Commissie: Energie
Categorie: Schadevergoeding
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1312270/1315937
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument zat van 8 tot 18 maart 2025 zonder warmte door een ernstige storing in het appartementencomplex. De ondernemer weigerde de wettelijke compensatie en stelde dat sprake was van een “extreme situatie” zoals bedoeld in de Warmtewet, waardoor hij geen vergoeding hoefde te betalen. Volgens hem was er een onverwachte lekkage in een ondergrondse leiding, vermoedelijk door corrosie, en was dit niet te voorkomen. De commissie volgt dit niet. De ondernemer had al eerder een dalende waterdruk gezien en wilde het leidingwerk laten inspecteren, wat erop wijst dat er signalen waren dat er iets mis was. Een lekkende leiding is volgens de commissie geen uitzonderlijke of onvoorziene gebeurtenis zoals natuurrampen of aanslagen, maar iets dat bij normaal onderhoud kan worden voorkomen en dus tot het ondernemersrisico behoort. Omdat de ondernemer niet heeft bewezen dat sprake was van een extreme situatie, heeft de consument recht op compensatie. De ondernemer moet € 1.065 betalen, plus het klachtengeld van € 52,50.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de door de consument verlangde vergoeding van de ondernemer als gevolg van een storing van de warmtelevering aan het adres van de consument.
De consument heeft de klacht op 6 augustus 2025 aan de ondernemer voorgelegd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Vanaf 8 maart 2025 was sprake van een ernstige storing waardoor er tot dinsdagavond 18 maart 2025 geen warmtelevering was in het appartementencomplex waarvan de woning van de consument deel uit maakt. De consument heeft daardoor 1,5 week zonder verwarming gezeten. De gemiddelde buiten temperatuur was in die tijd 7,1 graden. De temperatuur in het appartement van de consument daalde tot 16 graden. Pas op 11 maart 2025 ontving de consument een bericht van de ondernemer over de ernstige storing en de in dat kader uit te voeren werkzaamheden.
Het staat vast dat in maart 2025 sprake was van een ernstige storing als bedoeld in artikel 3a lid 1 van de Warmtewet en artikel 4 lid 1 van de Warmteregeling.
In de kern draait het geschil om de vraag of de ondernemer zich terecht beroept op de uitzonderingsbepaling van 3a lid 2 sub van de Warmtewet. De situatie die zich in maart 2025 voldoet niet aan de (cumulatieve) vereisten voor een “extreme situatie”, die leverancier of de netbeheerder kan worden toegerekend. De consument wijst daarvoor naar artikel 4a van de Warmteregeling als naar de Parlementaire Geschiedenis voor de interpretatie van het begrip “extreme situatie”.
Gelet op de lange duur van de storing is de door de ondernemer geboden compensatie van € 150,- te laag vastgesteld,
Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat op de leverancier die een storing als een extreme situatie wil aanmerken waardoor de compensatieregeling niet geldt, de bewijslast rust.
In dat bewijs is de ondernemer volgens de consument niet geslaagd.
Er was geen sprake van een niet te voorziene gebeurtenis of situatie. Er was sprake van een leidingbreuk. De stelling van de ondernemer dat men voornemens was het leidingwerk te (laten) inspecteren, geeft aan dat de ondernemer verantwoordelijk is voor de staat van het leidingwerk. In het verleden was ook al sprake van meerdere storingen, die een indicatie gaven over de staat van het leidingwerk. De consument betwist dat lekkages van WKO- installaties zo weinig voorkomen dat het voor de ondernemer economisch gezien niet verantwoord is daarmee rekening te houden.
In artikel 3a lid 2 sub a van de Warmtewet staan voorbeelden van extreme niet aan de ondernemer toe te rekenen situaties als: aardbevingen, overstromingen, uitzonderlijke weersomstandigheden, terroristische aanslagen en oorlog. Deze gebeurtenissen zijn niet te vergelijken met een lekkage.
Er is niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 4a van de Warmteregeling.
De consument maakt aanspraak op een vergoeding van € 1.215,-. De storing ving aan op zaterdag 8 maart 2025 0m 08.00 uur en duurde tot 18 maart 2025, 18.00 uur.
Ter (digitale) zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De consument is inmiddels verhuisd. Zij kreeg de beschikking over het concept-rapport van het in opdracht van de ondernemer uitgebrachte rapport van haar voormalige buren. Het rapport kenmerkt zich door veronderstellingen en aannames.
Van een fout van de ondernemer is wel degelijk sprake geweest. Er waren altijd al veel storingen. Van extreme omstandigheden was geen sprake. De waterdruk werd steeds minder. De ondernemer had eerder in actie kunnen komen.
De consument verlangt dat de commissie een uitspraak doet over de vraag of de ondernemer zich op overmacht, een “extreme situatie” kan beroepen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
In de periode voorafgaand aan de storing constateerde de ondernemer een geleidelijke terugloop van de waterdruk. Er was reeds een inspectie van kwetsbare leidingdelen gepland en de ondernemer besloot om tijdens deze inspectie tevens onderzoek te doen naar de oorzaak van de drukafname.
Op 8 maart 2025 is plotseling de waterdruk in het distributiesysteem van de ondernemer op de onderhavige locatie volledig weggevallen. Na een inspectie bleek dat het om een ernstige waterlekkage ging. Hierna zijn met spoed herstelwerkzaamheden opgestart en werd de (vermoedelijke) locatie opgespoord. Het herstel van de leidinglekkage werd bemoeilijkt vanwege de locatie van de lekkage. Deze bevond zich in de corridor van een druk winkelgebied. Er was sprake van een complexe schade. Het betreft leidingen die rond 2010 zijn aangebracht en op 1,5 meter diepte liggen. De ondernemer heeft onderzoek laten doen door een onafhankelijke deskundige.
Bij inspectie van de leidingen is vastgesteld dat op één uiteinde sprake is van aanzienlijke corrosie aan de buitenzijde van de buis. Het is niet met zekerheid te zeggen waardoor de lekkage is ontstaan. De leiding waarin de lekkage aanwezig is kon niet worden onderzocht. Het is volgens de deskundige aannemelijk dat de corrosie tot een afname van de stalen wanddikte van de buis heeft geleid waardoor op enig moment een gat is ontstaan met lekkage tot gevolg.
In geschil is of de ondernemer zich terecht beroept op de uitzonderingsbepaling van artikel 3a lid 2, sub a van de Warmtewet. De Warmtewet beoogt, (naar de interpretatie van de ondernemer) in essentie een evenwichtig en eerlijk beschermingskader te bieden voor kleinverbruikers, met name ter voorkoming van excessieve tarieven en ter waarborging van een voldoende prestatieniveau door warmteleveranciers. Met name vanwege de monopolypositie is wettelijke bescherming noodzakelijk. Van belang is dat het beschermingskader evenwichtig is. Het doel van de Warmtewet is niet om warmteleveranciers af te rekenen op omstandigheden die hen niet kunnen worden toegerekend. Om die reden bevat artikel 3a van de Warmtewet een expliciete uitzondering op de storingscompensatieplicht in het geval van een extreme situatie die niet aan de ondernemer kan worden toegerekend.
Artikel 4a van de Warmtewet definieert wat een extreme situatie is. Het gaat om een gebeurtenis of situatie, die
– redelijkerwijs buiten de controle van de netbeheerder of leverancier ligt en niet te wijten is aan een fout van een netbeheerder of leverancier;
– zo weinig voorkomt dat het oneconomisch zou zijn om daarmee rekening te houden in de reguleringssystematiek, en
– niet beïnvloed kan worden door de netbeheerder of leverancier.
Het betreft cumulatieve gronden en de bewijslast rust op de ondernemer. Het in opdracht van de ondernemer uitgebrachte rapport vormt een belangrijk onderdeel van de feitelijke en technische onderbouwing van het standpunt van de ondernemer.
Er is sprake van een niet te voorziene gebeurtenis vermoedelijk veroorzaakt door uitwendige corrosie. De ondernemer erkent het beheer te hebben over het leidingnet, maar betwist dat dit gelijkstaat aan volledige beheersbaarheid van incidenten. Er kan sprake zijn van onverwachte defecten door externe omstandigheden en ondergrondse dynamiek.
De onderhavige gebeurtenis betreft geen reguliere of veelvoorkomende storing, maar een uitzonderlijke technische gebeurtenis met aanzienlijke impact. De leidingen hebben een levensduur van 30 tot 50 jaar en waren ten tijde van de gebeurtenis circa 15 jaar oud.
De gebeurtenis was niet beïnvloedbaar door de ondernemer. Er waren fysieke en veiligheidsmatige beperkingen die de ondernemer niet kon beïnvloeden.
Naar de mening van de ondernemer is aldus voldaan aan de cumulatieve vereisten voor het aannemen van een extreme situatie als bedoeld in artikel 4a van de Warmtewet. De ondernemer is dan ook niet gehouden tot een compensatie op grond van artikel 3a lid 1 van de Warmtewet.
Ter (digitale) zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De leidingen zijn door de ondernemer van een vorige rechthebbende overgenomen. Er is sprake van een onvoorziene omstandigheid. Een leiding, met name een grondleiding, kan altijd gaan roesten. De ondernemer heeft inderdaad meerdere klachten ontvangen, maar de meeste daarvan kunnen oplossen. Dit is de enige zaak bij de commissie.
Het rapport is nog steeds niet definitief.
Het is van belang dat de commissie een uitspraak doet.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument over de door de ondernemer aangeboden vergoeding na een opgetreden warmtestoring.
De commissie stelt voorop dat partijen geen verschil van mening hebben over de aanvang en het einde van de opgetreden warmtestoring.
Evenmin verschillen partijen van mening over de door de consument gemaakte berekening van de hoogte van de aan haar uit te keren compensatie.
Het geding spitst zich echter toe op de vraag of de ondernemer überhaupt een vergoeding voor de warmtestoring is verschuldigd en in dat verband of het beroep van de ondernemer op de uitzondering in geval van een extreme situatie als bedoeld in artikel 3a van de Warmtewet slaagt.
De commissie is van oordeel dat de ondernemer niet is geslaagd in het op hem rustende bewijs dat sprake is van een “extreme situatie” die aan het moeten verstrekken van een vergoeding in de weg staat.
Uit de stellingen van de ondernemer leidt de commissie af dat sprake is geweest van een ondergrondse, moeilijk toegankelijke leiding, die vermoedelijk als gevolg van corrosie afkomstig van de buitenzijde, (mantel) van de leiding, is gaan lekken.
Uit de stellingen van de ondernemer blijkt voorts dat al enige tijd sprake was van een teruglopende waterdruk en dat men voornemens was de oorzaak daarvan enige tijd later, in het kader van een reeds geplande inspectie van het leidingnet zou gaan onderzoeken.
De door de ondernemer geschetste omstandigheden, te weten een plotselinge lekkage van een ondergrondse leiding, zijn naar het oordeel van de commissie geen onvoorziene gebeurtenissen als bedoeld in artikel 3a van de Warmtewet, te weten natuurrampen, overstromingen, aanslagen en dergelijke, maar gebeurtenissen die tamelijk standaard zijn voor het ontstaan van lekkages en bij een normaal beheer en regulier onderhoud kunnen worden voorkomen en derhalve behoren tot het normale ondernemersrisico van de ondernemer. Bovendien was al sprake van signalen dat het leidingwerk niet optimaal functioneerde.
Daarmee heeft de ondernemer dan ook niet voldaan aan het op de ondernemer rustende bewijs van een “extreme situatie” in de zin van de wet.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer betaalt een vergoeding van € 1.065,- aan de consument. De betaling dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden.
Voorts wordt aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening gebracht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 14 januari 2026.