Advocaat dient cliënt schriftelijk te informeren over verschil van mening tussen hemzelf en de financieel adviseur van de cliënt over (uitleg van) financiële stukken.

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Informatie    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV04-0095

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening in verhouding tot de hoogte van de onbetaalde declaratie van de advocaat voor zijn bijstand in de verzoekschriftprocedure tot nihilstelling van de alimentatie van de cliënte.   De cliënte heeft de einddeclaratie niet voldaan en in dat verband overeenkomstig het Reglement van de commissie een bedrag van € 6.485,02 in depot gestort.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt:   De cliënte was in de periode van 1998 tot 2004 waarin de advocaat als haar raadsman optrad uiterst tevreden over de werkwijze van de advocaat en de behaalde resultaten. Om die reden wendde zij zich toen haar ex-echtgenoot een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie indiende opnieuw tot de advocaat.   Aanvankelijk heeft de cliënte ermee ingestemd dat [naam medewerker advocaat] de zaak zou behandelen. De advocaat heeft [naam medewerker advocaat]  daarin als patroon begeleid. Wegens verhindering van [naam medewerker advocaat] om de mondelinge behandeling bij te wonen en het feit dat de cliënte openlijk twijfelde aan haar deskundigheid is in overleg met en met instemming van de cliënte besloten dat de advocaat de zaak tegen het voor hem geldende uurtarief dat reeds gematigd was, zou overnemen.   Deze overname heeft geen extra uren aan bestudering gekost omdat de advocaat de zaak als patroon en begeleider reeds kende. De studie van de financiële stukken was nog niet volledig door [naam medewerker advocaat] uitgevoerd en was ook noodzakelijk vanwege de omvang van de door de cliënte overgelegde stukken. De kanttekeningen van de financieel adviseur van de cliënte heeft de advocaat niet volledig overgenomen omdat advocaat niet achter zijn opmerkingen kon staan en de financieel adviseur bepaalde zaken over het hoofd heeft gezien.   Kort voorafgaand aan de zitting heeft de advocaat de pleitnota, die hij vanwege tijdnood enkele uren voor de zitting heeft geredigeerd, aan de cliënte getoond. De kritiek die de cliënte op de kwaliteit van de pleitnota had, is onterecht omdat deze nota uiteindelijk tot een volledig positief resultaat in de procedure heeft geleid. De cliënte heeft ook verklaard dat zij indien de rechtbank in haar beschikking geen bruto/netto rekenfout zou hebben gemaakt bijzonder tevreden zou zijn geweest over het resultaat.   Door de wijze waarop de cliënte zich voorafgaand aan de zitting heeft opgesteld, achtte de advocaat de relatie tussen hen beiden verstoord en heeft hij aangegeven de cliënte niet meer te zullen bijstaan in hoger beroep. Het kan de advocaat niet worden aangerekend dat de rechtbank – anders dan waarop de advocaat heeft aangedrongen – de vermindering van de alimentatie met terugwerkende kracht heeft laten ingaan.   De advocaat ontkent voortdurend te laat te zijn geweest met het versturen van stukken en betwist onnodig uitstel van drie dagen te hebben gevraagd. Ook zijn geen stukken kwijtgeraakt.   Standpunt van de cliënte   Het standpunt van de cliënte luidt in hoofdzaak als volgt:   De cliënte vernam van de advocaat dat haar ex-echtgenoot een verzoek tot nihilstelling had ingediend en heeft zich op dat moment door de advocaat laten adviseren.   De cliënte heeft ingestemd met de behandeling van de zaak door [naam medewerker advocaat] omdat deze naar zeggen van de advocaat meer gespecialiseerd was op dit gebied. Toen [naam medewerker advocaat] zonder enig verzoek van de cliënte van de zaak werd gehaald, werd het pas duidelijk dat zij een stagiaire was. De advocaat heeft verzuimd te vermelden dat met zijn overname het uurtarief werd verhoogd van € 150,– naar € 175,–.   De gemaakte uren in verband met deze overname dienen niet voor rekening van de cliënte te komen. Dit geldt ook voor de tijd gemoeid met het herstellen van door de advocaat gemaakte fouten. Ook de tijd die de advocaat voor het bestuderen van de financiële stukken in rekening heeft gebracht te weten 14 uur, acht de cliënte niet billijk omdat ondanks deze studie de benodigde kennis bleef ontbreken.   De pleitnota stond vol met fouten en is de cliënte niet vooraf ter inzage gestuurd. De advocaat was voortdurend te laat met stukken voor de wederpartij en de rechtbank en de cliënte zag zich genoodzaakt de termijn te bewaken, welke tijd eveneens aan haar is doorberekend. Het verzoek om uitstel van drie dagen dat de advocaat aan de rechtbank heeft gevraagd voor het indienden van nadere stukken is vanwege een vakantie van de advocaat gevraagd en niet zoals gesteld door een postvertraging. De stukken die verzonden moesten worden heeft de cliënte tot drie keer toe moeten toesturen en een maal gebracht omdat de advocaat deze kwijt was. Het telefonisch contact hierover is aan de cliënte doorberekend.   Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat deze ook geen wijs kon worden uit hetgeen de advocaat heeft voorgelegd. Hierdoor is de bruto/netto fout, die de advocaat niet heeft opgemerkt, gemaakt. Ook heeft de rechtbank anders dan de advocaat vooraf verzekerde met terugwerkende kracht de alimentatie gewijzigd.   Op grond van het vorenstaande komt de cliënte tot de conclusie dat de advocaat niet in staat is geweest de rechtbank duidelijk te informeren over haar vermogenstoestand. Aangezien de financiële en geestelijke schade die de cliënte heeft geleden de totale nota van de advocaat ruimschoots overschrijdt, stelt de cliënte ter oplossing van het geschil algehele kwijtschelding van de openstaande facturen en restitutie van het reeds betaalde voor dan wel verzoekt zij de commissie een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   De commissie is van oordeel dat de cliënte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de advocaat de zaak zonder enig overleg van zijn kantoorgenoot heeft overgenomen. De commissie stelt in dat verband vast dat de advocaat onweersproken heeft gesteld dat [naam medewerker advocaat] verhinderd was de mondelinge behandeling bij te wonen en dat de cliënte vanwege de goede voortgang geen uitstel daarvan wenste. Het is de commissie ook overigens op geen enkele wijze gebleken dat de cliënte op dat moment bezwaar heeft gemaakt tegen de overname door de advocaat, die haar kennelijk bovendien in het verleden naar tevredenheid had bijgestaan. Ook is niet gebleken dat de cliënte op het moment van overname bezwaar heeft gemaakt tegen de verhoging van het uurtarief van € 150,– naar € 175,–, terwijl evenmin kan worden gesteld dat het door de advocaat gehanteerde uurtarief onredelijk te achten is. Het feit dat [naam medewerker advocaat] achteraf een stagiair bleek te zijn behoeft niet af te doen aan haar specialistische kennis op dit vakgebied. Dit klemt temeer nu cliënte geen klachten heeft geuit met betrekking tot haar deskundigheid.   Onder voornoemde omstandigheden kan ook niet worden gesteld dat de advocaat de kosten gemoeid met de overname van het dossier ten onrechte in rekening heeft gebracht noch dat het aantal uren dat de advocaat hieraan heeft besteed (blijkens de overgelegde specificatie drie uur) onredelijk hoog te noemen is. Dit klemt temeer nu uit de specificatie tevens blijkt dat [naam medewerker advocaat] tot het moment van overname nog niet begonnen was met het bestuderen van het dossier c.q. de stukken.   Ten aanzien van de fouten in de pleitnota is de commissie van oordeel dat nu de cliënte heeft nagelaten de gewraakte pleitnota – eventueel voorzien van commentaar – over te leggen zij haar stellingen niet heeft onderbouwd en zij dientengevolge de beweerdelijk gemaakte fouten onvoldoende heeft aangetoond. De overgelegde brief van de financieel adviseur doet hier niet aan af nu deze evenmin concreet aangeeft c.q. onderbouwt welke fouten de advocaat al dan niet zou hebben begaan. Voor wat betreft de slordigheden die de advocaat bij het gebruik van haar naam en banknaam heeft begaan, is de commissie van oordeel dat deze niet zoveel gewicht in de schaal leggen dat kan worden gesteld dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat verwacht mag worden.   Dit laatste kan niet worden gesteld over de wijze waarop de pleitnota tot stand is gekomen. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat de financieel adviseur van de cliënte en hij van mening verschilden over de (uitleg van) de financiële stukken. Naar het oordeel van de commissie had de advocaat hierin aanleiding moeten vinden de cliënte of rechtstreeks schriftelijk te informeren over deze verschillen van interpretatie dan wel haar ruim voor de zitting inzage te geven in de pleitnota. Dit klemt temeer nu het mede haar financiële gegevens betrof en in elk geval haar (toekomstige) financiële situatie aanging. De commissie is van oordeel dat de vertrouwensbreuk die ontstond toen de cliënte kort voor de zitting werd geconfronteerd met – in elk geval in haar ogen – onjuiste gegevens c.q. uitgangspunten te wijten is aan de advocaat, althans aan zijn gebrek aan behoorlijke communicatie.   Hierbij overweegt de commissie voorts dat het feit dat de advocaat – zoals erkend – meer dan eens stukken bij de cliënte heeft opgevraagd die hem al ter hand waren gesteld, niet heeft bijgedragen aan het vertrouwen dat een cliënt in een advocaat moet kunnen stellen. De commissie is van oordeel dat de hiervoor door de advocaat ter zitting opgegeven reden, te weten dat gezien de omvang van het dossier meer tijd gemoeid zou zijn met het opzoeken van de stukken dan deze nogmaals op te vragen, bij de cliënte – mede als gevolg van het aanzienlijk aantal uren dat hij aan bestudering van het dossier heeft besteed – de mening heeft kunnen doen postvatten dat de advocaat de zaak niet voldoende beheerste. Ook de brief van 3 december 2003, waarin de advocaat ongelukkigerwijs stelt dat de rechtbank zeker niet met terugwerkende kracht tot wijziging van alimentatie zal overgaan, heeft naar het oordeel van de commissie het vertrouwen van de cliënte in (de kennis van) de advocaat geen goed gedaan.   Hoewel de beschikking van de rechtbank en de daarin voorkomende rekenfout de advocaat niet kunnen worden aangerekend, komt de commissie het geheel overziend tot het oordeel dat de klacht van de cliënte ten dele gegrond is. Hierin ziet de commissie aanleiding de openstaande declaratie naar redelijkheid en billijkheid te verminderen en de totale resterende betalingsverplichting van de cliënte vast te stellen op een bedrag van € 4.985,02 inclusief BTW en kantoorkosten.   De door de cliënte gevorderde schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking nu zij deze schade niet heeft aangetoond en de cliënte ook geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat de beweerdelijk geleden schade door toedoen van de advocaat is veroorzaakt.   De klacht van de cliënte over het gedrag van de advocaat gedurende de bemiddeling van de Deken van de Orde van Advocaten is van tuchtrechtelijke aard en valt om die reden buiten de beoordeling van de commissie.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie stelt de betalingsverplichting van de cliënte vast op € 4.985,02 (inclusief BTW en kantoorkosten).   Overeenkomstig het reglement van de commissie wordt het klachtengeld over partijen verdeeld zodat de cliënte aan de advocaat, die het klachtengeld heeft voldaan, een bedrag van € 22,50 dient te vergoeden.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten een bedrag verschuldigd van € 57,50.   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Aan de cliënte wordt een bedrag van € 1.477,50 (zijnde € 6.485,02 minus € 4.985,02 minus € 22,50) gerestitueerd.   Aan de advocaat wordt een bedrag van € 4.950,02 (zijnde € 4.985,02 plus € 22,50 minus € 57,50) overgemaakt.   Het restant van € 57,50 verblijft aan de commissie.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Aldus beslist op 16 november 2004 door de Geschillencommissie Advocatuur.