Commissie: Kinderopvang
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1289289/1310612
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over de opzegging van de kinderopvangovereenkomst tussen de consument en de ondernemer. De consument maakte al 18 jaar gebruik van dezelfde opvangorganisatie voor haar kinderen en haar driejarige zoontje zou tot april 2026 blijven. In juli 2025 vertelde de ondernemer dat de opvang zou stoppen vanwege een paar incidenten in de dagen daarvoor. Volgens de ondernemer was de veiligheid van het kind, de andere kinderen en de medewerkers niet meer te garanderen. De consument was het daar niet mee eens. Zij zegt dat er geen ernstig of langdurig probleemgedrag was, dat er geen duidelijk plan van aanpak is gemaakt en dat zij nooit is gewaarschuwd dat opzegging zou volgen. Ook stonden de incidenten niet in het ouderportaal en waren ze volgens haar niet met haar besproken. De ondernemer noemde later verschillende incidenten, maar die waren niet vastgelegd in het dossier en ook niet geëvalueerd. De commissie vindt dat de ondernemer de overeenkomst niet op een zorgvuldige manier heeft opgezegd. De schriftelijke opzegging was niet goed gemotiveerd, omdat niet duidelijk stond welke incidenten tot gevaar zouden hebben geleid. Ook waren de incidenten van 7, 8 en 9 juli volgens de commissie niet ernstig genoeg om direct beëindiging te rechtvaardigen; daarvoor moet sprake zijn van een langer durend patroon van gedrag en moet er samen met ouders serieus geprobeerd zijn het gedrag te verbeteren. Dat is niet gebeurd. Daarom bepaalt de commissie dat de ondernemer de overeenkomst onterecht heeft opgezegd. De consument krijgt gelijk en ontvangt het klachtengeld van €25 terug. De schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de consument deze niet voldoende heeft onderbouwd en omdat er geen bewijs is dat de kosten direct voortkwamen uit de opzegging.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de opzegging van de kinderopvangovereenkomst wegens zwaarwegende redenen, die volgens de ondernemer zijn gelegen in incidenten die zich op twee dagen voor de opzegging van de overeenkomst hebben voorgedaan.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument maakte voor de opvang van haar (driejarig) zoontje, gebruik van kinderopvang door de ondernemer. De overeengekomen einddatum van de opvang was 11 april 2026. Er was reeds een ‘opvangrelatie’ van 18 jaar voor verschillende kinderen van de consument met de ondernemer.
In verband met het feit dat de taal- cq spraakontwikkeling van zoontje (wat) achterbleef, is advies ingewonnen van een ergotherapeut en een logopedist. Het zoontje is geobserveerd op de opvang. Volgens de consument is achteraf gebleken dat met name gedragingen van zoontje zijn beoordeeld, terwijl de consument daarvoor geen toestemming had verleend. Vervolgens zijn de adviezen die de observatie hebben opgeleverd, door pedagogisch medewerkers op de opvang maar gedeeltelijk opgevolgd.
Op 10 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ondernemer en de consument over het gedrag van zoontje. In de dagen voor het gesprek zou sprake zijn geweest van een krab-incident en zoontje zou van een kastje zijn gesprongen met een lepel in zijn hand. Na het gesprek heeft de ondernemer een e-mail aan de consument gestuurd waarin de opvangovereenkomst met ingang van 25 juli 2025 werd ontbonden, omdat de veiligheid van zoontje en de andere kinderen niet langer kon worden gegarandeerd. De consument heeft daarop schriftelijk medegedeeld dat zij niet akkoord ging met de ontbinding. Op 18 juli 2025 heeft er nogmaals een gesprek plaatsgevonden, waarna de termijn voor beëindiging met twee weken is verlengd, zodat zoontje tot 8 augustus 2025 gebruik kon maken van de opvang van de ondernemer. Echter, als zich ondanks getroffen maatregelen opnieuw onveilige situaties zouden voordoen, zou de opvang direct zonder vooraankondiging worden beëindigd. Zoontje heeft om die reden geen gebruik gemaakt van de extra opvangmogelijkheid. Immers, als er zich weer een incident zou voordoen, zou de consument direct zonder opvang zitten.
Volgens de consument zijn er geen zwaarwegende redenen tot opzegging aangevoerd. Ook is er geen plan voor verbetering opgesteld met als uitgangspunt het gedrag te verbeteren en te evalueren. Voorts is er geen waarschuwing gegeven dat het contract zou worden opgezegd als bepaald gedrag zou voortduren.
Volgens de consument is in tegenstelling tot hetgeen de ondernemer beweert, tijdens de overdracht-momenten niet gecommuniceerd dat het niet goed ging. In het ouderportaal stonden de incidenten ook niet vermeld. Bovendien kunnen volgens de consument de vermeende incidenten die wel zijn genoemd de opzegging niet dragen. Volgens de consument is er geen sprake van een rechtsgeldige opzegging.
De consument heeft in eerste instantie geëist dat de opvang zou worden hervat, maar heeft de eis bij brief van 23 oktober 2025 gewijzigd, omdat de consument inmiddels een andere opvangplek voor zoontje had gevonden. De consument verzoekt de commissie te oordelen dat de overeenkomst onterecht is ontbonden, dat de ondernemer fouten heeft gemaakt en dat deze door de ondernemer worden erkend. Voort wenst de consument dat de ondernemer wordt veroordeeld excuses te maken en schadevergoeding te betalen.
De schade bestaat volgens de consument uit de volgende posten:
– De consument was genoodzaakt gedurende drie maanden minder te gaan werken, hetgeen een nettoverlies van € 279,– per maand tot gevolg had, dus in totaal € 837,–;
– De eerste twee weken na de opzegging moest de consument een oppas inhuren, hetgeen in totaal € 1.000,– heeft gekost;
– De consument heeft immateriële schade geleden doordat de situatie tot enorme stress, psychische klachten en emotionele schade heeft geleid. De consument acht voor deze schade een vergoeding van € 1.000,– op zijn plaats.
Volgens de consument is zoontje oneerlijk behandeld. Van het één op het andere moment werd de stekker uit de opvang getrokken, waardoor zoontje niet meer naar zijn veilige vertrouwde opvangplek toe kon. Volgens de consument heeft dit een grote impact op zoontje, haarzelf en het gezin gehad.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Volgens de ondernemer kon de veiligheid van zoontje, de andere kinderen en de medewerkers niet langer worden gegarandeerd als de opvang van zoontje zou worden voortgezet. Volgens de ondernemer is tijdens het gesprek op 10 juli 2025 medegedeeld dat de opvang zou worden beëindigd met een opzegtermijn van twee weken. De termijn van twee weken was bedoeld om de consument in de gelegenheid te stellen alternatieve opvang te vinden. Volgens de ondernemer heeft zoontje specialistischer en intensievere begeleiding nodig dan de ondernemer als regulier opvangbedrijf kan bieden.
Op 25 april 2024 heeft de ondernemer van de consument adviezen gekregen om de zelfregulatie van zoontje beter te regelen. Waar mogelijk heeft de ondernemer zich aan deze adviezen cq het plan gehouden, maar volgens de ondernemer had geen enkel plan van aanpak deze incidenten kunnen voorkomen. Het klopt dat er geen formeel plan van aanpak op papier is gezet, maar er zijn wel degelijk extra maatregelen genomen, zoals het opvolgen van de adviezen van de consument.
De ondernemer beroept zich wat betreft de opzegging op artikel 10 lid 2 sub b van haar algemene voorwaarden waarin is vermeld onder welke voorwaarden een ondernemer een kind of een ouder de toegang kan weigeren. Om een kind de toegang te weigeren op grond van zijn of haar gedrag moet het kind een risico of bedreiging vormen voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid van anderen en/of moet de dienstverlening van de ondernemer aan (de kinderen van) andere ouders worden belemmerd of onevenredig worden verzwaard. Gelet op de incidenten die zich hebben voorgedaan kon de veiligheid van zoontje, de andere kinderen en de pedagogische professionals niet worden gegarandeerd. Volgens de ondernemer zijn de door de consument betwiste incidenten wel met de ouders gedeeld: ze zijn vastgelegd in de overdrachtsrapportage, ze zijn besproken bij het ophalen van zoontje met zijn vader en tijdens de gesprekken op 10 juli en 18 juli 2025. Er hebben zich incidenten voorgedaan op 7, 8 en 9 juli 2025.
Na het gesprek op 18 juli 2025 is besloten de opvang nog twee weken langer voort te zetten omdat door de emoties de boodschap op 10 juli 2025 niet geheel is doorgedrongen tot de ouders.
De opvang zou worden voortgezet tot en met 8 augustus 2025. Gedurende die extra weken zou zoontje worden opgevangen in een andere groep waarvan de groepsgrootte kleiner is.
Uiteindelijk is door de ouders geen gebruik van gemaakt van dat aanbod.
In een brief van 22 juli 2025 aan de advocaat van de consument en aan de consument en haar partner zijn de volgende incidenten genoemd:
– slaan en krabben van een ander kind, waarna dat andere kind een bezoek moest brengen aan de huisartsenpost;
– spugen en slaan van pedagogische medewerkers;
– beklimmen van kasten en er vervolgens vanaf te springen bovenop andere kinderen;
– vastpakken van een ander kind bij de keel/hals en
– het zelfstandig verlaten van de groep via de tussendeur naar buiten.
Het contract is uiteindelijk beëindigd op 9 augustus 2025.
De ondernemer heeft verzocht de klacht ongegrond te verklaren en de vordering tot toekenning van schadevergoeding af te wijzen. Volgens de ondernemer ontbreekt het causaal verband tussen het handelen van de ondernemer en de gestelde schade en is de gestelde schade niet onderbouwd met bewijsstukken.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In de algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang is in artikel 10 (Einde van de overeenkomst) lid 3 vermeld dat de overeenkomst kan worden opgezegd als er sprake is van een zwaarwegende reden. Als zwaarwegende reden wordt in ieder geval aangemerkt (sub c): de situatie als bedoeld in artikel 11 lid 2 sub b. Artikel 11 lid 2 sub b van de algemene voorwaarden luidt: het kind en/of de ouder een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen, na te zijn gewaarschuwd, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet van de ondernemer mag worden verwacht. Deze gedragingen geven de ondernemer ook reden om het kind en/of de ouder de toegang tot de opvang te weigeren (artikel 11 lid 2 aanhef en onder b van de algemene voorwaarden).
Op grond van artikel 10 lid 4 van de algemene voorwaarden vindt de opzegging plaats door middel van een gemotiveerde schriftelijke verklaring.
De commissie ziet zich daarom voor een aantal vragen gesteld:
– Heeft de opzegging plaats gevonden door middel van een gemotiveerde schriftelijke verklaring?
De commissie concludeert dat de ondernemer per e-mail van 10 juli 2025, die is gestuurd nadat een gesprek met de consument heeft plaatsgevonden, de opvangovereenkomst heeft opgezegd. Volgens de e-mail is de reden van het stopzetten van de opvang dat de ondernemer de veiligheid van zoontje en de andere kinderen op de groep niet meer kan garanderen. De commissie is van oordeel dat deze opzegging, nu niet is gespecificeerd welke incidenten de veiligheid van zoontje en de andere kinderen in gevaar hebben gebracht, niet als een gemotiveerde schriftelijke verklaring worden aangemerkt.
– Is sprake van een zwaarwegende reden?
De commissie dient voorts te beoordelen of er sprake was van zwaarwegende redenen voor opzegging.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de incidenten die tot het opzeggen van de overeenkomst op
10 juli 2025 hebben geleid zich zouden hebben voorgedaan op 7, 8 en 9 juli 2025. De commissie is van oordeel dat de incidenten, zoals door de ondernemer omschreven, die zich in deze kortdurende periode hebben voorgedaan, niet kunnen worden aangemerkt als zwaarwegende redenen voor opzegging van de opvangovereenkomst. Daarvoor moet er sprake zijn van een langduriger gedragspatroon waarbij zich incidenten van deze aard voordoen. Bovendien zal moeten worden aangetoond dat er op basis van een, met de ouders besproken, plan van aanpak is geprobeerd het gedrag bij te sturen en moet uit beschreven evaluaties blijken dat die aanpak niet tot verbetering heeft geleid. Van een plan van aanpak, noch van deugdelijke verslaglegging van incidenten, is gebleken. Gebleken is dat er slechts sprake was van (ten dele) door de ondernemer uitgevoerde adviezen van de consument, die voor een belangrijk deel waren gericht op verbetering van spraak. Deze adviezen – die zich niet in het dossier bevinden – kunnen naar het oordeel van de commissie niet worden aangemerkt als een plan van aanpak. Bovendien is ook niet met de ouders geëvalueerd wat het effect van het in de praktijk brengen van de adviezen was.
De commissie is van oordeel dat de gemotiveerde schriftelijke verklaring niet voldoet aan de daaraan op basis van de algemene voorwaarden te stellen eisen. Ook de redenen die de ondernemer heeft aangevoerd kunnen de opzegging van de overeenkomst niet kunnen dragen. Van de ondernemer had mogen worden verwacht, ook gelet op de langdurige opvangrelatie, dat samen met de ouders tenminste was geprobeerd, door toepassing van de bij de ondernemer aanwezige pedagogische kennis, door deze ietwat lastige periode met zoontje heen te komen.
De commissie is op grond van vorenstaande van oordeel dat de klacht inhoudende dat de opzegging van de opvangovereenkomst onterecht was, gegrond is. De commissie overweegt ten overvloede dat zij niet aan de ondernemer kan opleggen een fout te erkennen en excuses te maken.
Wat betreft de schade die de consument stelt te hebben geleden, concludeert de commissie dat die schade niet is onderbouwd, maar ook dat er onvoldoende verband is aangetoond tussen de opzegging van de opvangovereenkomst en de gestelde schade. Wat betreft de kosten van het inhuren van een oppas voor de eerste twee weken van de opzegging, is de commissie van oordeel dat die kosten niet gemaakt hadden hoeven worden omdat zoontje nog tot 8 augustus 2025 had kunnen worden opgevangen door de ondernemer. Naar het oordeel van de commissie geeft het feit dat de opvang ook in die periode per direct had kunnen worden opgezegd, onvoldoende aanleiding om geen gebruik te maken van het aanbod van de ondernemer, nu de ondernemer naar het oordeel van de commissie voldoende maatregelen had getroffen om de opvang gedurende de relatief korte periode van de opzegtermijn goed te laten verlopen. Ten aanzien van de gevorderde schade als gevolg van het feit dat de consument gedurende drie maanden minder is gaan werken, is de commissie van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit noodzakelijk was als gevolg van het opzeggen van de opvangovereenkomst. Tenslotte is de commissie van oordeel dat de consument ook de gestelde immateriële schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De consument heeft immers ook deze schade niet onderbouwd.
De commissie wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding dan ook af.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,00 aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– bepaalt dat het klachtengeld binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer Y. Dragstra, mevrouw E.C. Rosemünd, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 7 november 2025.