Commissie: Advocatuur
Categorie: Betaling
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: arbitraal vonnis
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
851643/864154
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In een arbitragezaak tussen een advocaat en zijn cliënt oordeelden de arbiters dat de cliënt het openstaande bedrag van € 4.353,46 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is hij € 150 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 90,75 aan arbitragekosten verschuldigd. Het door de advocaat betaalde voorschot voor arbitragekosten komt volledig toe aan de Geschillencommissie. Alle overige verzoeken zijn afgewezen.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
de heer mr. N. Schaar te Bussum, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk domicilie kiezende te Den Haag en de heer W.F. de Ruijter te Alphen aan den Rijn, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in een door beide partijen ondertekende opdrachtbevestiging van 5 april 2023, waarbij partijen zijn overeengekomen dat alle geschillen ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of uitvoering van de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement). Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
In de opdrachtbevestiging is verder opgenomen dat de cliënt er ook voor kan kiezen het ontstane geschil aan de rechtbank voor te leggen. In een bijlage bij de opdrachtbevestiging is de cliënt gewezen op de verschillen tussen een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie) en een procedure bij de rechtbank.
Om aan de verplichting ingevolge artikel 6:236 onder n BW te voldoen heeft de advocaat de cliënt bij brief van 16 oktober 2023 de gelegenheid gegeven om binnen een maand de keuze te maken om het geschil voor te leggen aan de rechtbank dan wel aan de commissie. Nu de cliënt geen keuze kenbaar heeft gemaakt, heeft de advocaat het geschil voorgelegd aan de commissie.
De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat heeft in opdracht en voor rekening van de cliënt rechtsbijstand verleend.
Voor de verrichte werkzaamheden heeft de advocaat aan de cliënt declaraties verstuurd. In totaal staat nog een bedrag van € 4.353,46 open.
Ondanks herhaald verzoek tot voldoening heeft de cliënt dit bedrag niet voldaan.
De cliënt heeft de advocaat te kennen gegeven het niet eens te zijn met de declaratie. Namens hem heeft zich een advocaat gesteld (hierna te noemen de gemachtigde). De advocaat heeft meerdere malen getracht met deze gemachtigde en de cliënt in gesprek te komen teneinde een minnelijke regeling te treffen. Een reactie van deze gemachtigde of van de cliënt zelf is uitgebleven.
De advocaat maakt aanspraak op vergoeding van de kosten ter verkrijging van betaling buiten rechte, welke kosten bestaan uit de buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten houden vermogensschade in, die in redelijkheid en billijkheid is vast te stellen op € 588,17.
De advocaat verzoekt de arbiters te bepalen dat de cliënt aan de advocaat dient te voldoen het bedrag van € 4.353,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de declaraties tot de dag der algehele voldoening, alsmede de cliënt te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van
€ 588,17 en in de kosten van deze arbitrage.
Standpunt van de cliënt
Namens de cliënt heeft de gemachtigde verzocht om uitstel voor een inhoudelijke reactie. Deze inhoudelijke reactie is echter uitgebleven. In het verzoek om uitstel heeft de gemachtigde nog het volgende vermeld.
De gemachtigde staat de cliënt al enige tijd bij. Hij heeft verschillende pogingen ondernomen om in gesprek te gaan met de advocaat. Dat is niet van de grond gekomen.
De zaak is inhoudelijk niet goed behandeld. Na een zeer lange periode van stilte heeft de advocaat de zaak aanhangig gemaakt bij de commissie. De cliënt is nimmer gevraagd of hij met deze procedure kan instemmen. De arbiters zijn daarom niet bevoegd.
Subsidiair is de cliënt van mening dat de advocaat geen recht heeft op betaling van het openstaande bedrag. Zo is er onder meer geen plan van aanpak geweest, is er geen kosteninschatting gemaakt en is er eigenhandig een deal getroffen en aan de rechtbank gecommuniceerd zonder instemming van de cliënt. Met de regeling zelf was de cliënt het niet eens, maar daar heeft de advocaat hem aan gebonden.
Behandeling van het geschil
Op 26 augustus 2025 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. drs. I.M. van Trier fungerend als secretaris.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om – om 15:00 uur – ter zitting te verschijnen.
De advocaat was fysiek ter zitting aanwezig. De cliënt is – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. Ook zijn gemachtigde is niet verschenen, noch is daarvan een bericht van verhindering ontvangen. Daarbij merken de arbiters op dat zij tot 15:06 uur hebben gewacht, alvorens de zitting aan te vangen.
Beoordeling van het geschil
De arbiters overwegen het volgende.
Zoals hiervoor reeds vermeld, achten de arbiters zich bevoegd het geschil te behandelen.
Dat de advocaat de cliënt, toen ondanks de inmenging van de gemachtigde vanaf 2024 – na herhaalde aanmaning – wederom betaling uitbleef, niet opnieuw de keuze tussen de rechtbank en de commissie heeft gegeven, maakt dit niet anders.
De arbiters zullen het geschil daarom inhoudelijk beoordelen.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) dienen de arbiters voor wat betreft de kosteninschatting het navolgende ambtshalve te toetsen. Kort gezegd is het Hof van Justitie van oordeel dat weliswaar niet geëist kan worden dat de ondernemer (de advocaat) de consument (de cliënt) volledig informeert over de uiteindelijke financiële consequenties van de overeenkomst, maar dat dit niet wegneemt dat de informatie die verstrekt wordt, de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te nemen. De informatie die wordt verstrekt, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Het Hof van Justitie geeft als voorbeeld het geven van een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of het regelmatig tussentijds factureren.
De arbiters zijn, het dossier overziende alsmede gelet op de gevraagde dienstverlening, in dit geval van oordeel dat de advocaat de cliënt op deze wijze voldoende inzicht heeft gegeven in de (te verwachten) kosten.
Immers, de arbiters stellen vast dat de advocaat in de opdrachtbevestiging de financiële consequenties van de dienstverlening heeft toegelicht en heeft vermeld dat voorschotten in rekening worden gebracht en dat de declaraties per maand worden verzonden. Ter zitting heeft de advocaat desgevraagd verklaard dat er ook in dit geval een voorschotnota is verzonden, die door de cliënt is betaald. De arbiters stellen voorts vast dat de advocaat de cliënt op 31 mei 2023 een declaratie heeft gestuurd waarbij haar werkzaamheden over de maand mei 2023 aan de cliënt in rekening zijn gebracht. De advocaat heeft ter zitting toegelicht dat zij – in verband met een verkorte procedure – in korte tijd heel veel werkzaamheden heeft moeten verrichten.
De verder door de gemachtigde in zijn verzoek om uitstel geuite verwijten – geen goede inhoudelijke behandeling, geen plan van aanpak en zonder instemming van de cliënt eigenhandig treffen van een deal – zijn ondanks de toezegging van de gemachtigde niet nader onderbouwd. Hoewel (de gemachtigde van) de cliënt daartoe in de gelegenheid is gesteld, is geen (nader) verweer gevoerd en de cliënt en/of de gemachtigde is/zijn ook niet ter zitting verschenen om het standpunt nader toe te lichten.
Voorts heeft (de gemachtigde van) de cliënt het openstaande bedrag niet inhoudelijk noch onderbouwd betwist; hij heeft geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de declaratie van 31 mei 2023 en de bijbehorende urenspecificatie, noch tegen de declaratie van 1 september 2023 waarbij de advocaat het griffierecht heeft doorbelast. Het door de advocaat in rekening gebrachte bedrag komt de arbiters, gelet op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden, niet bovenmatig voor.
Nu de vordering van de advocaat de arbiters ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zullen de arbiters deze toewijzen, met dien verstande dat de buitengerechtelijke kosten door de arbiters naar redelijkheid en billijkheid zullen worden bepaald op € 150–. De wettelijke rente is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf de vervaldata van de onderliggende declaraties.
De arbiters zullen voorts de cliënt als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 90,75 van het door de Stichting De Geschillencommissie vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters. Gelet op de beslissing wordt de advocaat geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens de cliënt te hebben voldaan. De arbiters bepalen voorts dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de Stichting De Geschillencommissie.
Beslissing
De arbiters:
– veroordelen de cliënt om aan de advocaat te voldoen € 4.353,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de onderliggende declaraties tot aan de dag van algehele voldoening;
– veroordelen de cliënt om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 150,– ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
– veroordelen de cliënt om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 90,75 ter zake van de arbitragekosten;
– bepalen dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de Stichting De Geschillencommissie;
– wijzen af het meer of anders verzochte.