Commissie: Energie
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
995589/1281799
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De commissie oordeelt dat de ondernemer jarenlang ten onrechte huur voor een CV‑ketel heeft berekend en deze bedragen volledig moet terugbetalen, dat de consument deze vordering mag verrekenen met wat hij zelf nog moet betalen, dat de aanvullende energienota slechts deels geldig is omdat alles vóór 13 maart 2022 is verjaard, dat het ontbreken van meterstanden geen misbruik oplevert en de verjaring niet blokkeert, dat beide partijen geen incassokosten krijgen, en dat de ondernemer een nieuwe gecorrigeerde nota moet opstellen, het klachtengeld moet vergoeden en het depotbedrag moet terugstorten.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft het door de ondernemer op de aanvullende nota van 13 maart 2025 en op de eindnota van 9 april 2025 in rekening gebrachte verbruik van energie en de verrekening van de door de consument (onverschuldigd) betaalde bedragen voor de door de ondernemer in rekening gebrachte huurprijs van een Cv-ketel.
De consument heeft de klacht op 27 augustus 2024 aan de ondernemer voorgelegd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Levering van energie
Ervan uitgaande dat de consument een aantal jaren meer stroom en gas heeft verbruikt dan hem in rekening is gebracht stuurde de ondernemer de consument een aanvullende nota van 13 maart 2025 met een bij te betalen bedrag van € 5.467,35. Met deze nota brengt de ondernemer de in het verleden geleverde, maar destijds niet afgerekende energie, alsnog in rekening bij de consument. Ingevolge de artikelen 7:28 BW jo. 7.5 lid 5 BW is er sprake van een verjaringstermijn van twee jaar voor wat betreft de door de ondernemer te vorderen bedragen wegens geleverde energie. Gelet op de datum van de betreffende nota van 13 maart 2024, zijn de vorderingen op grond van leveringen van vóór 13 maart 2022 verjaard. Immers, artikel 7: 26 lid 2 BW bepaalt dat de koopprijs bij aflevering opeisbaar wordt, hetgeen de aanvang van de verjaringstermijn inhoudt. Het standpunt van de ondernemer dat de verjaring pas is gaan lopen vanaf de datum van de aanvullende nota is in strijd met de vaste jurisprudentie en kan geen standhouden. De consument wijst op een arrest van gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018, ecli:GHDHA:2018:3140. Met inachtneming van de verjaring bedraagt de vordering van de ondernemer op de consument € 2.156,54.
Huur CV-ketel
De ondernemer heeft jarenlang de consument bedragen in rekening gebracht voor de huur van een
CV-ketel. De consument huurde echter geen CV-ketel van de ondernemer. De consument heeft deze betalingen (op de jaarnota) onverschuldigd betaald.
De consument ziet niet in dat hij niet-ontvankelijk is in zijn klacht bij de commissie over deze kwestie. Het betreft een met de levering van energie samenhangende dienst.
De ondernemer heeft de betaalde bedragen op de jaarnota’s in rekening gebracht. In totaal heeft de ondernemer een bedrag van € 4.705,58 in rekening gebracht. De afgelopen 5 jaar heeft de consument een bedrag van € 2.264,44 ten onrechte aan huur van een CV-ketel betaald.
Het is opmerkelijk dat de ondernemer volhoudt met het in rekening brengen van huur voor een CV-ketel en zelfs op de eindnota van 12 oktober 2024 daarvoor een bedrag van € 917,77 in rekening brengt.
De consument is bevoegd de vordering van de ondernemer op hem te verrekenen met zijn schuld aan de ondernemer. Het bepaalde in artikel 6: 131 BW brengt mee dat de verjaring van de onverschuldigd betaalde bedragen niet aan verrekening in de weg staat.
Buitengerechtelijke kosten
Het standpunt van de ondernemer dat de consument bedrag van € 660,62 wegens buitengerechtelijke kosten (verder te noemen BGK) dient te betalen is onjuist. Met name nu de ondernemer de incasso van de vordering van de consument op de ondernemer heeft gefrustreerd.
Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De laatste eindnota van 9 april 2025 ten bedrage van € 98,94 is voldaan door de consument.
De consument beschikte sinds de aanschaf van de woning in 2013 over een eigen CV-ketel. De vorige bewoner van de woning huurde wel een CV-ketel van de ondernemer. Er is sprake geweest van een langdurige administratieve fout van de ondernemer.
De vordering van de consument op de ondernemer houdt verband met een vermeend verleende dienst van de ondernemer aan de consument.
De consument heeft de nota van 13 maart 2025 niet betaald. Hij heeft wel de maandelijks in rekening gebrachte voorschotten betaald. De consument heeft in 2018 geprobeerd het termijnbedrag te verhogen tot € 120,-. Dit werd door de ondernemer echter ongedaan gemaakt.
Het verbruik in het verleden is niet pas ten tijde van de aanvullende nota van 13 maart 2025 opeisbaar geworden, maar is in het verleden opeisbaar geworden. De verjaring begint de lopen vanaf de datum van de betreffende jaarnota en betreft ook de niet op die jaarnota in rekening gebrachte energie.
Na de aankoop van de woning kwam er veel op de consument af. Hij werkte die dagen buitenshuis en dat leidde ertoe dat hij de standen nooit heeft doorgegeven.
De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling verjaart vanaf het moment dat de consument ontdekte dat hij jarenlang ten onrechte een huursom voor een ketel betaalde, die hij niet huurde. De consument wijst op artikel 3:309 BW.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer verlangt dat de consument een depotstorting doet van € 4.085,18.
De klacht van de consument betreft enerzijds de berekende huurkosten voor een CV-ketel over de periode 2013-2024 en anderzijds de juistheid van de jaarnota’s en meterstanden gedurende dezelfde periode.
De consument stelt als oplossing voor:
– Toepassing van verjaring in plaats van het berekende verbruik over 10 jaar;
– Terugbetaling van een bedrag van € 2.264,44 in verband met vermeende onterechte huurkosten voor een CV-ketel, zonder verrekening met de eindnota;
– Correctie van de jaarnota’s over de periode 2013-2024 wegens vermeend onjuiste meterstanden.
De ondernemer betwist de klacht op alle onderdelen.
Huur CV-ketel
Primair stelt de ondernemer dat de klacht voor zover die betrekking heeft op de berekende huurkosten van de CV-ketel niet-ontvankelijk is bij de commissie.
Voor het geval de commissie van oordeel is dat zij wel bevoegd is betwist de ondernemer de vordering van de consument als volgt.
De consument reageerde gedurende de gehele contractperiode nooit op de verzoeken van de ondernemer voor periodiek onderhoud aan de CV-installatie. De ondernemer heeft zonder erkenning van aansprakelijkheid of fout toch uit coulance een correctie toegepast over een periode van 5,5 jaar,
(8 september 2018 – 1 april 2024). Als gevolg van deze correctie ontving de consument een bedrag van
€ 1.628,18 terug of is dat bedrag verrekend. De consument heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de ondernemer aan de consument een bedrag van € 2.264,44 is verschuldigd.
Energieleveringen
De consument stelt ten onrechte dat de ondernemer over de periode 2013-2024 onjuiste jaarnota’s heeft verstrekt en onvoldoende inspanning heeft geleverd om de meterstanden op te nemen. De consument beschikte in die periode over een conventionele meter en was verplicht conform artikel 8 van de Algemene Voorwaarden, (“AV”), jaarlijks de meterstanden op te geven. Als dat niet gebeurt is de ondernemer genoodzaakt de jaarnota op te stellen op basis van geschatte meterstanden. De ondernemer heeft gedurende de gehele periode jaarlijks actief meterstanden opgevraagd, maar deze nooit ontvangen. De consument heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de op de nota’s en heeft deze daarmee stilzwijgend aanvaard. Daarnaast is van belang dat de netbeheerder verantwoordelijk is voor de plaatsing en opname van de meters. De consument reageerde niet op verzoeken van de netbeheerder tot plaatsing van een slimme meter. De nalatigheid ligt volledig bij de consument.
Van verjaring van de vordering van de ondernemer kan geen sprake zijn omdat de consument zijn contractuele en wettelijke verplichtingen niet is nagekomen. De wettelijke verjaringstermijn bedraagt twee jaar vanaf het moment dat de factuur is verzonden. Aangezien de eindnota op 9 april 2025 is opgesteld is geen sprake van een verjaarde vordering. Het gaat niet om een voordering van voor 2021, maar om de correctie van het totale verbruik, dat pas bij de eindnota van 9 april 2025 is vastgesteld. De verjaring vangt pas aan vanaf de factuurdatum en niet vanaf het daadwerkelijke verbruiksjaar.
Het is onredelijk dat de consument door een beroep op de verjaring te doen zou profiteren van zijn eigen nalaten.
De conclusie van de ondernemer is dat de kwestie van de CV-ketel niet tot de bevoegdheid van de commissie behoort en dat de klacht over het in rekening gebrachte energieverbruik ongegrond is.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument over het op een aanvullende nota van 13 maart 2025 in rekening gebrachte verbruik, alsmede over de jaarlijks in rekening gebrachte bedragen voor de huur van een
CV-ketel, waarvan echter geen sprake was.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De commissie volgt grotendeels het standpunt van de consument.
De kwestie van de huur van de CV-ketel
De commissie is van mening dat deze kwestie wel tot haar bevoegdheid behoort, nu deze kwestie onmiskenbaar betrekking heeft “op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting en/of de levering van gas, warmte of elektrische energie en daarmee verband houdende leveringen en diensten, (…)”. Zoals haar taak in artikel 3 lid 1 van haar reglement is omschreven en de huur van de CV-ketel direct verband hield met het aangaan van het energiecontract tussen partijen nu de ondernemer de kosten van de huur jaarlijks op de jaarnota in rekening heeft gebracht, zodat de ondernemer – kennelijk – ook is uitgegaan van een verband tussen de huur van de CV-ketel en de levering van energie.
De commissie acht zich dan ook bevoegd om van dit klachtonderdeel kennis te nemen.
Naar het oordeel van de commissie heeft de consument voldoende aannemelijk gemaakt dat de ondernemer jarenlang ten onrechte een bedrag terzake van huur van een CV-ketel in rekening heeft gebracht terwijl daarvan geen sprake was. Dit blijkt ook uit het voorstel van de ondernemer om de laatste vijf betalingen te crediteren.
Dit brengt mee dat de ondernemer gehouden is de door de consument onverschuldigd betaalde bedragen aan de consument te restitueren en dat een eventuele verjaring van een deel van die vordering niet aan de verrekening met het volledige bedrag van die vordering in de weg staat. Kortom, de consument mag zijn volledige vordering verrekenen met het bedrag dat hij aan de ondernemer is verschuldigd.
De commissie wijst daartoe op het bepaalde in artikel 6:131 BW. De bepaling brengt – ook – mee dat ingeval het te verrekenen bedrag groter is dan het te betalen bedrag, de verjaring eraan in de weg kan staan dat het meerdere door de ondernemer aan de consument moet worden terugbetaald.
Tenslotte overweegt de commissie dat de verjaring een aanvang neemt vanaf het (subjectieve) moment van de bekendheid van de consument met de vordering en de ontvanger, in ieder geval twintig jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Zie artikel 3:309 BW. In dit geschil heeft de consument binnen de subjectieve termijn van vijf jaar na de bekendheid met de vordering en de ontvangen aanspraak op betaling gemaakt, zodat van verjaring geen sprake is. Van een geslaagd beroep op verjaring kan pas sprake zijn als de consument die bekend raakt met zijn vordering en de ontvanger daarvan, meer dan vijf jaar wacht met de opeising daarvan.
De kwestie van het alsnog in rekening gebrachte verbruik
De commissie is van oordeel dat de consument een beroep op verjaring toekomt voor wat betreft het op de aanvullend factuur van 13 maart 2024 in rekening gebrachte verbruik van energie. Artikel 7:28 BW houdt een verjaringstermijn van 2 jaar in. Zodat het niet in rekening gebrachte verbruik van voor 13 maart 2022 is verjaard. De commissie volgt de consument voor wat betreft de opeisbaarheid van de vordering is volgt de opvatting die ook is terug te vinden in de door de consument aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag. De opeisbaarheid vangt aan op het moment van het vervallen van de termijn van betaling van de betreffende jaarnota.
De commissie is niet van oordeel dat een consument die geen meterstanden opgeeft daarmee zondermeer zijn recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te doen, te meer nu het verzamelen van de meetgegevens tot de primaire taak van de ondernemer behoort en in dit geschil de ondernemer niet heeft weersproken dat de consument een hoger te betalen voorschot voorstelde dat door de ondernemer werd teruggedraaid. Evenmin is gebleken dat de consument bewust de standen niet heeft doorgegeven om te zijner tijd een beroep op verjaring te kunnen doen. Ook stond het de consument vrij om niet in te gaan op een verzoek van de netbeheerder om een slimme meter te plaatsen.
Het bovenstaande brengt mee dat de ondernemer de onverschuldigd betaalde bedragen voor de huur van een CV-ketel aan de consument dient te restitueren en deze mag verrekenen met het bedrag van het alsnog door de ondernemer in rekening gebrachte verbruik, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:28 BW.
Gelet op het bovenstaande wordt het depotbedrag aan de consument teruggestort.
Buitengerechtelijke kosten
Partijen twisten ook nog over de over en weer verschuldigde incassokosten kosten. Beide partijen maken aanspraak op deze kosten.
De commissie heeft uit de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen welke partij op welke moment in verzuim is geraakt met het voldoen aan de respectievelijke verplichtingen en voorts blijkt uit de stukken, dat de consument eerst na het indienen van de klacht daarop aanspraak heeft gemaakt.
Het komt de commissie het meest juist voor dat beide partijen afzien van incassokosten. De commissie zal daarover in ieder geval geen beslissing nemen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer restitueert aan de consument de vanaf 2013 in rekening gebrachte kosten voor de huur van een CV-ketel.
De ondernemer stelt met inachtneming van de verjaring een nieuwe aanvullende nota op van het niet in rekening gebrachte verbruik.
Betaling c.q. verrekening van de bedragen dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden.
Voorts wordt aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening gebracht.
Het depotbedrag van € 1.820,74 wordt aan de consument teruggestort.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 14 januari 2026.