als op de website van de advocaat. Cliënte heeft nimmer bezwaren kenbaar gemaakt tegen de facturen en bijbehorende tijdsregistratieformulieren. Cliënte heeft de advocaat zelfs op 4 november 2024 verzocht om het hoger beroep, dat door haar ex-echtgenoot was ingediend, te behandelen, dit terwijl de zaak eigenlijk eindigde na de mondelinge behandeling van 3 juli 2024. Tot dan was cliënte derhalve volstrekt tevreden over de behandeling van haar zaak.
Voorts stelt de advocaat dat de vorige advocaat niet op basis van een toevoeging heeft geprocedeerd, zodat griffierechten en deurwaarderskosten door die advocaat bij cliënte in rekening zijn gebracht. Een klacht over de hoogte van die kosten kan dan ook geen doel treffen. Cliënte is ervan op de hoogte dat de advocaat niet verantwoordelijk is voor door een vorige advocaat gemaakte fouten of gevoerd beleid in de procedure.
Van een bepaalde factuur, met nummer 2024 0033, heeft cliënte wel om uitstel van betaling gevraagd. De advocaat heeft haar bericht dat hij (voorlopig) geen incassomaatregelen zal nemen. Een uitstel van betaling is derhalve niet verleend, aldus de advocaat. De advocaat betwist het door cliënte ingenomen standpunt dat in het dossier voor de echtscheiding allerlei werkzaamheden zijn gedeclareerd die onder het dossier voor de vervangende toestemming vallen.
Het door cliënte aan de advocaat gedane verzoek om voor € 3.500,- (incl. BTW) de zaak in hoger beroep te behandelen, is door de advocaat afgewezen, mede gezien de omstandigheid dat er veel meer dan twaalf uur zou worden gewerkt aan het hoger beroep. Ook was sprake van een incassorisico. Er stond immers al voor meer dan € 5.000,- open. Overigens biedt het door de tegenpartij ingestelde hoger beroep de kans voor cliënte om alsnog tot de door haar voorgestelde verdeling van de inboedel te komen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Opzegging lidmaatschap
De advocaat stelt zich in een bericht van 12 juni 2025, verstuurd om 22:54:19 uur, op het standpunt dat nu hij op 12 juni 2025 het lidmaatschap van de geschillencommissie advocatuur heeft beëindigd dit meebrengt dat de behandeling van de zaak dient te worden gestaakt. De commissie gaat aan dit standpunt voorbij. Op het moment dat het geschil door cliënte werd ingediend bij de geschillencommissie advocatuur was de advocaat namelijk aangesloten bij deze commissie. Nu geen sprake is van de in artikel 14 van het reglement genoemde gevallen, is er geen grond om de behandeling te staken.
Stukken advocaat 6 juni 2025
Hoewel de door de advocaat op 6 juni 2025 ingediende stukken te laat zijn ingekomen, immers niet binnen vijf werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, zal de commissie deze stukken betrekken bij de behandeling van het geschil, nu cliënte daarmee niet in haar belangen is geschaad.
Ontvankelijkheid
Nu door de advocaat het verzoek is gedaan aan de commissie de cliënte overeenkomstig artikel 7 lid 2 onder a van het reglement in haar klacht niet-ontvankelijk te verklaren dient de commissie allereerst een beslissing te nemen ten aanzien van de ontvankelijkheid. Hoewel cliënte haar klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling heeft ingediend, moet het er naar het oordeel van de commissie voor worden gehouden dat cliënte redelijkerwijs geen verwijt treft (artikel 7 lid 3 van het reglement). De laatste facturen dateren van 4 december 2024. Op 15 januari 2025 heeft cliënte haar klacht aan de advocaat kenbaar gemaakt. Daarvoor had cliënte zich al gericht tot het juridisch loket en de deken. Deze laatste is tot tweemaal toe betrokken geweest. Ook had cliënte niet veel vertrouwen meer in het handelen van de advocaat. De advocaat heeft vanwege de samenloop met de klacht die voorlag bij de deken niet gereageerd op de bij hem op 15 januari 2025 ingediende klacht van cliënte. Gelet op deze gang van zaken is de commissie van oordeel dat cliënte ontvankelijk is in haar klacht.
De commissie komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht en overweegt daartoe als volgt.
Inhoudelijke beoordeling
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
De commissie overweegt verder dat bij de uitvoering van de opdracht sprake is van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverbintenis. De prestatie van de advocaat bestaat niet in het behalen van een bepaald resultaat, maar bestaat daaruit dat de advocaat zich daarvoor dient in te spannen.
Op 29 maart 2024 heeft cliënte met de advocaat gesproken over de behandeling van haar zaak. Daarop is op 1 april 2024 een opdrachtbevestiging aan cliënte verstuurd, welke op 3 april 2024 door haar ondertekend retour is gezonden. Blijkens deze opdrachtbevestiging is aan de advocaat opdracht verstrekt om een tweetal procedures te voeren, te weten een procedure vervangende toestemming tot verhuizing en een echtscheidingsprocedure. Ook wordt door de advocaat in de opdrachtbevestiging vermeld dat hij niet bereid is om de echtscheidingsprocedure op basis van een toevoeging te voeren. Dit omdat de overwaarde van de voormalig echtelijke woning ongeveer € 400.000,- bedraagt, waartoe cliënte voor de helft gerechtigd is. Het risico bestaat dan dat aan het einde van de procedure de toevoeging wordt ingetrokken.
De commissie begrijpt de klacht van cliënte aldus dat deze bestaat uit de volgende klachtonderdelen:
1. Niet aanvaarden opdracht;
2. Procesmatige klachten en klachten over de werkwijze;
3. Financiële klachten.
Ad. 1 – Niet aanvaarden opdracht
De commissie stelt allereerst vast dat met de uitspraak in eerste aanleg van 31 juli 2024 de cliënt-advocaat relatie is beëindigd. Dit wordt ook als zodanig in de opdrachtbevestiging vermeld. Na voormelde datum waren partijen, te weten cliënte en haar ex-echtgenoot, in de gelegenheid om gedurende drie maanden hoger beroep in te stellen. Blijkens de overgelegde stukken heeft de ex-echtgenoot van cliënte op 29 oktober 2024 hoger beroep ingesteld. Niet in geschil is dat de advocaat cliënte zo spoedig mogelijk op de hoogte heeft gesteld van dit hoger beroep. Cliënte heeft de advocaat vervolgens verzocht om de zaak in hoger beroep tegen een vast bedrag van € 3.500,- inclusief btw te behandelen. Dit heeft de advocaat om de hem moverende redenen in een e-mailbericht van 4 november 2024 geweigerd. De commissie overweegt daartoe dat het de advocaat vrij staat een opdracht tot dienstverlening al dan niet te aanvaarden. Het besluit van de advocaat om cliënte niet bij te staan in het hoger beroep, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Overigens is cliënte hierdoor naar het oordeel van de commissie ook niet in haar belangen geschaad, nu cliënte op 4 november 2024 al een andere advocaat had gevonden om haar belangen in hoger beroep te behartigen.
Ad. 2 – Procesmatige klachten en klachten over de werkwijze
Cliënte beklaagt zich over de omstandigheid dat het lang heeft geduurd voordat de advocaat het dossier had overgedragen aan de nieuwe advocaat van cliënte, waardoor die advocaat pas in januari 2025 inhoudelijk heeft kunnen starten. Een en ander heeft cliënte tijd, geld en procesvertraging gekost.
In het e-mailbericht van 4 november 2024, waarin de advocaat vermeldt dat hij de opdracht om de zaak in hoger beroep te behandelen, niet aanvaardt, wordt ook vermeld dat cliënte alle stukken digitaal heeft ontvangen en dat de advocaat zal meewerken aan het overdragen van het dossier aan een opvolgend advocaat. Voorts wordt vermeld dat de advocaat een eindafrekening zal opstellen en wordt cliënte verzocht de thans openstaande factuur binnen veertien dagen na dagtekening van het
e-mailbericht (4 november 2024) te voldoen.
Niet in geschil is dat de advocaat het procesdossier niet gelijk heeft overgedragen aan cliënte. Hij oefende zijn retentierecht uit, totdat de nog openstaande facturen zouden zijn betaald. Eerst omstreeks 15 december 2024 is, na advies van de deken, het procesdossier overgedragen. Cliënte stelt dat haar nieuwe advocaat daardoor pas in januari 2025 inhoudelijk heeft kunnen starten. Dat deze ‘vertraging ‘cliënte tijd, geld en procesvertraging heeft gekost, is de commissie echter niet gebleken.
Cliënte stelt verder een aantal slordigheden aan de zijde van de advocaat, waaronder de lening en rente bij de schoonouders van cliënte, de alimentatie vanaf de verzoekdatum en de inboedel.
Inboedel
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2024 (p. 20, 21 en 22) volgt dat de rechtbank binnen twee weken van beide partijen wil weten of er overeenstemming is bereikt over de inboedel. Zo niet dan wenst de rechtbank een lijst van items waarvan de man zegt daar moet een beslissing over plaatsvinden. De lijst van de vrouw dient als uitgangspunt. In de echtscheidingsbeschikking van 31 juli 2024 is het volgende opgenomen met betrekking tot de inboedel: “De vrouw heeft op 26 juni 2024 een overzicht met een voorstel voor de verdeling van de inboedel overgelegd. Op de zitting is de afspraak gemaakt dat partijen binnen twee weken na de zitting de rechtbank berichten of zij overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedel of anderszins met standpunten over de verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft binnen de termijn geen berichten van de advocaten ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen geen beslissing meer wensen ten aanzien van de inboedel en dat alles in onderling overleg verdeeld is of zal worden.” Uit een e-mailbericht van cliënte van 17 juli 2024 aan de advocaat volgt dat cliënte de advocaat vraagt aan de rechtbank te verzoeken de knoop door te hakken met betrekking tot de inboedel. De advocaat geeft in een e-mailbericht van 17 augustus 2024 aan cliënte aan dat nu de man niet gereageerd heeft, mocht worden verwacht dat het door cliënte overgelegde lijstje (en ook door de rechtbank als leidraad bestempeld) zou worden opgenomen in de uitspraak. Uit dit alles volgt dat geen van partijen, en dus ook niet de advocaat van cliënte, de rechtbank hebben bericht over de inboedel. Dat de advocaat naar aanleiding van het verzoek van de cliënte de rechtbank niet heeft gevraagd “een knoop door te hakken met betrekking tot de inboedel” is een slordigheid van de advocaat die daarmee niet heeft gehandeld zoals van een redelijk en bekwaam advocaat mag worden verwacht. In zoverre is de klacht gegrond. Echter niet is gebleken dat de cliënte (enkel) hierdoor schade heeft geleden.
Alimentatie vanaf de verzoekdatum
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2024 (p. 17) volgt dat, anders dan dat cliënte betoogt, de ingangsdatum van de door de ex-echtgenoot van cliënte te betalen kinderalimentatie wel degelijk door de advocaat is ingebracht tijdens de mondelinge behandeling. De advocaat heeft immers verzocht de door de ex-echtgenoot te betalen kinderalimentatie te laten ingaan met ingang van juli 2023.
Lening en rente schoonouders
In de echtscheidingsbeschikking van 31 juli 2024 is het volgende met betrekking tot de lening en rente schoonouders opgenomen: “Vast staat dat partijen een lening hebben bij de ouders van de man van € 10.000,-, vermeerderd met rente. Partijen zijn nog € 4.457,- verschuldigd aan de ouders van de man. Deze schuld moet dus worden meegenomen in de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap volgens bovengenoemd uitgangspunt.” In het dictum van die beschikking is vervolgens bepaald dat partijen de schuld aan de ouders van de man (€ 4.457,-) in hun onderlinge verhouding bij helfte dragen. Ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2024 blijkt dat is gesproken over de lening en rente schoonouders.
Het is de commissie eveneens niet gebleken dat cliënte door de door haar gestelde bejegening door de advocaat enig nadeel heeft ondervonden, dan wel dat de advocaat daardoor niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Ad. 3 – Financiële klachten
Zoals hierboven is vermeld, is aan de advocaat opdracht verstrekt om een tweetal procedures te voeren, te weten een procedure vervangende toestemming tot verhuizing en een echtscheidingsprocedure. In de eerstgenoemde procedure is op basis van een toevoeging geprocedeerd.
In het toelichtende e-mailbericht van 1 april 2024 bij de opdrachtbevestiging vermeldt de advocaat, onder meer, het volgende: “Ik zal dan 2 dossiers aanleggen (een voor de verhuizing en een voor de scheiding) en de gewerkte tijd administreren op het dossier welke het betreft. Daarbij geldt dan wel dat de door mij geregistreerde tijd op een dossier door mij wordt verricht en dat die bepalend is.”
De commissie stelt vast dat cliënte hiermee kennelijk akkoord is gegaan, althans uit de stukken blijkt niet dat zij daartegen bezwaar heeft gemaakt. De advocaat heeft hiermee ook niet gehandeld in strijd met wat van een redelijk handelend en vakbekwaam advocaat mag worden verwacht.
In de opdrachtbevestiging is een vervalbeding opgenomen, dat luidt als volgt: “Indien u van mening bent dat er sprake is geweest van een fout geldt dat de aansprakelijkheid vervalt drie maanden, na de datum van de ontdekking van de fout en u binnen deze termijn geen gebruik maakt van de klachten- of geschillenregeling.” Hieruit leidt de commissie af dat de klachten van cliënte over facturen alleen gericht kunnen zijn tegen facturen ingediend binnen drie maanden voorafgaand aan 15 januari 2025, zijnde het moment waarop cliënte haar klacht kenbaar heeft gemaakt aan de advocaat. Dit betreffen dan ook een drietal facturen, zijnde factuur 2024-0056 van 04-11-2024 voor een bedrag van € 784,83, factuur 2024-0062 van 04-12-2024 voor een bedrag van € 519,57 en factuur 2024-0063 van 04-12-2024 voor een bedrag van € 574,27.
Anders dan cliënte betoogt, hebben partijen geen afspraak gemaakt dat cliënte de facturen pas hoefde te betalen als de echtelijke woning was verkocht en de overwaarde van de woning aan haar was uitgekeerd. De advocaat heeft cliënte op 8 juli 2024 slechts bericht dat hij bewust is van het feit dat cliënte op dit moment geen inkomen heeft waaruit zij de facturen kan betalen. De advocaat zal dan ook (voorlopig) geen incassomaatregelen nemen. Dit houdt derhalve (naar het oordeel van de commissie) niet in dat cliënte pas hoefde te betalen als de echtelijke woning zou zijn verkocht. Overigens laat de verkoop van die woning nu al enige tijd op zich wachten.
Ondanks het vervalbeding is de commissie van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om voorbij te gaan aan het onderdeel van de financiële klacht dat de advocaat het in rekening gebrachte voorschot van 5 uur, zijnde € 1.367,30 (factuur 2024-0009 van 04-04-2024) ten onrechte niet heeft verwerkt in, naar de commissie leest, de factuur 2024-0048 van 09-08-2024 voor een bedrag van € 5.811,03. Dit onderdeel van de financiële klacht is immers terecht voorgelegd. In een e-mailbericht van de advocaat van 4 november 2024 wordt vermeld dat er in totaal 36 uren zijn gefactureerd. Dit betreft de factuur van 09-08-2024 met nummer 2024-0048, zijnde een bedrag van in totaal € 5.811,03. Het kan niet anders zijn dan dat hierin het voorschot is begrepen. Dit voorschot is dan ook dubbel gedeclareerd. Dit leidt ertoe dat dit onderdeel van de klacht slaagt en dat cliënte een bedrag van € 1.367,30 niet aan advocaat hoeft te betalen.
De commissie is van oordeel dat cliënte factuur 2024-0056 van 4 november 2024 met een bedrag van € 784,83 dient te betalen. Niet is gebleken dat dit bedrag ten onrechte aan cliënte in rekening is gebracht. Dit geldt eveneens voor factuur 2024-0062 van 4 december 2024 met een bedrag van € 519,57. Dit betreffen de kantoorkosten over de door de advocaat gewerkte uren. Factuur 2024-0063 van 4 december 2024 met een bedrag van € 574,27 zal door de commissie worden gematigd, nu deze niet geheel wordt verantwoord in de door de advocaat overgelegde tijdspecificatie. De commissie acht het redelijk dat cliënte van dit bedrag de helft aan de advocaat dient te voldoen.
Ten overvloede overweegt de commissie nog dat cliënte tot 4 november 2024 kennelijk tevreden was over de bijstand van de advocaat, nu zij de bijstand in riep van de advocaat voor een in te stellen verweer in hoger beroep.
Gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de facturen, komt de commissie tot de conclusie dat cliënte een bedrag van € 1.654,44 niet aan de advocaat hoeft te voldoen. Van het in depot gestorte bedrag krijgt cliënte dit bedrag retour. Het resterende bedrag, € 6.035,26, zal aan de advocaat worden overgemaakt.
Conclusie
De commissie constateert dat cliënte pas rond 15 januari 2025 uitgebreid haar ontevredenheid vermeldt over de dienstverlening van de advocaat. Na het indienen van het hoger beroep door haar ex-echtgenoot eind oktober 2024 vroeg zij de advocaat zelfs om haar bij te staan in die procedure. Eerst nadat de advocaat van dit aanbod geen gebruik maakt, heeft zij haar klachten kenbaar gemaakt. Het moet er naar het oordeel van de commissie dan ook voor worden gehouden dat cliënte tot ongeveer 15 januari 2025, en in elk geval tot begin november 2024, tevreden was over de dienstverlening van de advocaat. Hoewel het begrijpelijk is dat de uitkomst van de echtscheidingsprocedure voor cliënte teleurstellend was, is de commissie niet gebleken dat de samenwerking tussen cliënte en de advocaat op enig moment niet goed (meer) is geweest.
Het is de commissie ook niet gebleken dat de advocaat zijn inspanningsverplichting niet correct of onvoldoende is nagekomen. De advocaat dient bij de behandeling van een zaak de leiding te nemen en kan vanuit diens eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid bepalen hoe de belangen van zijn cliënt(e) het beste worden gediend. De commissie kan op grond van de stukken en hetgeen partijen daarover tijdens de mondelinge behandeling nog nader hebben toegelicht, niet beoordelen of de advocaat voor een verkeerde strategie heeft gekozen noch dat de rechter door toedoen van de advocaat iets anders heeft beslist dan door cliënte op goede gronden was verzocht. Dat de uitvoering van de opdracht en de kwaliteit van de dienstverlening in het algemeen onvoldoende zouden zijn geweest, is de commissie dan ook niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat de advocaat is tekortgeschoten in zijn werkzaamheden.
Het geheel overziende, is de commissie van oordeel dat de advocaat grotendeels heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en een redelijk handelende advocaat. De klacht van cliënte is gegrond voor zover het betreft het bedrag van € 1.654,44 dat cliënte niet aan de advocaat hoeft te voldoen en voor het overige ongegrond.
De commissie zal om die reden ook het verzoek van cliënte om kwijtschelding van de gehele openstaande declaratie en het verzoek om schadevergoeding afwijzen. Het in rekening gebrachte bedrag komt de commissie niet bovenmatig voor gelet op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden.
De commissie zal bepalen dat cliënte het openstaande bedrag aan de advocaat dient te betalen. Zoals hiervoor is overwogen bedraagt dit bedrag € 6.035,26. De commissie zal dan ook bepalen dat dit bedrag aan de advocaat wordt overgemaakt. Het resterende van het in depot gestorte bedrag zal worden overgemaakt aan cliënte.
Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, kan buiten beschouwing worden gelaten, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
verklaart de klacht van cliënte ongegrond;
bepaalt dat de cliënte het openstaande bedrag van € 6.035,26 aan de advocaat moet betalen. Met inachtneming hiervan wordt het depotbedrag als volgt verrekend: een bedrag van € 6.035,26 wordt aan de advocaat overgemaakt en het restant van € 1.654,44 wordt aan de cliënte gerestitueerd;
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 13 juni 2025.