Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen
Categorie: Communicatie / Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
820623/998955
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De student werd op 31 december 2023 uitgeschreven uit haar opleiding en kreeg geen diploma. De school zei dat zij geen geldige praktijkovereenkomst had, dat haar stageplek ongeschikt was en dat zij afspraken niet nakwam en onvoldoende voortgang had. De commissie stelt echter vast dat de student wél een geldige praktijkovereenkomst had, dat haar praktijkexamens zijn afgenomen door een erkende organisatie en dat zij voldoende BPV‑uren heeft gemaakt. Ook blijkt dat zij inmiddels alle onderdelen heeft behaald, wat wordt bevestigd door een officiële MBO‑verklaring van de school zelf. De redenen voor uitschrijving zijn daarom ondeugdelijk. De school moet de student binnen twee weken alsnog haar diploma (niveau 3) verstrekken en het klachtengeld van € 107,50 vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 22 maart 2022 met de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het verzorgen van een opleiding tot [naam opleiding] (niveau 3) in het kader van beroepspraktijkvorming (bpv) voor de som van € 5.300,-.
De student heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de student
Voor het standpunt van de student verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
In maart 2022 ben ik bij de ondernemer begonnen met de opleiding [naam opleiding]. Deze opleiding werkte samen met ZZP’ers voor zelfstandige ondernemers. Ik ben voor deze opleiding aangemeld, maar vanaf het begin waren er grote problemen met de begeleiding en organisatie, waardoor ik en mijn klasgenoten structureel achterstand opliepen.
Bij de start van de opleiding werd [naam] aangewezen als mentor, maar zij was de eerste zes maanden volledig afwezig en onbereikbaar. Hierdoor kregen we geen begeleiding en liepen we direct achterstand op. Daarna nam [naam] het over en hielp ons om de achterstand in te halen, maar zij werd ziek en viel uit. Vervolgens kregen we een zekere [naam] als mentor, maar na twee keer aanwezig te zijn geweest, viel hij uit na een ongeval. [naam] nam het daarna over, maar vertrok al snel naar [land] en keerde niet terug.
Na een lange periode zonder mentor werd [naam] aangesteld. Zij was in eerste instantie docent, maar nam de rol van mentor op zich omdat er niemand anders beschikbaar was. Door de vele wisselingen en uitval van mentoren hebben we veel begeleidingsuren gemist, waardoor onze klas structureel achterstand opliep. De ondernemer erkende dit en bood meermalen verlenging aan. Halverwege de opleiding besloot de ondernemer plotseling te stoppen met de samenwerking met zelfstandige ondernemers (ZZP’ers). Dit betekende dat wij verplicht werden een leerbedrijf te zoeken om onze praktijkuren af te ronden. Dit was voor mij onterecht, omdat ik mijn uren al vóór deze wijziging had afgerond. Toch moest ik alsnog een leerbedrijf vinden, wat opnieuw voor vertraging en extra problemen zorgde.
Gedurende de opleiding heb ik meermalen contact gezocht met de ondernemer over de begeleiding en mijn voortgang, maar ik kreeg zelden een reactie. Wanneer ik vragen stelde, werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. Ik heb ook een klachtenformulier via de website ingevuld, maar helaas nooit een reactie ontvangen. Mijn mentor [naam] stelde steeds strengere deadlines en dreigde dat ik van school werd gestuurd als ik deze niet haalde. Dit gaf mij veel stress en een onveilig gevoel. Bovendien heeft [mentor] ons de antwoorden gegeven voor de medische rekenentoets, zodat we deze konden halen. Dit was volkomen onterecht en gaf een vertekend beeld van de opleiding.
Daarnaast had ik een conflict met een zekere [naam], een opleidingsmanager die zich onprofessioneel en onbeschoft opstelde. In mijn uitschrijfformulier werd dit conflict zelfs als reden opgevoerd, terwijl ik enkel duidelijkheid probeerde te krijgen over mijn opleiding en diploma.
Mijn contract bij de ondernemer liep tot 21 december 2024, maar op 26 maart 2024 ontving ik een brief waarin werd aangekondigd dat ik werd uitgeschreven. Dit terwijl mijn contract nog doorliep en ik recht had op begeleiding tot het einde van het jaar.
Voor deze opleiding heb ik € 5.300,- betaald, maar door de vele gemiste begeleidingsuren, slechte organisatie en onethisch gedrag heb ik niet het onderwijs gekregen waarvoor ik heb betaald. De beloofde één-op-één begeleiding en ondersteuning zijn nooit waargemaakt. Door de tekortkomingen van de ondernemer kon ik mijn opleiding niet op een normale manier afronden, terwijl dit niet aan mijn inzet heeft gelegen.
Naar aanleiding van het verweer van de ondernemer wil ik het volgende opmerken.
De ondernemer stelt dat ik niet beschikte over een geldige praktijkovereenkomst. Dit is feitelijk onjuist. Op 22 maart 2022 heb ik een volledig ondertekende praktijkovereenkomst ontvangen van de ondernemer. Deze is rechtsgeldig afgesloten en ondertekend door zowel mijzelf als twee vertegenwoordigers van de ondernemer. Deze overeenkomst is opgenomen in mijn bijgevoegde bewijsstukken.
Op 7 maart 2023 heeft de ondernemer mij en andere studenten geïnformeerd dat het vanwege regelgeving niet langer mogelijk zou zijn om als ZZP’er een POK met de ondernemer te behouden. In diezelfde communicatie werd echter expliciet toegezegd dat alle uren die vóór 31 maart 2023 waren gemaakt onder supervisie, wel als BPV-uren zouden blijven meetellen. Deze toezegging is zwart op wit te vinden in de e-mail van de studentadministratie. Mijn gewerkte uren vóór die datum zijn geregistreerd, ondertekend en ook toegevoegd aan dit dossier. Ik heb gewerkt via [onderneming], waarmee ik gedetacheerd was bij zorginstelling [naam zorginstelling] in [plaatsnaam]. Alle BPV-opdrachten, inclusief examens, heb ik daar succesvol uitgevoerd. Het feit dat de ondernemer stelt dat ik bij “[naam onderneming]” heb gewerkt is onjuist; ik heb nooit in een kraamzorgomgeving gewerkt. Deze foutieve vermelding is niet alleen misleidend, maar ondermijnt mijn geloofwaardigheid ten onrechte.
Ik heb twee keer een verlenging van zes maanden ontvangen, zonder kosten. Dit gebeurde alleen omdat de ondernemer erkende dat er sprake was van fouten vanuit hun kant, zoals uitval van docenten, gebrek aan continuïteit en onvoldoende begeleiding. Geen enkele particuliere onderwijsinstelling verlengt zonder geldige reden gratis de studietijd. Het feit dat ik deze verlengingen kreeg, bevestigt juist dat ik niet de oorzaak was van de studievertraging.
Mijn contract met de ondernemer liep officieel tot 21 december 2024. Op 8 februari 2024 had ik een afspraak met mevrouw [naam] om fysieke formulieren in te leveren. Door een file kon ik pas om 17:15 uur aanwezig zijn. Ik heb haar hierover direct per e-mail geïnformeerd en aangegeven dat ik alles digitaal zou toesturen. Desondanks gaf zij aan dat het kantoor om 17:00 uur sloot en dat zij mij per direct zou uitschrijven omdat ik de deadline ‘niet gehaald’ zou hebben. Het is onredelijk en onprofessioneel dat deze uitschrijving volgde terwijl ik op dat moment al onderweg was, mijn communicatie open en tijdig was, en de documenten digitaal heb aangeboden. De weigering om hier flexibel mee om te gaan, heeft directe gevolgen gehad voor mijn studie, terwijl ik alles heb gedaan wat binnen mijn mogelijkheden lag.
Tot slot heb ik al mijn opdrachten en toetsen met goed gevolg afgerond. Dit blijkt uit de officiële MBO-verklaring van ondernemer d.d. 9 september 2024. Daarin wordt bevestigd dat ik heb voldaan aan de inspanningsverplichtingen en dat ik geslaagd ben voor onder andere [vaknaam], [vaknaam], [vaknaam] en [vaknaam]. De bewering dat ik afspraken structureel niet ben nagekomen, is daarmee feitelijk onjuist. Als dit het geval was geweest, had ik nooit deze verklaring ontvangen. Mijn conclusie is dat de ondernemer haar tekortkomingen afschuift op mij als student, terwijl ik mijn uiterste best heb gedaan om ondanks alle obstakels mijn opleiding succesvol af te ronden. Mijn uitschrijving is het gevolg van onredelijke en onjuiste beslissingen vanuit de school, en niet van mijn gedrag of inzet.
Ik wil nog benadrukken dat er slechts eenmaal een verlenging was die alleen mijzelf betrof. De andere verlenging was een collectieve verlenging en gold voor de hele groep. Verder hoefde ik niet iedere maand mijn uren te verantwoorden en heb ik een MBO-verklaring van de ondernemer waarbij enkel de praktijkonderdelen ontbreken.
Ik verzoek om óf alsnog mijn diploma te ontvangen óf een passende financiële compensatie
voor de gemiste begeleiding en misstanden, zodat ik dit bedrag kan investeren in een andere opleiding of ondersteuning.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De student is op 22 maart 2022 gestart bij ons met de opleiding [naam opleiding], met een geplande einddatum van 22 maart 2023. Vanwege onvoldoende studievoortgang en op verzoek van de student is een kosteloze verlenging van zes maanden toegekend, waarmee de opleiding uiterlijk op 22 september 2023 afgerond diende te zijn. Wij hebben echter in het belang van de student de termijn verder opgerekt, met als absolute uiterste deadline: 15 december 2023. Tot die datum kreeg de student de gelegenheid om alsnog alle noodzakelijke onderdelen van haar opleiding succesvol af te ronden.
Wij zijn tot 1 april 2023 erkend geweest als leerbedrijf. Onder deze constructie sloten onze studenten een praktijkovereenkomst (POK) af met zowel ons als een praktijkopleider die verbonden was aan onze organisatie. Op 1 april 2023 heeft de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) deze erkenning formeel ingetrokken, omdat wij primair een opleidingsinstituut zijn en geen zorginstelling.
Na deze intrekking zijn alle studenten schriftelijk en mondeling geïnformeerd over de wijziging. Zowel docenten als leerloopbaanbegeleiders hebben dit onderwerp herhaaldelijk besproken tijdens de lessen en in individuele gesprekken. Daarbij is ondersteuning geboden bij het vinden van een passend en erkend leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming (BPV). Dit betrof uitsluitend de studenten die hun opleiding combineerden met een zzp constructie.
De student beschikte niet over een geldige POK, noch met ons, noch met een erkend leerbedrijf. Het ontbreken van een POK is op zichzelf grond voor beëindiging van de opleiding, omdat de BPV een noodzakelijk onderdeel vormt van het mbo-curriculum.
Uit mailwisselingen blijkt dat wij ons gedurende het hele traject zeer coulant hebben opgesteld: er zijn diverse herkansingen aangeboden, verlenging is toegekend zonder bijkomende kosten, en er is telkens opnieuw ruimte geboden om afspraken na te komen. Helaas is gebleken dat de student structureel gemaakte afspraken niet is nagekomen.
Stabiliteit in het docententeam en leerloopbaanbegeleiding
In haar klacht stelt de student dat er sprake zou zijn geweest van veel wisselingen in het docententeam, wat ten koste zou zijn gegaan van de continuïteit van het onderwijs. Deze weergave is feitelijk onjuist.
Het docententeam is gedurende de opleiding stabiel gebleven. De opleiding is opgestart met een vaste docent, [naam docent], die van 22 maart 2022 tot 1 december 2022 onafgebroken verantwoordelijk was voor het verzorgen van de lessen. Na haar uitval wegens ziekte is de begeleiding vanaf december 2022 voortgezet door mevrouw [naam], die tot en met december 2023 verantwoordelijk is gebleven voor de studenten van deze cohort. De continuïteit van het onderwijs was hiermee gewaarborgd.
In de klacht refereert de student aan een docent die zou zijn uitgevallen na een val van de trap. Deze opmerking heeft betrekking op een invaldocent die incidenteel enkele vaardighedenlessen (skills) heeft verzorgd, en die geen vaste onderwijsrol of begeleidende functie had in het reguliere onderwijsprogramma van de student.
Gedurende het hele opleidingstraject is slechts één lesmoment uitgevallen, ten tijde van het plotselinge ziekteverzuim van mevrouw [naam]. Alle andere lessen zijn volgens planning verzorgd.
Wel hebben er enkele wijzigingen plaatsgevonden in het leerloopbaanbegeleidingsteam (LLB). De eerste LLB’er van student was mevrouw [naam], die haar begeleidde vanaf de start van de opleiding tot augustus 2022. Per 15 augustus 2022 is de leerloopbaanbegeleiding overgenomen door [naam], die deze rol tot het einde van het cohort (22 maart 2023) is blijven vervullen. Beide begeleiders hebben actief contact onderhouden met de student en ondersteuning geboden bij haar studievoortgang.
Ondanks deze verandering in de leerloopbaanbegeleiding is de structuur van begeleiding duidelijk en georganiseerd gebleven. Er is op geen enkel moment sprake geweest van het wegvallen van begeleiding of een gebrek aan onderwijscontinuïteit. Na afloop van het cohort op 22 maart 2023 is de student tijdens haar verlengingsperiode begeleid en ondersteund door mevrouw [naam], die vanaf dat moment de rol van leerloopbaanbegeleider (LLB’er) op zich heeft genomen.
Begeleiding en bereikbaarheid
Wij hechten veel waarde aan actieve begeleiding van onze studenten. Vanaf de start van de opleiding zijn leerloopbaanbegeleiders betrokken geweest bij haar traject. Zij is herhaaldelijk benaderd via e-mail en telefonisch om haar te ondersteunen bij haar studievoortgang, het plannen van toetsen, het bijwonen van extra lessen en het indienen van opdrachten. In tegenstelling tot wat de student stelt, blijkt uit onze administratie en mailcorrespondentie dat wij wél bereikbaar en betrokken waren, maar dat er vanuit de student weinig respons kwam. We leggen in een bijlage diverse mailcontacten met de student over.
BPV en ongeschikte stageplaats
Voor ons is het niet duidelijk waar de student haar BPV heeft gelopen. De student levert verschillende namen aan, zoals [naam onderneming], [naam onderneming] en [naam onderneming]. Volgens een praktijkovereenkomst liep de student stage bij [naam onderneming], een organisatie die niet erkend is als leerbedrijf voor de opleiding [naam opleiding]. Daarnaast maakt de aard van kraamzorg het niet mogelijk om bepaalde kerntaken van de opleiding uit te voeren, zoals verpleegtechnische handelingen. In haar examenproducten stelt de student dat de praktijkexamens zijn afgenomen bij [onderneming], maar ook van deze organisatie is geen geldige POK aanwezig. Wij kunnen dan ook niet vaststellen waar de student haar BPV daadwerkelijk heeft doorlopen.
Zonder een erkende BPV-plek is het niet mogelijk om de opleiding af te ronden. Het achteraf aanleveren van ondertekende BPV-uren vanuit [onderneming] doet hier niets aan af, aangezien de leerwerkplek niet is beoordeeld en goedgekeurd binnen onze geldende procedures.
Uitschrijving
Op 31 december 2023 is de student officieel uitgeschreven van de opleiding. Deze beslissing is genomen op basis van:
• het ontbreken van een geldige praktijkovereenkomst;
• onduidelijk door wie en waar haar praktijkexamens zijn afgenomen
• herhaaldelijk niet nakomen van gemaakte afspraken;
• een structureel lage aanwezigheid;
• onvoldoende studievoortgang;
• een ongeschikte stageplek;
Conclusie
Wij hebben ons gedurende het gehele traject professioneel, begripvol en buitengewoon coulant opgesteld. De uiteindelijke uitschrijving is met zorgvuldigheid en op basis van objectieve gronden uitgevoerd. Wij achten de klacht dan ook ongegrond.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Op grond van de in het dossier opgenomen documenten en het verhandelde ter zitting komt de commissie tot de volgende bevindingen.
Partijen verschillen op diverse punten van mening met elkaar. De kern van het probleem is dat de ondernemer de student op 31 december 2023 heeft uitgeschreven van de door deze gevolgde opleiding en haar geen diploma heeft verstrekt. De ondernemer heeft aan die uitschrijving enkele redenen ten grondslag gelegd en het is aan de commissie om die redenen te toetsen.
Anders dan de ondernemer aanvankelijk stelde blijkt dat de student beschikt over een geldige praktijkovereenkomst. Die is in het dossier opgenomen. Verder blijkt dat de praktijkexamens zijn afgenomen door [organisatie]. Deze organisatie voldeed aan de te stellen eisen, zodat nu onweersproken is dat nu de student die praktijkexamens met goed gevolg heeft afgelegd, zij aan die onderdelen heeft voldaan. De ondernemer heeft aangegeven dat er sprake was van een ongeschikte stageplek. Het is de commissie echter duidelijk geworden dat het niet bemiddelaar [naam organisatie] was die voor de stageplaats zorg droeg, maar [organisatie]. Die laatste organisatie voldoet aan de te stellen eisen, zodat de student zich er terecht op beroept dat zij voldoende uren heeft gewerkt en ook aan dat onderdeel heeft voldaan.
Daarnaast heeft de ondernemer de uitschrijving gebaseerd op herhaaldelijk niet nakomen van gemaakte afspraken, structureel lage aanwezigheid en onvoldoende studievoortgang. Het mag zo zijn dat de student afspraken niet is nagekomen, maar gebleken is dat de student inmiddels heeft voldaan aan de betreffende onderdelen. Verder wijst de commissie erop dat de lage aanwezigheid tussen partijen in discussie is, maar dat in de door partijen gesloten overeenkomst niet is bepaald dat een te lage aanwezigheid negatieve gevolgen zou hebben. Ook zou er volgens de ondernemer sprake zijn van onvoldoende studievoortgang. Het mag zo zijn dat de student haar eenjarige opleiding met vertraging heeft afgerond, maar duidelijk is dat zij inmiddels wel aan die onderdelen heeft voldaan. Daarbij wijst de commissie er ook op dat er eenmaal sprake was van een collectieve verlenging. Dat wijst erop dat sprake was van bijzondere omstandigheden die de hele groep betroffen en dit kan niet aan de student worden tegengeworpen.
Dit zo zijnde blijkt dat de door de ondernemer op 31 december 2023 genomen beslissing tot uitschrijving van de student is genomen op ondeugdelijke gronden. Nu verder aan de commissie is gebleken dat de student aan haar verplichtingen uit hoofde van de op 22 maart 2022 door partijen gesloten overeenkomst heeft voldaan zoals blijkt uit de officiële MBO-verklaring van ondernemer d.d. 9 september 2024, dient de ondernemer alsnog aan de student haar diploma [naam opleiding] (niveau 3) verstrekken. Omdat dit op tamelijk korte termijn kan geschieden zal de commissie bepalen dat de ondernemer dit moet doen binnen twee weken na de verzenddatum van dit bindend advies.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient binnen twee weken na verzenddatum van dit bindend advies aan de student het diploma [naam opleiding] (niveau 3) verstrekken.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 107,50 aan de student te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik, mevrouw mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij, leden, op 2 mei 2025.