Waterleiding van ondernemer sprong – ondernemer moet schade vergoeden

  • Home >>
  • Water >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Water    Categorie: Aansprakelijkheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1158048/1205997

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument liep waterschade op toen op 14 januari 2025 een aanvoerleiding van de ondernemer in zijn tuin sprong en water met kracht zijn souterrain instroomde. De ondernemer weigerde vergoeding en stelde dat de consument zelf schuld had omdat de ruimte volgens hem waterdicht had moeten zijn. De commissie volgt dit niet: de norm waar de ondernemer zich op beroept beschermt niet zijn belangen, en bovendien is niet onderbouwd dat de ruimte niet aan de bouwvoorschriften voldeed. De ondernemer is verantwoordelijk voor onderhoud van de leiding en de schade is rechtstreeks veroorzaakt door de leidingbreuk. De schadeposten zijn redelijk en niet buitensporig, en aftrek “nieuw voor oud” is niet passend omdat de vloer uit 2018 stamt. De ondernemer moet daarom € 993,42 schadevergoeding betalen plus het klachtengeld. De klacht is gegrond.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de vergoeding van de waterschade als gevolg van een gesprongen leiding van de watertoevoer.

De consument heeft de klacht op 14 januari 2025 aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Op 14 januari 2025 was sprake van een leidingbreuk van een leiding van de ondernemer in de tuin van de consument waardoor water met kracht tegen de onderste verdieping van de woning werd gespoten. Hierdoor ontstond waterschade in het souterrain waarin zich een speelkamer en sauna bevond.

De door de consument geclaimde schadevergoeding werd door de ondernemer bij herhaling afgewezen met een beroep op eigen schuld van de consument. De correspondentie met de ondernemer werd met 4 verschillende personen gevoerd. De eerste reactie van de ondernemer, na de schademelding op 14 januari 2025, vond plaats op 5 maart 2025. De klantenservice heeft ook nooit behoorlijk gereageerd op de vragen van de consument. Toen het vocht begon te schimmelen heeft de consument de reparatie in eigen beheer laten repareren.

De woning van de consument bevindt zich 30 meter boven NAP en is gebouwd op zandgrond. De waterdichtheid van de onder verdieping is op die hoogte niet relevant.

De woningverzekeraar van de consument, [naam verzekeraar], heeft geen dekking verleend, gelet op de oorzaak van de waterschade, te weten van buiten komend instromend water.

In 2005 heeft zich een identieke gebeurtenis voorgedaan waarbij een leidingbreuk ook waterschade tot gevolg had. Indertijd werd de schade vergoed door het verantwoordelijke waterbedrijf.

De schade is ontstaan als gevolg van een breuk in de koppeling van de door de ondernemer beheerde aanvoerleiding. Zonder leidingbreuk zou er geen schade zijn ontstaan. De consument ziet niet in dat hij een deskundige dient in te schakelen om het onjuiste standpunt van de ondernemer te ontkrachten.

De gemaakte kosten bedragen € 843,42. Daarbij komen nog de eventueel te maken kosten van een deskundige. Het gaat om de kosten van de laminaatvloer, loonkosten, de kosten van een bouwdroger en de stroomkosten.

De ondernemer is verantwoordelijk voor een behoorlijke levering en het onderhoud en controle van de door hem beheerde leidingen.

Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

Gelet op het standpunt van de ondernemer om de schade volledig af te wijzen heeft de consument geen facturen overgelegd.

De consument heeft in eigen beheer hersteld. Hierna zijn nog kosten gemaakt voor het reinigen en verwijderen van de schimmel op de binnenmuren en de voegen van de tegels in de sauna. De kosten hiervan bedroegen € 150,-.

Het laminaat is in 2018 nieuw gelegd. De afschrijvingstabel van [naam] waarop de ondernemer zich beroept spreekt van een gemiddelde afschrijving en houdt tevens in dat als de dagwaarde nog 40% van de nieuwwaarde is, de schade voor 100% wordt vergoed. Aftrek van nieuw voor oud is niet aan de orde. Het gaat niet over een kelder maar over een woonruimte.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De onderhavige klacht ziet op een schade aan een aansluitleiding, die de waterleiding aan de woning van de consument verzorgt. De leiding is noodzakelijk voor de levering en is een onderdeel van de leveringsovereenkomst en de Algemene Voorwaarden, die daarop van toepassing zijn. De consument heeft de ondernemer aansprakelijk gesteld, de ondernemer heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

Het betreft een spontane breuk in de waterleiding op 14 januari 2025. Het wegstromende water is vervolgens de grond ingetrokken en heeft uiteindelijk zijn weg naar de kelder weten te vinden. De lekkage is door medewerkers van de ondernemer hersteld.

Tussen partijen is uitgebreid gecorrespondeerd, na de laatste afwijzing wendde de consument zich tot de commissie.

Voor een beoordeling van de schade is ook artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek van belang. Het moet gaan om een onrechtmatige gedraging die aan de ondernemer kan worden toegerekend.

Volgens het Besluit Bouwwerken leefomgeving (hierna: Besluit), moet een kelder als leefruimte voldoende beschermd zijn tegen vocht. Dit betekent dat een kelder zo ontworpen en gebouwd moet zijn dat er geen onaanvaardbare vochtproblemen ontstaan die de bruikbaarheid of gezondheid negatief beïnvloeden. De ondernemer wijst daartoe op het bepaalde in artikel 3.64 van het Besluit.

De kelder die als verblijfsruimte was ingericht had waterdicht moeten zijn. De schade is opgetreden doordat de consument onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de schade te voorkomen. Op grond hiervan kan de schade niet aan de ondernemer worden toegerekend.

Voor de volledigheid merkt de ondernemer op dat de schade door de consument niet is onderbouwd met facturen en dergelijke. Ook moet ‘nieuw voor oud’ worden toegepast. Het gaat bij de laminaatvloer om vergoeding van de dagwaarde en niet van de nieuwwaarde. Ook dient de leeftijd van de vloer te worden aangetoond. Vloeren ouder dan 10 jaar hebben geen waarde en worden niet vergoed.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

Als de kelder wel waterdicht was, was de schade niet ontstaan. De vloer was afgeschreven. De ondernemer blijft bij het standpunt dat er geen recht op vergoeding bestaat.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In het onderhavige geschil klaagt de consument over de afwijzing van de vergoeding van de door hem geleden waterschade als gevolg van een gesprongen waterleiding in de tuin van de ondernemer, die voor de wateraanvoer zorgde.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De commissie volgt het standpunt van de consument.
De ondernemer ontkent niet verantwoordelijk te zijn voor de (breuk van de) betreffende aanvoerleiding maar stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheid aan hem niet kan worden toegerekend, maar het gevolg is van nalatigheid van de consument zelf om ervoor te zorgen dat de betreffende ruimte, die naar het oordeel van de commissie niet als kelder kwalificeert, bestand is tegen vocht en waterdicht is.

De ondernemer beroept zich daartoe op artikel 3.64 van het Besluit.

Met de consument is de commissie echter van oordeel dat van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek geen sprake is.

De norm waarop de ondernemer zich beroept heeft niet de strekking de belangen van de ondernemer te beschermen, maar heeft een algemene strekking, die niet ziet op de rechtsverhouding van partijen. Bovendien maakt de ondernemer in het geheel niet duidelijk dat en waarom de muren van de onder verdieping niet aan de norm van NEN 2778 voldoen, nu die stelling op geen enkele wijze – objectief – is onderbouwd.

De ondernemer komt dan ook geen beroep toe op artikel 3.64 van het Besluit.

Op grond van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding is de ondernemer gehouden tot onderhoud en controle van de betreffende waterleiding en kan zij bij een breuk van die leiding voor de gevolgen daarvan worden aangesproken, nu die breuk niet alleen de wateraanvoer onderbrak, maar tevens voor schade zorgde, zo blijkt uit de stukken en overgelegde foto’s. De schade zou zijn uitgebleven als de tekortkoming van de ondernemer achterwege was gebleven, zodat sprake is van een condicio sine qua non verband tussen de schadegebeurtenis en het nalaten van de ondernemer.

Anders gezegd de schade kan aan de ondernemer worden toegerekend en dient voor zijn rekening en risico te komen.

De commissie is voorts van oordeel dat de door de consument geclaimde schade redelijk en allerminst buitensporig qua hoogte is. Bovendien heeft de consument de schade beperkt door deze in eigen beheer te laten herstellen hoewel hij daartoe op grond van de wet en de rechtspraak niet verplicht was. Ook het beroep van de ondernemer op toepassing van artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek, verrekening van voordeel, kan de ondernemer niet baten, nu, onweersproken door de ondernemer, vaststaat dat de laminaatvloer dateerde uit 2018 en derhalve niet als afgeschreven kan worden aangemerkt. Bovendien houdt de commissie rekening met de omstandigheid dat de consument tegen zijn wil een bepaald bestedingspatroon wordt opgedrongen als gevolg van een aan de ondernemer toe te rekenen tekortkoming. In de gegeven omstandigheden is aftrek wegens nieuw voor oud dan ook niet als redelijk aan te merken. De commissie wijst daartoe op het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023, ecli:HR:2023:956.

Aldus is de ondernemer gehouden de schade van de consument te vergoeden en zal de commissie dan ook bepalen dat de ondernemer deze tot een bedrag van € 993,42 aan de consument dient te vergoeden.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt een vergoeding van € 993,42 aan de consument. Betaling dient binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies plaats te vinden.

Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 27,50 aan hem te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. P. Dekker – Stam, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 6 november 2025.

Opslaan als PDF