Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
222882/237391
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt diende een klacht in tegen zijn advocaat vanwege fouten tijdens een echtscheidingsprocedure. Volgens de cliënt heeft de advocaat onvoldoende verweer gevoerd tegen de ingangsdatum van de alimentatie, onjuist geadviseerd over kosten voor zijn oudste dochter, te laat gereageerd op belangrijke stukken en nagelaten verhuiskosten te verhalen. Hierdoor zou hij ruim € 22.000 schade hebben geleden. De advocaat ontkende de verwijten en stelde dat sommige schadeposten niet goed waren onderbouwd. De Geschillencommissie oordeelde dat de advocaat op enkele punten niet heeft gehandeld zoals van een goede advocaat mag worden verwacht, vooral door onvoldoende verweer te voeren en gebrekkige communicatie. De commissie verklaarde de klacht deels gegrond en kende een schadevergoeding van € 4.500 toe aan de cliënt, plus vergoeding van het klachtengeld. Verdere schadeclaims werden afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de gebrekkige dienstverlening van de advocaat, waardoor de cliënt stelt financiële schade te hebben opgelopen in zijn echtscheidingszaak.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat heeft nalatig en verwijtbaar gehandeld bij de behandeling van de echtscheidingsprocedure van de cliënt. De cliënt heeft hierdoor schade geleden en eist een schadevergoeding van € 22.575,25
Deze vergoeding is als volgt door de cliënt onderbouwd:
– € 2.715,75 doordat de advocaat heeft nagelaten verweer te voeren in de voorlopige voorzieningenprocedure tegen een verzoek van de tegenpartij waardoor de ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de cliënt op een verkeerde datum is vastgesteld.
– € 13.534, — wegens onjuist informeren/handelen van de advocaat wat heeft geresulteerd in een hogere alimentatiedraagkracht van de cliënt voor de periode van 101 maanden (01.08.2021-01.01.2029) totdat de jongste dochter van de cliënt 12 jaar oud wordt.
– € 3.825,50 doordat de advocaat niet tijdig genoeg heeft kennisgenomen van het verweerschrift van de tegenpartij om daarop professioneel te reageren middels het opstellen van een duidelijk schuldenoverzicht voor de peildatum 13 oktober 2021 en het tijdig voor de mondelinge behandeling in het geding brengen van dit overzicht voor de zitting van 8 juni 2022. Het verweerschrift is evenmin tijdig aan de cliënt toegestuurd.
– € 2.500, — door na te laten om ondanks het nadrukkelijk verzoek van de cliënt de verhuiskosten op de tegenpartij te verhalen.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat stelt primair dat de cliënt niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn klacht op grond van artikel 7 lid 2 sub a van het reglement. De advocaat stelt dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de klacht in de vorm en met de schadeclaim zoals die is ingediend bij de commissie.
Verweer tegen ingangsdatum alimentatie
In het verweerschrift dat is ingediend is expliciet aangegeven dat verweer wordt gevoerd tegen het ingediende verzoek/verzoekschrift. De ingangsdatum is echter ter zitting niet uitvoerig besproken, naar aanleiding waarvan als ingangsdatum datum indiening verzoekschrift is aangehouden door de rechtbank. Ook ingeval van uitvoerig verweer staat echter niet vast dat de rechtbank dit standpunt zou overnemen. Het is gebruikelijk dat rechtbanken de datum van indiening van het verzoekschrift aanhouden. Het staat dan ook niet vast dat de cliënt hiervan schade heeft geleden nu niet met zekerheid is aan te geven dat de rechtbank als wel uitvoerig verweer was gevoerd dat standpunt zou overnemen. Ook is onterecht aangegeven dat de schade een bedrag van € 2.715,75 betreft. Het schadebedrag zou indien een latere ingangsdatum was vastgesteld € 1.482, — zijn.
Schade van € 13.534, — vanwege onjuist adviseren over kosten oudste dochter
Het is onduidelijk en warrig hetgeen onder deze schadepost is opgenomen. In het verweerschrift dat in augustus 2021 bij de rechtbank in het kader van de voorlopige voorziening is ingediend is expliciet aangegeven dat de ex-vrouw van de cliënt bij haar alimentatieberekening geen rekening heeft gehouden met de dochter van de cliënt uit zijn eerste huwelijk. Zowel bij de alimentatieberekening in deze procedure als in de bodemzaak is de berekening gemaakt rekening houdend met deze dochter. De rechtbank heeft in de beschikking uitgebreid aangegeven dat bij de berekening van zowel de kinderalimentatie als de partneralimentatie rekening wordt gehouden met de volledige kosten van de oudste dochter. Dat hier geen rekening mee is gehouden en de draagkracht van de man hierdoor als groter is aangenomen kan niet gevolgd worden.
Schade van € 3.825,50 vanwege het niet tijdig reageren op het verweerschrift en toesturen aan de cliënt
Op 25 mei is het processtuk van de wederpartij ontvangen en op 6 juni heeft de zitting plaatsgevonden. Stukken kunnen tot 10 dagen voor de zitting ingediend worden. Nieuwe stukken zouden dan ook in verband met een termijnoverschrijding niet meer ingediend kunnen worden. De stukken met betrekking tot de belastingschulden zijn zowel bij de voorlopige voorziening als de bodemprocedure aangeleverd. Meer dan dit zou niet aangeleverd kunnen worden, nu de cliënt enkel over deze stukken beweerde te beschikken. Het is gebruikelijk dat alle stukken die binnenkomen doorgestuurd worden naar cliënten. Ook alle stukken die worden ingediend worden eerst ter goedkeuring voorgelegd aan cliënten, alvorens deze worden ingediend bij de rechtbank. Het verweerschrift van 25 mei is inderdaad abusievelijk niet toegestuurd. Dat de cliënt hierdoor schade heeft geleden, wordt ten zeerste betwist.
Schade van € 2.500, — vanwege de niet verzochte verhuiskosten
De verhuiskosten zijn niet onderbouwd, naar aanleiding waarvan deze in overeenstemming achterwege zijn gelaten. Van de reparatiekosten zijn door de cliënt facturen aangeleverd naar aanleiding waarvan de reparatiekosten wel zijn meegenomen met het verzoek om een verdeling. De rechtbank kon met betrekking tot het verzoek om verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in verband met onvoldoende informatie geen beslissing nemen. Ook ingeval van het verzoek om verdeling van de gemaakte verhuiskosten zou de rechtbank geen andere beslissing nemen. Het is tevens onduidelijk hoe dit schadebedrag tot stand is gekomen nu deze niet is onderbouwd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid stelt de commissie dat vaststaat dat een deel van de klachten zoals ingediend bij de commissie niet is voorgehouden aan de advocaat. Gelet op de impasse waarin partijen zijn geraakt om tot een minnelijke oplossing te komen in het oplossen van de klachten die wel bij de advocaat kenbaar zijn gemaakt, is de commissie van oordeel dat de cliënt terzake de eventuele niet-naleving van de voorwaarden redelijkerwijs geen verwijt treft. Bovendien zijn partijen er niet bij gebaat indien de overige klachten eerst aan de advocaat zouden worden voorgelegd en pas daarna aan de commissie kunnen worden voorgelegd. Ten slotte overweegt de commissie dat gesteld noch gebleken is dat de advocaat in haar verdediging tegen de bij de commissie ingediende klachten is geschaad.
De commissie zal de cliënt derhalve ontvankelijk verklaren in zijn klacht en de klacht in zijn geheel inhoudelijk behandelen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De commissie overweegt verder dat bij de uitvoering van de opdracht sprake is van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverbintenis. De prestatie van de advocaat bestaat niet in het behalen van een bepaald resultaat, maar bestaat daaruit dat de advocaat zich daarvoor dient in te spannen.
De commissie zal de klachten van de cliënt aan de hand van de vier door hem in het vragenformulier kenbaar gemaakt klachtonderdelen behandelen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de cliënt nog aangevoerd dat ook de onderdelen Welstand en behoefte en Communicatie als aparte klachtonderdelen gezien dienen te worden. De commissie zal deze onderdelen niet afzonderlijk behandelen. Welstand en behoefte hebben betrekking op het derde klachtonderdeel ter zake de verkeerde alimentatieberekening en de communicatie is op de gehele klacht van toepassing en zal daarom niet als afzonderlijk klachtonderdeel worden behandeld.
Klacht ter zake ingangsdatum alimentatie
De advocaat heeft aangevoerd dat tegen de verzochte ingangsdatum wel verweer is gevoerd, omdat in het verweerschrift is aangegeven dat tegen alle punten uit het verzoekschrift verweer wordt gevoerd en hiermee dus impliciet ook tegen de ingangsdatum. De commissie is van oordeel dat van een advocaat verwacht mag worden dat inhoudelijk en gemotiveerd verweer wordt gevoerd tegen specifieke onderdelen van een verzoekschrift en niet volstaan kan worden met een algemene opmerking dat tegen alle onderdelen verweer wordt gevoerd. De rechtbank heeft in de beschikking voorlopige voorziening ook overwogen dat geen verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum. Vastgesteld wordt derhalve dat geen althans onvoldoende verweer is gevoerd tegen de ingangsdatum, zoals verzocht in het verzoekschrift van de tegenpartij.
De stelling van de advocaat dat niet zeker is dat het een verschil had gemaakt als wel verweer was gevoerd, neemt niet weg dat dat zij heeft nagelaten deugdelijk verweer te voeren tegen de verzochte ingangsdatum, terwijl dit wel van haar verwacht had mogen worden. De commissie neemt in aanmerking dat art. 1:402 BW de rechter een ruime mate van vrijheid biedt om de ingangsdatum van een uitkering tot levensonderhoud vast te stellen. Zo kan de rechter rekening houden met de omstandigheid dat de onderhoudsplichtige reeds de facto, in geld of in natura, voorziet in het levensonderhoud van de gerechtigde. In deze zaak was dat het geval. Dit blijkt o.m. uit later door de advocaat ingediende processtukken, zoals de op 8 februari 2022 en 22 april 2022 ingediende verweerschriften. Dat de advocaat ten tijde van de indiening van het verweer tegen de voorlopige voorzieningen reeds over de betreffende informatie beschikte, is ter zitting van de commissie bevestigd.
Gezien het voorgaande acht de commissie aannemelijk dat de rechtbank, indien deugdelijk verweer was gevoerd tegen de ingangsdatum, dit verweer zou hebben gehonoreerd en de ingangsdatum op datum beschikking zou hebben vastgesteld. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond. Wat betreft de gestelde schade is de commissie van oordeel, mede in aanmerking genomen dat latere pogingen van de advocaat om een beroep op verrekening te doen zijn gestrand, dat de cliënt is benadeeld voor € 1.482, — , overeenkomend met het alimentatiebedrag van 1 augustus tot 17 september 2021
Niet adviseren over kosten van oudste dochter:
Uit de beschikking van 17 september 2021 blijkt dat de rechtbank de kosten van de oudste dochter expliciet heeft meegewogen bij de vaststelling van de draagkracht van de cliënt. De klacht is in zoverre ongegrond.
Ter zitting heeft de cliënt aandacht gevraagd voor het aspect welstand waarop de rechtbank had gedoeld. De commissie kan niet vaststellen dat dit aspect is aangevoerd. Uit de (eind)beschikking van de rechtbank van 13 juli 2022 blijkt echter niet dat dit aspect, of het ontbreken daarvan, een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de bijdragen tot levensonderhoud. Evenmin blijkt dit uit de beschikking van het gerechtshof van 10 juli 2024 in het hoger beroep dat de cliënt heeft ingesteld. Op dit punt is de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat de advocaat is tekortgeschoten noch dat de cliënt schade heeft geleden. Op dit punt is de klacht ongegrond.
Klacht over te laat toesturen verweerschrift/toesturen belastingstukken aan de rechtbank:
De advocaat heeft erkend dat het verweerschrift door haar medewerkers te laat aan de cliënt is toegestuurd. Wat de belastingstukken betreft, heeft de cliënt ter zitting nader toegelicht dat de advocaat geen aandacht heeft gevraagd voor zijn specifieke overzicht van de belastingschulden. Indien hij het verweerschrift tijdig had ontvangen, had hij dit met verweerster kunnen afstemmen. De advocaat heeft dit niet voldoende weersproken. De rechtbank overweegt in de beschikking van 13 juli 2022 dat niet voor alle schulden is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel daarop wordt afgelost. De rechtbank houdt daarom in redelijkheid rekening met een bepaald bedrag. De commissie is van oordeel dat tijdig overleg voorafgaande aan de zitting hier tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Door het nalaten van de advocaat is dit overleg er niet gekomen. Zoals hierna aan de orde zal komen, zal de commissie in redelijkheid een vergoeding toekennen
Schade door niet verhalen van verhuiskosten
De advocaat heeft hierover in haar verweerschrift en ter zitting aangegeven dat zij aan de cliënt heeft laten weten dat verhuiskosten moeilijk te verhalen zijn en dit goed onderbouwd moet worden. De cliënt heeft dit niet kunnen onderbouwen en daarom zijn deze kosten buiten beschouwing gelaten. De cliënt stelt dat de advocaat een schatting had kunnen maken. De cliënt had hiervoor een berekening gemaakt, maar gebleken is dat hij deze berekening niet aan de advocaat heeft toegestuurd. Dit verwijt kan haar dus niet worden gemaakt. Dit klachtonderdeel acht de commissie ongegrond.
Conclusie
Concluderend is de commissie van oordeel dat de advocaat op onderdelen niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Van een advocaat mag, zeker in een procedure als deze, waarin de advocaat een grote hoeveelheid informatie van de cliënt aangeleverd krijgt, verwacht worden dat deze zijn/haar cliënt spreekwoordelijk bij de hand neemt, duidelijk en begrijpelijk communiceert en uitleg geeft, de ontvangen informatie op de juiste wijze en tijdig naar voren brengt in de procedure en eventueel om nadere informatie vraagt. Op relevante punten is dat onvoldoende gebeurd. Ter zitting is niet gebleken van enige zelfreflectie, hetgeen naar oordeel van de commissie op zijn plaats was geweest.
Schadevergoeding
De commissie ziet zich gesteld voor de vraag welk te vergoeden bedrag redelijk is nu de klachten gedeeltelijk gegrond worden verklaard. Ter zake het eerste klachtonderdeel staat vast dat de cliënt hierdoor schade heeft geleden, welke schade kan worden vastgesteld op € 1.482, –. Ter zake het derde klachtonderdeel heeft de cliënt aangevoerd dat sprake is van schade van € 3.825,50. Hoewel de commissie de exacte hoogte van de schade niet kan vaststellen, is aannemelijk dat de cliënt als gevolg van de handelwijze van de advocaat schade heeft geleden. De commissie zal op grond van redelijkheid en billijkheid een vergoeding door de advocaat aan de cliënt te betalen vaststellen van in totaal € 4.500, –.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– Verklaart de klacht van de cliënt gedeeltelijk gegrond;
– Bepaalt dat de advocaat een vergoeding van € 4.500, — betaalt aan de cliënt;
– Veroordeelt de advocaat tot vergoeding aan de cliënt van het klachtengeld ad € 102,50;
– Bepaalt dat betaling van genoemde bedragen binnen één maand na verzending van dit bindend advies dient plaats te vinden;
– Bepaalt dat de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie behandelingskosten aan de commissie is verschuldigd;
– Wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten, de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 6 december 2024.