Geschil over courtage en communicatie onvoldoende voor tuchtrechtelijk verwijt

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals    Categorie: Beëindiging overeenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1264573/1312585

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak betreft een klacht over de communicatie tussen een consument en haar makelaar rondom de intrekking of opschorting van een verkoopopdracht. Klaagster vond dat de makelaar onvoldoende duidelijk was over de gevolgen daarvan en ten onrechte aanspraak maakte op courtage. De commissie oordeelt dat sprake lijkt te zijn geweest van een misverstand in de communicatie, maar dat niet is gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de makelaar. De klacht wordt ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Standpunt van de klaagster

Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De klaagster had een verkoopopdracht jegens de beklaagde ingetrokken en zij had hier de beklaagde tijdig over geïnformeerd. De beklaagde heeft ook schriftelijk bevestigd dat de verkoopopdracht was ingetrokken. Desondanks kreeg de klaagster een onterechte factuur van € 2.964,50. Vervolgens stelde beklaagde voor een bedrag van € 1500,- contant te betalen.

De klacht ten aanzien van de courtage is reeds door de Geschillencommissie Makelaardij gegrond bevonden. De onderhavige klacht ziet dan ook niet op de courtage zelf, maar op het onethisch handelen van de beklaagde. Dit uitte zich in het laten bestaan van onduidelijkheid over de intrekking van de opdracht het hardnekkig vast houden aan een courtageclaim die achteraf ongegrond is bevonden en het voorstel een bedrag contant te betalen.

Standpunt van beklaagde

Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De beklaagde had van klaagster een verkoopopdracht ontvangen voor de verkoop van haar woning. Zonder overleg of mededeling aan de beklaagde heeft klaagster de woning uiteindelijk zelf verkocht, buiten bemiddeling door de beklaagde om. Op grond van de bemiddelingsovereenkomst was de beklaagde in dat geval gerechtigd tot courtage. Klaagster heeft geweigerd deze courtage te voldoen.

Naar aanleiding daarvan is er een geschil ontstaan dat door de Geschillencommissie Makelaardij in behandeling is. In een poging om het geschil minnelijk te schikken en verdere escalatie te voorkomen, heeft de beklaagde aan klaagster voorgesteld de kwestie af te doen tegen betaling van een bedrag van € 1.500,- zonder factuur. Tijdens een videocall, waarbij zowel klaagster als haar echtgenoot aanwezig waren, is dit voorstel besproken en is door hen mondeling ingestemd met de regeling. Op verzoek van klaagster is afgesproken dat de betaling enkele maanden later zou plaatsvinden. Enkele maanden later is geen betaling verricht, maar ontving de beklaagde in plaats daarvan een klacht waarin hij werd beschuldigd van onethisch handelen.

Het handelen van de beklaagde was uitsluitend gericht op het vinden van een redelijke oplossing voor een vastgelopen situatie. De beklaagde heeft daarbij te goeder trouw en in oprechte verzoeningsgezindheid gehandeld. Het voorstel om de zaak af te doen met een bedrag van € 1.500,- was bedoeld als een praktische schikking, niet als een poging om buiten wettelijke of fiscale kaders te handelen. Er was sprake van een informele mondelinge bespreking waarin gezocht werd naar een oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar was.
De intentie van de beklaagde was niet om regels te overtreden, maar om een langdurige en kostbare procedure te voorkomen en de relatie met de opdrachtgever op een nette manier af te sluiten.

Beoordeling van het geschil

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Op 19 september 2025 heeft de Geschillencommissie Makelaardij uitspraak gedaan in een geschil tussen de klaagster en beklaagde, ten aanzien van de betaalde courtage. Het onderhavige geschil ziet dan ook niet op de betaalde courtage, maar de klacht van de klaagster richt zich specifiek op het gebrek aan transparantie en tijdige communicatie rondom de kosten voor intrekking dan wel opschorting van de opdracht.

Toetsingskader
De commissie heeft tot taak het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van beklaagden ten tijde van de periode van de aansluiting (op welke wijze dan ook) bij één van de aangesloten organisaties, dat:

• mogelijk in strijd is met het bepaalde in de statuten van de aangesloten organisaties, reglementen, besluiten van zijn organisatie of relevante wet- en regelgeving en/of
• het vertrouwen in de stand van de sector, waarin beklaagde actief is of was, kan ondermijnen en/of
• in strijd is met de eer van die stand, respectievelijk de erecode dan wel gedragscode van zijn organisatie en/of
• in strijd is met bepalingen in de faciliteitenovereenkomst, voor zover van toepassing.

De commissie kan – indien zij komt tot een gegrondverklaring van de klacht – een sanctie opleggen, zoals genoemd in artikel 14 lid 2 van het reglement.

De commissie dient de vraag te beantwoorden of de beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens de klaagster in de communicatie rondom de kosten voor intrekking dan wel opschorting van de verkoopopdracht.

De klacht
De klacht van de klaagster ziet specifiek op het gebrek aan transparantie en tijdige communicatie rondom de kosten voor intrekking dan wel opschorting van de opdracht. De beklaagde zou de klaagster niet hebben geïnformeerd over de kosten die met het intrekken dan wel opschorten gepaard zouden gaan.

Beoordeling
Ter onderbouwing van haar klacht heeft klaagster verwezen naar de e-mailcorrespondentie van 24 april 2025, waarin is vermeld dat gedurende de daaropvolgende maanden de situatie zou worden afgewacht en dat de woning na de zomer opnieuw op funda.nl zou worden geplaatst.

Gelet op deze specifieke afspraak acht de commissie het begrijpelijk dat beklaagde zich in de tussenliggende periode niet tot klaagster heeft gewend met betrekking tot eventuele kosten. Beklaagde mocht er immers van uitgaan dat na de zomer opnieuw uitvoering zou worden gegeven aan de verkoopopdracht. Dat klaagster de woning in de tussentijd zelf heeft verkocht, doet hieraan niet af.
Wat partijen hierover tijdens het telefoongesprek in juli 2025, waarin klaagster beklaagde heeft geïnformeerd over de verkoop van de woning, precies hebben besproken, kan door de commissie niet worden vastgesteld.

De commissie acht het betreurenswaardig dat een misverstand in de communicatie heeft geleid tot de thans ontstane vertroebelde relatie tussen partijen. De beklaagde had mogelijk explicieter kunnen zijn ten aanzien van de betekenis van het begrip “intrekking”, maar dit is naar het oordeel van de commissie van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

De klacht is dan ook ongegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer P.C.A. van Ingen, mevrouw mr. L. Schots – Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 10 december 2025.

 

 

Opslaan als PDF