Advies van advocaat leidt tot onnodige kosten voor cliënt

De Geschillencommissie




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 239491/443631

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een cliënt die klaagt over de kwaliteit van het werk van zijn advocaat. De cliënt had hulp gevraagd omdat het UWV zijn WAO-uitkering wilde terugvorderen. De advocaat adviseerde om een deelbegroting te laten maken door een accountant, maar reageerde te laat op het bezwaar bij het UWV. Het bezwaar werd afgewezen. Een nieuwe advocaat vertelde de cliënt dat verder procederen geen zin had, omdat de regels duidelijk waren. Volgens de cliënt had de eerste advocaat dit eerder moeten weten en hem beter moeten informeren. Hierdoor heeft de cliënt onnodige kosten gemaakt, zoals €600,77 voor de deelbegroting en twee keer €159,- aan eigen bijdragen. De advocaat vindt dat hij zijn best heeft gedaan en dat hij mocht vertrouwen op het rapport van de accountant. De commissie oordeelt dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals een goede advocaat zou moeten doen. Het advies om een deelbegroting te maken was niet nodig, omdat het UWV uitgaat van een vaste verdeling van inkomsten over het jaar. De advocaat heeft dit niet goed uitgelegd en niet onderbouwd waarom een uitzondering zou gelden. Daarom moet de advocaat de kosten van €600,77 en het klachtengeld van €52,50 terugbetalen. De eigen bijdrage van €159,- hoeft hij niet te vergoeden. De klacht is dus deels gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat en de schade die de cliënt stelt te hebben geleden door toedoen van de advocaat.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt de klacht van de cliënt – zoals verwoord in het vragenformulier en toegelicht ter zitting – op het volgende neer.

De cliënt heeft zich tot de advocaat gewend, omdat het UWV de WAO-uitkering die de cliënt had genoten over de periode van 1 januari 2020 tot en met 18 mei 2020, terugvorderde. De advocaat heeft de cliënt geadviseerd zijn accountant een deelbegroting over de betreffende periode van 2020 te laten maken.

De advocaat heeft niet tijdig gereageerd richting het UWV, voordat het een definitief besluit nam op het ingediende bezwaar. Het UWV heeft het bezwaar afgewezen. De advocaat heeft de cliënt geadviseerd hiertegen in beroep te gaan en desnoods tot aan de Hoge Raad door te procederen.

De nieuwe advocaat van de cliënt heeft de cliënt meteen duidelijk gemaakt dat verder procederen na afwijzing van het bezwaar door het UWV weinig zin heeft, aangezien de jurisprudentie duidelijk uitwijst dat het UWV juist heeft gehandeld. Dit had de advocaat moeten weten of het gelijk aan het begin moeten uitzoeken. Dit heeft hij verzuimd; hij zei dat hij zich in de jurisprudentie zou gaan verdiepen, nadat er een formele procedure bij de rechtbank was aangespannen. Als hij dit gelijk in het begin had gedaan, was meteen duidelijk geweest dat het geen enkele zin had om een deelbegroting te laten maken, en dat het überhaupt geen enkele zin had om tegen de beslissing van het UWV bezwaar aan te tekenen of in beroep te gaan.

De advocaat heeft de cliënt van de regen in de drup geholpen. Hij heeft de cliënt onnodig kosten laten maken voor de deelbegroting. De kosten daarvoor bedragen € 600,77 (inclusief BTW). De cliënt verzoekt de commissie te bepalen dat de advocaat hem deze kosten dient terug te betalen.

De cliënt heeft de advocaat een eigen bijdrage betaald van € 159,–. Hij heeft uiteindelijk een andere advocaat moeten inhuren om erachter te komen dat het allemaal geen enkele zin had wat de advocaat aan het doen was. Ook aan deze advocaat heeft hij een eigen bijdrage van € 159,– moeten betalen. De cliënt verzoekt de commissie te bepalen dat de advocaat ook het bedrag van € 159,– aan hem dient terug te betalen.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.

De advocaat heeft ingeschat dat een boekhoudkundig onderzoek nodig was om te weten of de cliënt een redelijke kans tegenover het UWV zou hebben of niet. Daar kwam de cliënt zelf ook mee. De advocaat is ervan uitgegaan dat een rapport van de accountant van de cliënt inhoud en vorm zou kunnen geven aan het bezwaar van de cliënt tegen de terugvorderingsbeslissing van het UWV.

De eigen bijdrage moet iedereen, die een laag inkomen heeft, betalen teneinde de werkzaamheden van de advocaat te kunnen voldoen.

Een advocaat heeft een inspanningsverplichting. De advocaat heeft zijn best gedaan. Hij heeft ook een jurisprudentie onderzoek verricht op rechtspraak.nl, maar hij heeft geen relevante uitspraken kunnen vinden. De advocaat is dominus litis. Hij zou met behulp van een degelijke boekhoudkundige input van een accountant zo nodig kunnen doorgaan tot de Centrale van Beroep, maar de cliënt heeft een andere advocaat in de arm genomen. Wat een andere advocaat van de zaak vindt, is zijn/haar oordeel. Elke advocaat kan en mag zelf beoordelen of hij/zij een bepaalde zaak redelijkerwijs juridisch haalbaar vindt of niet.

De advocaat verzoekt de commissie om de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie constateert dat de kern van de klacht van de cliënt – zoals weergegeven in het vragenformulier van de commissie – is dat de advocaat hem onnodig op kosten heeft gejaagd door hem te adviseren een deelbegroting door zijn accountant op te laten stellen, terwijl dit geen enkele zin had.

De commissie stelt vast dat de cliënt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 mei 2020 naast zijn WAO-uitkering ook inkomsten uit zijn eigen bedrijf heeft ontvangen. Om discussies over de vraag aan welke maand inkomsten uit een eigen bedrijf moeten worden toegerekend te voorkomen, geldt voor het UWV als uitgangspunt dat de jaarlijkse inkomsten uit eigen bedrijf gelijkelijk verdeeld worden over de maanden van het betreffende jaar. Het UWV is via de Belastingdienst bekend met de inkomsten uit eigen bedrijf. Dit betekent dat het in beginsel niet relevant is, welke werkelijke inkomsten de cliënt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 mei 2020 heeft genoten en dus ook dat het laten opstellen van een deelbegroting, zoals door de advocaat geadviseerd, niet noodzakelijk is geweest. Hierdoor zijn niet noodzakelijke kosten gemaakt.

Weliswaar zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt mogelijk, maar dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich in het geval van de cliënt zou voordoen, is door de advocaat niet met argumenten onderbouwd aangevoerd en ook anderszins niet gebleken. Dat de advocaat zijn cliënt voldoende zorgvuldig geïnformeerd heeft wat de hoofdregel is en dat kosten maken om een uitzondering daarop te maken, mogelijk tevergeefse kosten zijn, is evenmin gebleken.

De commissie is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de advocaat de cliënt op dit punt niet juist heeft geadviseerd en derhalve niet heeft gehandeld zoals van een redelijk en vakbekwaam advocaat mag worden verwacht. De klacht van de cliënt is dan ook gegrond. Door het onjuiste advies van de advocaat zijn door de cliënt onnodig kosten van € 600,77 gemaakt, die de advocaat dient te vergoeden. Hiernaast dient de advocaat het door de cliënt betaalde klachtengeld te vergoeden. Ook moet de advocaat behandelingskosten aan de commissie betalen.

De commissie wijst het verzoek tot vergoeding van de door de cliënt betaalde eigen bijdrage van € 159,– af, omdat de verschuldigdheid van deze eigen bijdrage los staat van de vraag of de advocaat heeft gehandeld als redelijk en vakbekwaam advocaat.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– Verklaart van de klacht gegrond;

– Veroordeelt de advocaat tot betaling aan de cliënt van een bedrag van € 600,77 en tot vergoeding aan de cliënt van het klachtengeld, ten bedrage van € 52,50. Betaling dient binnen één maand na verzending van dit bindend advies plaats te vinden;

– Bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd;

– Wijst het door de cliënt meer of anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten ende heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 15 november 2024.

Print/PDF