Commissie voorlopig bevoegd in klacht over mogelijke oneerlijke contractwijziging

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bevoegdverklaring   Uitkomst: bevoegd   Referentiecode: 619554/1011596

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een leverancier klaagde dat een afnemer de voorwaarden van hun leveringsovereenkomst eenzijdig had gewijzigd. Volgens hem kreeg hij maar twee weken om akkoord te gaan met een nieuwe overeenkomst met lagere prijzen, beperkingen in volume en voorwaarden waar hij geen invloed op had. Hij vond dat dit neerkwam op een oneerlijke handelspraktijk. De afnemer stelde dat er niets was gewijzigd, maar dat hij de bestaande overeenkomst volgens het contract had opgezegd per 1 januari 2027. De commissie kon op dat moment nog niet beoordelen of werkelijk sprake was van een verboden eenzijdige wijziging volgens de Wet oneerlijke handelspraktijken. Daarom oordeelde de voorzitter dat de klacht voorlopig ontvankelijk is en dat de commissie voorlopig bevoegd is om de zaak te behandelen. De leverancier moet nu met concrete feiten en voorbeelden duidelijk maken waar de eenzijdige wijziging of ongewenste betalingen precies uit bestaan. Daarna mag de afnemer schriftelijk reageren en volgt een mondelinge behandeling. De verdere beslissing wordt aangehouden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft een klacht over eenzijdige wijzigingen of wijzigingen met terugwerkende kracht in contracten en voorwaarden en de leverancier laten betalen voor zaken die geen verband houden met de verkoop van de producten.

Standpunt van de leverancier

Voor het standpunt van de leverancier verwijst de voorzitter naar de overgelegde stukken. De leverancier omschrijft zijn klacht als volgt:

“Eenzijdige buitenproportionele contractwijziging. Het volume, dat in het verleden geen beperking kende, wordt nu beperkt. Voor het 75% v/h volume geldt een door afnemer vastgestelde jaar prijs met onbeperkt aantal korting restricties en een de rest een lagere B prijs, waar in het verleden een marktconforme kwartaalprijs gold voor 100 % onbeperkt. Bedenktijd is 14 dagen (met twee weekeinden erin) en anders beëindiging contract. Niet relevante voorwaarden, factoren waar wij geen invloed op hebben en geen inzicht in hebben worden aan ons doorberekend. Art 2.6 prijsregeling: geen beperking van omstandigheden om verdere prijsdalingen eenzijdig door te voeren. In leveringsovereenkomst Art1 lid 5 wordt voor eenzijdige aanpassing akkoordverklaring geëist”.

De leverancier heeft de afnemer gevraagd of er een gesprek mogelijk is. Daarop heeft de afnemer aangegeven dat er tot de beslis- en tekenperiode alleen een toelichting wordt gegeven op het voorstel. Na deze periode zou een gesprek mogelijk zijn, maar geen weg terug of wijziging.

Standpunt van de afnemer

Voor het standpunt van de afnemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De bevoegdheid van de commissie op basis van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (Wet OHP) berust op artikel 3 van het reglement van de commissie dat verwijst naar de artikelen 2 tot en met 4 Wet OHP. De leverancier beroept zich op schending van artikel 2 lid 1 sub c en d.

Hiervan is geen sprake gelet op het hiernavolgende.

Tussen partijen is een leveringsovereenkomst van kracht. Krachtens artikel 2 heeft die een looptijd vanaf 1 januari 2022 en geldt die voor onbepaalde tijd, met een opzeggingsmogelijkheid met inachtneming van een opzegtermijn van 2 jaar. In artikel 2 lid 2 is bepaald dat de overeenkomst niet eerder door opzegging mag eindigen dan met ingang van 1 januari 2027. De afnemer heeft gebruik gemaakt van deze opzeggingsbevoegdheid en de overeenkomst bij brief en e-mail van 27 september 2024 opgezegd. (Deze stukken heeft de afnemer in deze ingebracht.) Hierdoor zal de overeenkomst per 1 januari 2027 niet meer van kracht zijn.

Gezien deze stand van zaken is er geen sprake van het wijzigen van contracten of voorwaarden. De afnemer maakt slechts gebruik van een wederzijds geldende contractuele bevoegdheid en zal de leveringsovereenkomst tot het einde van de geldingstermijn blijven nakomen zoals overeengekomen.

Artikel 2 lid 1 sub c Wet OHP heeft betrekking op het eenzijdig wijzigen van een bestaande overeenkomst en die situatie is hier niet van toepassing. Er is immers geen sprake van een wijziging. Terzijde wordt opgemerkt dat van terugwerkende kracht al helemaal geen sprake is, wat overigens ook geen vereiste is om binnen de reikwijdte van genoemde bepaling te vallen.

Het beroep op artikel 2 lid 1 sub d Wet OHP, het verlangen door de afnemer van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier, kan de ondernemer niet plaatsen en is niet onderbouwd. De afnemer kan hierover daarom slechts opmerken dat een dergelijke handelspraktijk niet aan de orde is.

De afnemer heeft dan ook geen bestaand contract of voorwaarde eenzijdig gewijzigd, noch betalingen gevraagd die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van klager.

De commissie wordt verzocht zich onbevoegd te verklaren, dan wel de leverancier in de klacht niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de klacht af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Op de voet van artikel 2 lid 3 van het in deze van toepassing zijnde reglement zal de voorzitter van de commissie beslissen over de bevoegdheid van de commissie en de ontvankelijkheid van de leverancier in zijn klacht.

De voorzitter van de commissie heeft het volgende overwogen.

Wat betreft de bevoegdheid van de commissie en de ontvankelijkheid van de leverancier in zijn klacht is het voorlopig oordeel dat de commissie bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en de leverancier in zijn klacht kan worden ontvangen.

De voorzitter van de commissie overweegt daartoe als volgt.

In deze komt in ieder geval naar voren dat partijen een leveringscontract met elkaar zijn overeengekomen voor onbepaalde tijd. De afnemer geeft weliswaar aan dat gebruik is gemaakt van de contractuele mogelijkheid de overeenkomst op te zeggen, echter uit hetgeen de leverancier heeft aangegeven zou dit ook verband kunnen houden met de omstandigheid dat deze geweigerd heeft akkoord te gaan met de nieuwe gewijzigde prijs- en praktijkregeling en de op 9 september 2024 per brief aan de leverancier bijgesloten nieuwe leveringsovereenkomst.

Aldus beschouwd kan thans niet de rechtsvraag worden uitgesloten dat er sprake is van een eenzijdig wijzigen van een bestaande overeenkomst als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub c Wet OHP. De leverancier dient zijn hiervoor weergegeven betoog op dit punt wel nader te concretiseren met feiten en omstandigheden.

Wat betreft het eventuele beroep van de leverancier op artikel 2 lid 1 sub d Wet OHP, te weten het verlangen door de afnemer van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier wordt de leverancier, gelet op hetgeen de afnemer hierover heeft aangevoerd in de gelegenheid gesteld ook dit nader te concretiseren en te onderbouwen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich voorlopig bevoegd en de leverancier voorlopig ontvankelijk in zijn klacht en stelt de leverancier in de gelegenheid geconcretiseerd en onderbouwd aan te geven hetgeen hiervoor door de commissie is overwogen. De hiervoor verlangde aanvullende informatie dient uiterlijk binnen een maand na verzending van deze uitspraak door de commissie ontvangen te zijn en wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de afnemer gezonden. Deze wordt in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk binnen een maand een schriftelijke reactie aan de commissie kenbaar te maken. De commissie zal vervolgens een mondelinge behandeling bepalen.

De commissie houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 19 mei 2025.

Opslaan als PDF