Commissie: Kinderopvang
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1312580/1314970
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Het geschil gaat over de opvang van de zoon van de consument en de manier waarop de kinderopvangorganisatie hiermee heeft gehandeld. De consument vindt dat haar zoon onvoldoende begeleiding kreeg, dat zij niet goed werd geïnformeerd over bijtincidenten en dat de opvang het contract onterecht en zonder waarschuwing heeft beëindigd. De ondernemer stelt dat het bijtgedrag vanaf juni 2025 toenam en dat twee ernstige incidenten op 8 en 9 september 2025 maakten dat intensieve één-op-één begeleiding nodig was, die zij niet konden bieden. Daarom werd de jongen geschorst en werd de overeenkomst op 18 september 2025 beëindigd. De commissie beoordeelt dat een opvang het contract alleen mag opzeggen wanneer daarvoor een zwaarwegende reden bestaat, zoals gevaar voor andere kinderen. Uit de beschikbare stukken blijkt echter niet voldoende dat sprake was van langdurig ernstig of grensoverschrijdend gedrag, omdat de ondernemer veel incidenten niet duidelijk heeft vastgelegd. Ook heeft de ondernemer niet bewezen dat de consument tijdig en volledig is geïnformeerd of dat zij officieel is gewaarschuwd voor mogelijke schorsing of beëindiging, terwijl dit volgens de regels wel moet. Daarnaast is niet duidelijk waarom de opvang het verzoek van de consument om tijdelijk tijd te krijgen voor alternatieve oplossingen heeft afgewezen. Ook is het stappenplan uit het Protocol Opvallend Gedrag niet volledig afgerond: een geplande evaluatie van eerdere stappen werd niet afgewacht. Daarom oordeelt de commissie dat de ondernemer onzorgvuldig heeft gehandeld en de overeenkomst ten onrechte heeft beëindigd. De klacht van de consument is gegrond. De ondernemer moet het klachtengeld van € 25 terugbetalen. De gevraagde schadevergoeding wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de weigering van de toegang aan de zoon van de consument en vervolgens de opzegging van de overeenkomst aangaande de opvang van de zoon van de consument.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De consument klaagt over de gang van zaken rondom de opvang van haar zoon bij de ondernemer, zowel op locatie [naam locatie A] als locatie [naam locatie B], alsmede de daaropvolgende beëindiging van de opvangovereenkomst.
De zoon van de consument begon de opvang op locatie [naam locatie A], waar hij op zijn eerste dag zelf slachtoffer werd van bijtgedrag door een ander kind. Pas later begon de zoon van de consument incidenteel zelf te bijten, hetgeen is besproken met de pedagogisch medewerkers en mentor.
Op verzoek van de consument werd tijdelijk een heen-en-weer boekje bijgehouden, dat werd beëindigd toen het bijtgedrag afnam en mondelinge terugkoppeling plaatsvond. Toen het bijtgedrag iets frequenter werd, is kortdurend 1-op-1 begeleiding geïndiceerd en ingezet. Deze ondersteuning werd echter gestaakt wegens een tekort aan personeel.
Hierna schakelde de consument het WIJ-team in, maar de ondernemer weigerde aanvullende observaties met als reden dat er reeds voldoende observaties zouden zijn verricht. Daardoor is nooit vastgesteld op welke momenten en voor welke duur extra begeleiding noodzakelijk was.
De consument ontdekte dat haar zoon soms in een stoel werd vastgezet wegens zogenoemd onhandelbaar gedrag. De consument werd daarbij verteld dat dit gebeurde zodat andere kinderen ongestoord konden spelen, terwijl de zoon van de consument apart moest zitten. Tijdens het tafelmoment mocht de zoon van de consument weer gaan spelen. Hierdoor werd hij geïsoleerd van zijn leeftijdsgenoten, hetgeen zijn sociale ontwikkeling ernstig heeft belemmerd.
De consument heeft hiervoor nooit toestemming gegeven en ook is het nooit met de consument besproken. De ondernemer heeft niet conform de zorgplicht het consultatiebureau of de jeugdarts betrokken, in overleg met de consument. Uiteindelijk werd de opvangovereenkomst voor deze locatie na een gesprek met de manager per direct beëindigd zonder opzegtermijn, waardoor de consument werk en inkomsten is misgelopen.
Uiteindelijk is de zoon van de consument in februari 2025 naar een andere locatie van de ondernemer gegaan. Deze locatie was op de hoogte van het incidentele bijten. De eerste weken leek het goed te gaan. In juni 2025 gaf de ondernemer aan dat sprake was van een toename van (bijna-) bijtincidenten. In deze periode waren er personeelswisselingen, heeft een tijdelijke verhuizing naar een andere locatie plaatsgevonden en was de groep volledig bezet. De incidenten vonden plaats tijdens het samenspelen met andere kinderen. De pedagogisch medewerkers hebben toestemming gevraagd voor een observatiemoment door een gedragswetenschapper om meer handvatten te krijgen voor de begeleiding van de zoon van de consument. Ook werden de opvangdagen aangepast aan de aanwezigheid van zijn mentor, om te onderzoeken of dit invloed had. Deze wissels zijn met toestemming van de consument uitgevoerd, maar hebben geen duidelijke aanleiding opgeleverd.
Kort daarna beperkte de ondernemer eenzijdig de opvang van de zoon van de consument tot halve dagen, zonder formeel overleg of schriftelijke correspondentie. In de middagen zou te weinig personeel aanwezig zijn. Op 12 september 2025 heeft de consument vernomen dat haar zoon per direct werd geschorst en een week niet mocht komen, in afwachting van een gesprek met de manager en mentor.
Tijdens het gesprek van 18 september 2025 werd de opvangovereenkomst per direct eenzijdig beëindigd, wederom zonder opzegtermijn, alternatieve oplossing, plan van aanpak of afstemming. Diverse suggesties van de consument werden niet benut en aanvullende trajecten werden niet afgewacht. Kort daarop zou immers een adviesgesprek met hulporganisaties plaatsvinden.
Het bijtgedrag van de zoon van de consument was niet buitensporig, deed zich niet voor in de thuissituatie of andere contexten en wisselde af met vele dagen waarop expliciet werd teruggekoppeld dat hij een goede dag had gehad zonder incidenten. De schorsing en beëindiging van de opvangovereenkomst d.d.
18 september 2025 zonder plan van aanpak, overgang, doorverwijzing of actieve ondersteuning is dan ook disproportioneel en onzorgvuldig. De consument is van mening dat de ondernemer zich onvoldoende heeft ingespannen om de juiste en noodzakelijke opvang en begeleiding te bieden aan de zoon van de consument en dat de overeenkomst onrechtmatig en eenzijdig is beëindigd. Daarbij is de consument niet gewaarschuwd voor mogelijke beëindiging van het contract; steeds werd de consument gezegd dat ‘het goed zou komen’. Officiële gesprekken over vervolgafspraken of een plan van aanpak hebben niet plaatsgevonden en er zijn onvoldoende alternatieven geboden.
Ook heeft een medewerker van [naam locatie B] zonder toestemming informatie gedeeld over de zoon van de consument met een medewerker van [naam locatie A], waardoor sprake is van een ernstige privacyschending.
Gezien alles wat heeft plaatsgevonden acht de consument herplaatsing onmogelijk en ongewenst. De consument wenst erkenning van de klacht en vergoeding van de geleden schade, bestaande uit inkomstenderving en bijkomende kosten.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Hoewel de ondernemer zich aantoonbaar heeft ingespannen om de opvang van de zoon van de consument voort te zetten en aanvullende begeleiding en ondersteuning te bieden, is de ondernemer tot de conclusie gekomen dat zich gegronde redenen hebben voorgedaan om de zoon van de consument de toegang tot de opvanglocatie te ontzeggen en de overeenkomst te beëindigen. De gegronde reden voor opzegging van de overeenkomst is gelegen in de noodzaak om de veiligheid en het welzijn van zowel de zoon van de consument als de overige kinderen te waarborgen, en om de kwaliteit en continuïteit van de opvang voor alle kinderen binnen de groep te kunnen blijven garanderen.
De ondernemer heeft de overeenkomst op 18 september 2025, nadat de opzegging in persoon is besproken, schriftelijk opgezegd met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van één maand. Daarnaast is de zoon van de consument met ingang van 11 september 2025 per direct geschorst, zonder voorafgaande waarschuwing, omdat een dergelijke waarschuwing in dit geval geen werkbare of verantwoorde oplossing zou hebben geboden.
Aangezien de consument niet heeft ingestemd met het voorstel om de opvang van haar zoon tijdelijk te beperken tot halve dagen — waardoor één-op-één begeleiding mogelijk zou zijn geweest — kon de ondernemer de opvang niet op een veilige en verantwoorde wijze voortzetten. Al met al geldt dat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, instandhouding van de overeenkomst redelijkerwijs niet van de ondernemer kon worden verlangd.
Gang van zaken
Al vanaf het begin van de opvang op [naam locatie A] was sprake van zorgen rondom het bijtgedrag en de ontwikkelingsachterstand van de zoon van de consument, wat met de consument is besproken en waarna is gehandeld conform het Protocol Opvallend Gedrag. Externe partijen zijn betrokken geweest ter observatie. [Naam locatie A] bleek echter geen passende locatie voor de zoon van de consument, omdat daar niet de juiste zorg geboden kon worden.
In overleg met de consument is haar zoon op locatie [naam locatie B] geplaatst, een groep gericht op kinderen met extra ondersteuningsbehoeften. De proefperiode van drie maanden verliep goed, maar wel was nog sprake van incidenteel bijtgedrag bij overprikkeling.
In juni 2025 verergerde het bijtgedrag en is met de consument besproken dat het op sociaal-emotioneel gebied niet goed gaat met haar zoon en dat hij zich door zijn taalontwikkeling moeilijk kenbaar kan maken tegenover anderen. Na observatie zou het stappenplan conform het Protocol Opvallend Gedrag doorlopen worden om te bezien of het bijtgedrag zou afnemen. Ook werd de logopedist opnieuw betrokken.
Uit de observatie bleek dat het terugdringen van het bijtgedrag een intensieve manier van begeleiden vereist. Ondanks de intensieve begeleiding en extra aandacht voor de zoon van de consument, vond op
8 september 2025 een ernstig bijtincident plaats, waarbij hij weigerde los te laten. Op 9 september 2025 deed zich opnieuw een ernstig bijtincident voor, waarna op 10 september 2025 een voorstel is gedaan om de opvang van de zoon van de consument te verminderen tot halve dagen.
De gedachte hierachter was dat de zoon van de consument één-op-één aandacht nodig heeft, waarbij de ondernemer extra inzet zou kunnen leveren — iets wat bij hele dagen niet haalbaar was. De consument heeft dit voorstel echter geweigerd.
Dit heeft geleid tot het besluit om de zoon van de consument van 11 tot en met 17 september 2025 tijdelijk de toegang tot de opvang te weigeren, omdat dat van een normale opvang redelijkerwijs niet kon worden verwacht. Zijn heftige bijtgedrag vormde immers een risico voor de lichamelijke gezondheid en veiligheid van de andere kinderen.
Naar aanleiding van de heftige bijtincidenten en de constatering dat het volledige stappenplan zorgvuldig is doorlopen, hebben de betrokken mentor, pedagogisch medewerker en de locatiemanager besloten op
18 september 2025 een oudergesprek te plannen. Daarin is de beëindiging van de overeenkomst besproken, omdat [naam locatie C] niet kan bieden wat de zoon van de consument nodig heeft en de ondernemer daarnaast de veiligheid en het waarborgen van voldoende zorg voor de andere kinderen en ouders dient te waarborgen.
Privacy
Gedurende de overplaatsing van de zoon van de consument heeft tussen [naam locatie A] en [naam locatie C] geen formele overdracht van het dossier plaatsgevonden, zodat zijn persoonsgegevens vertrouwelijk zijn gebleven en alleen binnen de noodzakelijke begeleiding werden gebruikt. Voor zover een medewerker van locatie [naam locatie B] zonder toestemming informatie over de zoon van de consument heeft gedeeld met een medewerker van [naam locatie A], betreurt de ondernemer dit. Tegelijkertijd merkt de ondernemer op dat de betreffende gegevens ten alle tijde binnen de ondernemer zijn gebleven en niet aan derden buiten de organisatie zijn verstrekt, waardoor de privacy op elk moment is behouden.
Beoordeling van het geschil
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Vanaf 3 februari 2025 ontving de zoon van de consument opvang bij de ondernemer op locatie [naam locatie B]. De betreffende opvanggroep vangt kinderen op met een verhoogde begeleidingsbehoefte. Vanaf juni 2025 was volgens de ondernemer sprake van een toename in bijtgedrag bij de zoon van de consument. Interventies zoals een observatie en het Protocol Opvallend Gedrag zijn ingezet. Dit heeft voor de ondernemer niet het gewenste effect gehad.
Op 8 en 9 september 2025 was sprake van twee, volgens de ondernemer zeer ernstige bijtincidenten, waarbij de zoon van de consument niet los wilde laten. Volgens de ondernemer is het bijtgedrag van de zoon van de consument van zodanige aard dat intensieve één-op-één begeleiding nodig is om het bijtgedrag terug te brengen en de veiligheid van de andere kinderen te kunnen waarborgen. De ondernemer kan dergelijke begeleiding niet bieden en heeft de zoon van de consument na de incidenten in september 2025 geschorst, waarna de overeenkomst ook is beëindigd.
Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang.
Op grond van artikel 10 lid 3 van deze Algemene Voorwaarden is de ondernemer slechts bevoegd de overeenkomst op te zeggen op grond van een zwaarwegende reden.
Hiervan kan conform artikel 11 lid 2 van de Algemene Voorwaarden sprake zijn als het kind door ziekte of anderszins langdurig extra verzorgingsbehoeftig is, het kind en/of de ouder langdurig een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen en/of de dienstverlening van de ondernemer aan (de kinderen van) andere ouders langdurig belemmert of onevenredig verzwaart.
Verder heeft de ondernemer conform artikel 11 lid 2 van de Algemene Voorwaarden het recht het kind en/of de ouder de toegang tot de locatie te weigeren voor de duur van de periode dat een normale opvang van het kind redelijkerwijs niet van de Ondernemer mag worden verwacht en het kind niet op de gebruikelijke wijze kan worden opgevangen, verband houdende met eerder genoemde redenen.
Voordat de ondernemer op deze grond de toegang weigert, waarschuwt de ondernemer de ouder, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet kan worden verlangd vanwege de ernst of de spoed.
Zwaarwegende reden
De ondernemer heeft de overeenkomst opgezegd, voorafgegaan door een weigering van de toegang, omdat de zoon van de consument intensieve één-op-één begeleiding nodig zou hebben om zijn bijtgedrag te beteugelen en de ondernemer dergelijke begeleiding niet kan bieden.
Uit de door partijen overgelegde stukken kan de commissie niet opmaken dat sprake is van langdurig, ernstig disruptief of grensoverschrijdend gedrag door de zoon van de consument. Dat de incidenten op
8 en 9 september 2025 ernstiger van aard waren begrijpt de commissie uit de overgelegde stukken. Dit wordt door de consument ook niet betwist.
Echter, in de registratie van ongevallen die de ondernemer heeft overgelegd zijn de andere kennelijke incidenten, dan wel de aard of oorzaak daarvan, niet of zeer beperkt inhoudelijk beschreven. Ter zitting heeft de ondernemer aangevoerd dat niet alle incidenten zijn gerapporteerd. Dit maakt het voor de consument en voor de commissie niet mogelijk de aard en ernst van het (bijt-)gedrag vast te stellen. Op grond van de beschikbare informatie kan de commissie niet vaststellen dat sprake was van een situatie die dusdanig ernstig van aard is dat beëindiging van de overeenkomst gerechtvaardigd was.
In zoverre is de klacht van de consument gegrond.
Zorgvuldigheid opzegging
De consument heeft aangevoerd dat zij slechts over één bijtincident is geïnformeerd, waarna de schorsing direct heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de overige kennelijke incidenten stelt zij nooit te zijn geïnformeerd. De incidenten van 8 en 9 september 2025 zijn evident met de consument besproken. Voor de overige (bijna-)incidenten kan de commissie dat echter niet vaststellen.
De commissie benadrukt dat het bijtgedrag van de zoon van de consument blijkens de gespreksverslagen van april en juni 2025 in zijn algemeenheid een terugkerend onderwerp van gesprek is geweest, maar dat specifieke bijtincidenten met de consument zijn besproken is niet vast te stellen. In de registratie van ongevallen die de ondernemer heeft overgelegd staat weliswaar aangekruist dat het betreffende incident met de consument is besproken, maar op welke wijze dit heeft plaatsgevonden is niet nader geconcretiseerd of gemotiveerd.
De consument heeft aangevoerd dat de ondernemer haar meermaals gerust heeft gesteld, door stellingen als “het komt wel goed”. De ondernemer heeft deze uitingen onvoldoende gemotiveerd betwist. Ter zitting waren immers geen medewerkers aanwezig die direct betrokken waren bij de opvang- en ophaalmomenten van de zoon van de consument.
Verder is conform de Algemene Voorwaarden het geven van een officiële waarschuwing alvorens tot schorsing dan wel beëindiging van de overeenkomst kan worden overgegaan, voorgeschreven. De commissie is uit zowel de overgelegde stukken als het besprokene ter zitting niet gebleken dat een dergelijke waarschuwing aan de consument is gegeven. Weliswaar zijn zorgen over haar zoon met de consument besproken, maar niet is de consument meegedeeld dat bij herhaling of continuering van het (bijt-)gedrag, haar zoon zou worden geschorst of de overeenkomst zou worden beëindigd.
De commissie volgt de ondernemer niet in het standpunt dat de consument het voorstel om halve dagen opvang aan te bieden ten onrechte heeft afgewezen.
De consument heeft dit standpunt gemotiveerd betwist en ter zitting toegelicht dat zij zich wel degelijk bereid heeft getoond deze oplossing te overwegen, maar de ondernemer heeft verzocht om een tijdelijke time-out teneinde voor de overige halve dagen alternatieve opvang te organiseren. De commissie is niet gebleken, en het is haar ook ter zitting niet duidelijk geworden, om welke reden de ondernemer dit verzoek van de consument zonder nadere afweging heeft afgewezen.
Ten slotte overweegt de commissie dat de ondernemer weliswaar heeft getracht het stappenplan overeenkomstig het Protocol Opvallend Gedrag zorgvuldig te doorlopen, maar daarbij is een wezenlijk onderdeel nagelaten, namelijk het evalueren van de reeds doorlopen stappen. Juist nu deze evaluatie op korte termijn stond gepland, is de commissie niet duidelijk geworden waarom de ondernemer deze evaluatie niet heeft afgewacht dan wel heeft vervroegd alvorens verdere maatregelen te treffen.
Conclusie en schadevergoeding
De klacht van de consument is gegrond. Nu de klacht van de consument gegrond is dient de ondernemer, onder verwijzing naar het Reglement Geschillencommissie Kinderopvang, het door de consument betaalde klachtengeld te vergoeden.
De consument heeft daarnaast een vordering ingediend ter vergoeding van geleden schade, bestaande uit inkomstenderving en bijkomende kosten. Naar het oordeel van de commissie is deze vordering in het geheel niet geconcretiseerd of onderbouwd. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer een bedrag van € 25, – aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. T. Blom, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 4 december 2025.