Commissie: Energie
Categorie: Jaarafrekening
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: -
Uitkomst: aanvullende informatie nodig
Referentiecode:
1319354/1321209
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over
De consument vindt dat de ondernemer ten onrechte terugleverkosten in rekening brengt, omdat deze kosten niet in zijn contract uit 2021 staan en er geen recht is om nieuwe kosten toe te voegen. De ondernemer zegt dat terugleverkosten wel zijn toegestaan op basis van hun voorwaarden en dat klanten hierover zijn geïnformeerd, maar erkent dat dit mogelijk niet volledig of op tijd is gebeurd. De commissie moet zelf onderzoeken of de ondernemer deze kosten wel mag invoeren, omdat dit afhangt van een wijzigingsbeding waarvan de rechtsgeldigheid nu bij de Hoge Raad ligt. Omdat de Hoge Raad binnenkort uitspraak doet en die uitspraak belangrijk is voor dit geschil, stopt de commissie voorlopig met de behandeling van de zaak totdat de Hoge Raad heeft beslist.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De ondernemer voert een nieuwe post op de jaarafrekening op: terugleverkosten. De consument betoogt dat dit niet geoorloofd is. Nu de ondernemer zijn bevoegdheid impliciet meent te ontlenen aan het door haar gewijzigde artikel 19.3 van de Algemene Voorwaarden, over de rechtsgeldigheid c.q. vernietigbaarheid waarvan de Hoge Raad zich in cassatie binnen afzienbare tijd zal uitspreken, houdt de commissie de verdere behandeling van deze zaak aan, totdat de Hoge Raad zich daarover bij arrest heeft uitgesproken.
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 1 juni 2021 met de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van elektriciteit. De consument is van mening dat de ondernemer ten onrechte vanaf 1 juli 2024 terugleverkosten in rekening brengt.
De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Mijn klacht betreft het onrechtmatig in rekening brengen van terugleverkosten door de ondernemer binnen mijn energiecontract dat op 1 juni 2021 is ingegaan.
In mijn contract en bijbehorende voorwaarden staat geen enkele bepaling die de ondernemer het recht geeft om nieuwe kostenposten, zoals terugleverkosten, in te voeren. Ook is er geen wijzigingsbeding opgenomen dat de ondernemer de bevoegdheid geeft om het contract eenzijdig te wijzigen.
Desondanks heeft de ondernemer per 1 juli 2024 een volledig nieuwe kostenpost (“terugleverkosten”) aan mijn contract toegevoegd. Deze kosten zijn vervolgens doorlopend in rekening gebracht in:
• de jaarrekening 22 mei 2024 t/m 21 mei 2025 (€ 852,37 inclusief btw), en
• de periode 22 mei 2025 t/m heden, verwerkt in mijn voorschotbedrag van € 200,- per maand.
Ondanks mijn bezwaar, ingebrekestelling en verzoek tot correctie weigert de ondernemer de onrechtmatige kosten te verwijderen of terug te betalen.
De ondernemer beschouwt terugleverkosten als prijswijziging, terwijl de kantonrechter Amsterdam op 18 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6645) heeft vastgesteld dat terugleverkosten geen prijswijziging zijn, maar een nieuwe kostenpost.
Ik verzoek de ondernemer om per direct te stoppen met het in rekening brengen van terugleverkosten en deze kosten volledig uit mijn facturatie te verwijderen, aangezien deze geen enkele contractuele grondslag hebben binnen mijn overeenkomst van 1 juni 2021.
Ik verzoek om restitutie van:
a) € 852,37 (inclusief btw) over de periode 22 mei 2024 t/m 21 mei 2025;
b) alle terugleverkosten vanaf 22 mei 2025 tot heden, inclusief de bedragen verwerkt in het huidige voorschot van € 200,- per maand;
c) wettelijke rente (art. 6:119 BW) over alle bedragen vanaf de respectieve betaaldata.
Ik verzoek tevens een volledig overzicht per maand van alle vanaf 22 mei 2025 door de ondernemer berekende terugleverkosten.
Mijn termijnbedrag van € 200,- per maand is uitsluitend het gevolg van deze onrechtmatige kostenpost. Ik verzoek om een nieuwe berekening van mijn termijnbedrag zonder terugleverkosten, met onmiddellijke ingang.
Inmiddels is de ondernemer bereid het volledige financiële deel te vergoeden (€ 1.732,43 inclusief hoofdsom, rente en klachtengeld). Dat waardeer ik. Tegelijkertijd kan ik met het voorstel in de huidige vorm niet instemmen, omdat daarin geen afspraken worden gemaakt over de toekomstige toepassing van terugleverkosten onder mijn huidige contract.
Juist dit punt vormt de kern van het lopende geschil bij de Geschillencommissie. Een schikking is voor mij uitsluitend mogelijk indien daarin expliciet en ondubbelzinnig wordt vastgelegd dat de ondernemer onder mijn huidige overeenkomst (ingangsdatum 1 juni 2021) geen terugleverkosten in rekening brengt, zolang deze overeenkomst ongewijzigd voortduurt en zonder dat ik daarmee uitdrukkelijk instem.
Zonder deze bepaling zou een schikking neerkomen op afkoop van het verleden, terwijl de contractuele rechtsvraag voor de toekomst onbeslecht blijft. Dat is voor mij niet aanvaardbaar.
De door de ondernemer aangeboden vergoeding van € 1.732,43 ziet uitsluitend op de reeds in rekening gebrachte terugleverkosten en bijbehorende rente en klachtengeld.
Indien de ondernemer na schikking terugleverkosten blijft toepassen, komt daar een structurele kostenpost bovenop. In dat scenario dient het schikkingsbedrag te worden aangevuld met de contante waarde van deze toekomstige kosten, berekend vanaf de schikkingsdatum deze bedraagt € 31.005,07. In dat scenario komt het totale schikkingsbedrag uit op € 32.737,50.
Ik wens mijn energiecontract bij de ondernemer te behouden onder de oorspronkelijke voorwaarden zoals overeengekomen op 1 juni 2021. Mijn bezwaar richt zich uitsluitend tegen de door de ondernemer ingevoerde onrechtmatige terugleverkosten.
Ik verzoek de ondernemer schriftelijk te bevestigen dat geen nieuwe kostensoorten zullen worden ingevoerd zonder expliciete goedkeuring vanuit mijn kant.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument geeft aan dat hij het oneens is dat wij terugleverkosten bij hem in rekening brengen.
Wij brengen vanaf 1 juli 2024 terugleverkosten in rekening aan klanten die stroom terugleveren. Klanten die terugleveren veroorzaken hogere kosten dan klanten die niet terugleveren. Het rekenen van terugleverkosten zorgt ervoor dat de kosten van teruglevering blijven bij de klanten die ze veroorzaken.
Klanten met een variabele overeenkomst hebben op 31 mei 2024 een brief/mail van ons ontvangen met de nieuwe tarieven per 1 juli 2024, inclusief de terugleverkosten. Deze communicatie bevatte tevens de nieuwe Productvoorwaarden waarin deze terugleverkosten ook zijn opgenomen. Klanten hebben hierbij een bedenktermijn ontvangen en de mogelijkheid om kosteloos op te zeggen, c.q. over te stappen naar een andere leverancier.
De Autoriteit Consument en Markt heeft de afgelopen jaren meermaals onderzoek gedaan naar terugleverkosten en geoordeeld dat leveranciers deze in rekening mogen brengen en dat de gehanteerde kosten niet onredelijk zijn.
Wij kunnen ons dan ook niet vinden in de stellingen van de consument dat wij geen terugleverkosten in rekening zou mogen brengen. Wij hebben de terugleverkosten geïntroduceerd op grond van onze Algemene Voorwaarden en Productvoorwaarden.
Verder zijn de vonnissen waarnaar de consument in de klacht verwijst hierbij niet relevant. Die uitspraken gaan over een andere leveranciers en zijn gewezen op basis van de specifieke feiten van die zaken. De betreffende uitspraak (uitspraken) heeft (hebben) geen betrekking op ons. Bovendien kunnen wij de conclusies die de klant aan deze vonnissen verbindt niet volgen omdat in die zaken voorlag of bepaalde productvoorwaarden van toepassingen waren of niet. Dat is een andere situatie dan waar deze klacht over gaat.
Wij menen dan ook dat de door de klant geuite bezwaren over terugleverkosten ongegrond zijn.
Voor zover de Geschillencommissie van mening zou zijn dat de wijzigingen inzake de terugleverkosten ambtshalve verder dienen te worden onderzocht en te bepalen of de invoering van terugleverkosten (wijziging) wel een voldoende grondslag heeft en rechtsgeldig zijn, verzoeken wij de Geschillencommissie de verdere behandeling van de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad zich bij arrest heeft uitgesproken over het wijzigingsbeding van de Algemene Voorwaarden. Net zoals bij alle andere dossiers die bij de Geschillencommissie in behandeling zijn waarin het wijzigingsbeding ter discussie staat.
Wij verwijzen hierbij ook naar onze brief van 2 juni 2025 waarin wij om verdere aanhouding hebben verzocht van geschillen die over het wijzigingsbeding gaan.
Wij blijven bij ons standpunt dat de terugleverkosten contractueel zijn toegestaan binnen een overeenkomst voor onbepaalde tijd met variabele tarieven. Wel constateren wij dat de consument mogelijk niet tijdig en/of niet volledig is geïnformeerd over de invoering van de terugleverkosten per 1 juli 2024. Hoewel dit geen erkenning inhoudt dat de terugleverkosten onterecht of onrechtmatig zijn toegepast, zijn wij bereid uitsluitend uit coulance en ter finale afdoening van dit geschil een schikkingsvoorstel te doen. Dit voorstel houdt in dat wij, ter compensatie van de op de jaarafrekening in rekening gebrachte terugleverkosten van
€ 852,37, de aanvullende vergoeding over de daaropvolgende 110 dagen tot en met heden van € 288,94, en restitutie van het betaalde klachtengeld van € 52,50, een afgerond totaalbedrag van € 1.200, vergoeden. Indien de consument met dit voorstel instemt, zullen wij dit bedrag binnen één week na datum van zijn akkoord via de Geschillencommissie overmaken naar het bij ons bekende rekeningnummer, waarbij geldt dat de consument vanaf heden als voldoende geïnformeerd wordt beschouwd, de terugleverkosten vanaf dit moment regulier van toepassing blijven en de klacht hiermee als volledig en definitief afgedaan wordt beschouwd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument weliswaar niet over de rechtsgeldigheid, (“eerlijkheid”) van het wijzigingsbeding van artikel 19.3 van de door de ondernemer gehanteerde Algemene Voorwaarden, noch over de door de ondernemer eenzijdig gewijzigde/aangevulde Algemene Voorwaarden en Contractvoorwaarden, maar dat ontslaat de commissie niet – ambtshalve – te onderzoeken of de door de ondernemer voorgestelde wijzigingen wel een voldoende grondslag hebben en rechtsgeldig zijn. Dat klemt te meer nu de consument er op wijst dat de ondernemer terugleverkosten als prijswijziging beschouwt, terwijl de kantonrechter Amsterdam op 18 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6645) heeft vastgesteld dat terugleverkosten geen prijswijziging zijn, maar een nieuwe kostenpost.
Met name nu de ondernemer zijn bevoegdheid impliciet meent te ontlenen aan het door haar gewijzigde artikel 19.3 van de Algemene Voorwaarden, over de rechtsgeldigheid c.q. vernietigbaarheid waarvan de Hoge Raad zich in cassatie binnen afzienbare tijd zal uitspreken, zal de commissie (ook) de verdere behandeling van deze zaak aanhouden, totdat de Hoge Raad zich daarover bij arrest heeft uitgesproken.
Dit strookt met het beleid van de commissie en heeft blijkens de brief van de ondernemer van 25 april 2025 ook de instemming van de ondernemer, nu daarin wordt verzocht alle zaken waarin het Wijzigingsbeding ter discussie staat, aan te houden totdat in de cassatieprocedure uitspraak is gedaan.
Partijen zullen dan ook te zijner tijd in de gelegenheid worden gesteld, om schriftelijk dan wel des verzocht mondeling op een nadere zitting, te reageren op het binnen afzienbare tijd te verwachten arrest van de Hoge Raad, waarna de commissie bindend zal adviseren.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie houdt iedere – verdere – beslissing aan totdat de Hoge Raad heeft beslist in cassatie van het arrest van gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025, (ECLI:NL:GHAMS:2025:704).
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer R.A. Timmer, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 9 februari 2026.