Advocaat draagt verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak en behoort te onderzoeken of een schikking mogelijk is, ook al wil cliënt dit niet

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV02-0071

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil 

Het geschil betreft de uitvoering van de opdracht aan de advocaat om bijstand inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van cliënte, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaraties die de advocaat terzake heeft gezonden.   De cliënte heeft de declaratie ter grootte van € 614,76 niet voldaan en dit bedrag overeenkomstig het Reglement van de commissie in depot gestort.   Standpunt van de cliënte    De klacht van cliënte ziet op de volgende aspecten:   1. de werkwijze en bejegening van de advocaat c.q. advocaten:     – onjuiste dan wel krenkende uitlatingen     – onvoldoende informeren over consequenties van de zaak     – handelen zonder overleg     – overname van de zaak door een andere advocaat. 2. juridisch-inhoudelijke aspecten van de dienstverlening:     – onvoldoende resultaat bereikt     – te weinig kennis van zaken     – adviezen / opdrachten cliënte in de wind slaan     – onnodig corresponderen (in der minne proberen te schikken) / cliënte op kosten jagen 3. financiële aspecten van de dienstverlening:     – voorschotten in rekening brengen     – intake in rekening brengen     – declaratie onvoldoende specificeren 3. partijvoering algemeen:     – onbereikbaar zijn / telefoontjes en correspondentie niet (tijdig) beantwoorden     – dossier niet afgeven.   In het formuleren van het standpunt van de cliënte was de advocaat onvoldoende kernachtig, duidelijk en kort. Hierdoor en mede doordat zij de advocaat van de wederpartij te omzichtig en zorgvuldig heeft benaderd, liet de advocaat teveel onderhandelingsruimte waardoor de kosten voor de cliënte opliepen. De cliënte heeft het gevoel dat de collegiale wellevendheid ten opzichte van de advocaat van de wederpartij zwaarder woog voor de advocaat dan het handelen binnen de afspraken met en intenties van de cliënte c.q. het behartigen van haar belangen.   De cliënte had in eerste instantie vertrouwen in de competentie van [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]. Aangezien zijn denkpatroon, dat niet in overeenstemming was met gemaakte afspraken en bovendien onnodig kwetsend was voor de cliënte, alleen maar zou leiden tot nieuw juridisch gehakketak en oplopende kosten, heeft de cliënte besloten een andere advocaat in de arm te nemen. Ook meent de cliënte dat [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] onheus heeft gehandeld door haar mee te delen dat hij haar dossier niet zou overdragen aan de nieuwe advocaat indien zij de declaraties niet zou voldoen.   Ter zitting heeft de cliënte verder nog – in hoofdzaak – aangevoerd dat haar klacht jegens [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  tevens ziet op de urenspecificatie en het feit dat hij niet bereikbaar was. De klacht over de overname van de zaak door [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  heeft de cliënte ter zitting ingetrokken.   De cliënte meent dat zij als gevolg van bovenstaande handelen of nalaten schade heeft geleden bestaande uit het feit dat de procedure nog niet is afgerond en de hoogte van de declaratie van de advocaat die als gevolg van onnodig onderhandelen met de advocaat van de wederpartij ten onrechte is opgelopen. De cliënte verzoekt de commissie dan ook in redelijkheid een vergoeding ten laste van de advocaat vast te stellen.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak:   De advocaat merkt allereerst op dat de cliënte in algemene bewoordingen haar klacht(-en) weergeeft en dat zij niet kan opmaken waarop zij exact doelt noch tegen wie de klacht(-en) zich richten, tegen de advocaat of [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] .   Ten aanzien van het aspect werkwijze en bejegening door de advocaat merkt de advocaat op dat zij nimmer onjuiste of krenkende uitlatingen heeft gedaan. De advocaat heeft de cliënte bij elke stap in de zaak betrokken en haar zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd. Alle stappen zijn met medeweten en instemming van de cliënte gedaan, terwijl alle correspondentie in concept aan de cliënte is toegezonden. De opmerkingen van cliënte bij de concepten heeft de advocaat verwerkt.   Omstreeks maart/april 2001 is de zaak op verzoek en met instemming van de cliënte intern overgedragen aan [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]. Dit omdat de cliënte omstreeks februari 2002 te kennen heeft gegeven niet tevreden te zijn met het feit dat de advocaat de door de wederpartij geopperde mogelijkheid tot het schikken van de zaak nader wilde bezien, aangezien de cliënte wenste te procederen. Naar aanleiding van deze klacht is in overleg met de cliënte besloten een tweesporenbeleid te volgen; te weten voorbereiden van een concept-dagvaarding en opstellen van een conceptbrief met een voorstel tot schikking. Dit laatste concept leidde wederom tot een klacht die (naam collega advocaat] heeft getracht op te lossen door het dossier over te dragen aan [naam voormalig kantoorgenoot advocaat].   De klacht van de cliënte met betrekking tot de juridisch inhoudelijk aspecten van de dienstverlening acht de advocaat niet of onvoldoende gespecificeerd om daarop in te kunnen gaan. Bovendien heeft de advocaat elke stap in de zaak met instemming van de cliënte gezet, terwijl de cliënte aanvankelijk ook opdrachten gaf die de advocaat gelet op de Gedragsregels niet kon uitvoeren.   Ten aanzien van de financiële aspecten van de dienstverlening merkt de advocaat op dat zij met cliënte is overeengekomen dat de voorschotten en het intakegesprek in rekening worden gebracht. De cliënte heeft de factuur van het intakegesprek dan ook zonder protest voldaan. De declaraties zijn voldoende gespecificeerd. Op de urenspecificatie die altijd aan cliënten worden gestuurd, staat vermeld welke verrichtingen zijn gedaan, wanneer en hoeveel tijd deze in beslag hebben genomen.   Met betrekking tot de partijvoering in het algemeen merkt de advocaat op dat het haar onbekend is op wie de cliënte doelt met haar klacht van onbereikbaar zijn. De advocaat heeft naast persoonlijke besprekingen veel en regelmatig via fax, e-mail en telefoon contact met de cliënte onderhouden.   [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] sluit zich aan bij hetgeen de advocaat heeft gesteld en wijst erop dat ook hij steeds in het kader van de door hem gevoerde correspondentie overleg met de cliënte heeft gevoerd over de wenselijke inhoud en de consequenties van de verschillende te ondernemen acties. Toen de antwoorden van de wederpartij niet bevredigend waren, heeft [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  de cliënte meegedeeld – na toezending van het concept – over te gaan tot dagvaarding. Hierop heeft de cliënte laten weten dat hij geen verder actie diende te ondernemen waarna [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  een brief van de nieuwe advocaat van de cliënte ontving dat hij het dossier wilde overnemen. [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  heeft deze advocaat medegedeeld nog € 614,76 diende te voldoen en dat verdere overdracht via het advocatenkantoor na betaling zou plaatsvinden. [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  heeft nimmer een verzoek tot overdracht ontvangen.   De advocaat stelt zich op grond van het vorenstaande op het standpunt dat zij niet klachtwaardig heeft gehandeld, de cliënte geen grond heeft voor haar vordering dat zij schade zou hebben geleden en alsnog de openstaande declaraties dient te voldoen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   Het is de commissie niet gebleken dat de advocaat dan wel [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] zich onjuist c.q. krenkend heeft uitgelaten tegenover de cliënte. Gezien de zakelijke en persoonlijke omstandigheden van de cliënte op dat moment acht de commissie het aannemelijk dat dit klachtonderdeel eerder berust op de perceptie van de cliënte zelf zoals zij ook ter zitting heeft erkend.   Naar het oordeel van de commissie heeft de cliënte evenmin aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende geïnformeerd is over de consequenties van de zaak noch dat de advocaat onvoldoende resultaat heeft bereikt dan wel onvoldoende kennis van zaken had. De commissie stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat deze klachtonderdelen in het algemeen zien op het verloop van de zaak en meer in het bijzonder op de gevolgde strategie welke in eerste instantie zag op het bewerkstelligen van c.q. onderhandelen over een minnelijke regeling hetgeen later parallel liep met het opstellen en uitbrengen van een dagvaarding aan de wederpartij.   Uit het overgelegde dossier blijkt dat de cliënte de concepten die de advocaat haar steeds heeft toegezonden, ruimschoots heeft voorzien van op- / of aanmerkingen, welke commentaar door de advocaat is overgenomen c.q. besproken alvorens tot verzending is overgegaan. Ook blijkt uit de door de cliënte overgelegde stukken dat voormelde strategie in overleg met en met instemming van de cliënte is gevolgd. Het is de commissie ook niet gebleken dat de advocaat geen of onvoldoende inzicht had in de wisselende rollen van de advocaat van de wederpartij, die niet alleen als advocaat van de werkgever van cliënte maar tevens in zijn hoedanigheid als lid van het landelijk bestuur van deze werkgever met de onderliggende kwestie te maken had.   Ten aanzien van het handelen zonder overleg stelt de commissie op grond van de toelichting van de cliënte ter zitting vast dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op het feit dat de advocaat alvorens zij tot betekening van de dagvaarding is overgegaan, contact heeft opgenomen met de advocaat van de wederpartij teneinde te vernemen of zij op zijn kantoor kon betekenen, welk telefonisch contact – tegen de wensen van de cliënte in – heeft geresulteerd in het verkennen van de mogelijkheid van een minnelijke schikking. De commissie acht dit geen overtuigend voorbeeld van handelen zonder overleg. Dit klemt temeer nu de advocaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak draagt en een advocaat behoort te onderzoeken of een schikking mogelijk is.   De commissie is verder van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de advocaat de opdracht van de cliënte om het eerste schrijven niet alleen te richten aan de vereffenaar van de werkgever van de cliënte maar tevens separaat aan de bestuursleden van de werkgever van de cliënte in de wind heeft geslagen. De commissie stelt in dit verband allereerst vast dat de advocaat gebonden is aan de voor haar geldende Gedragsregels welke onder meer – kort gesteld – inhouden dat een advocaat zich niet rechtstreeks tot de wederpartij richt indien bekend is dat deze wordt bijgestaan door een advocaat. De commissie stelt voorts vast dat de advocaat genoemde brief uiteindelijk overeenkomstig opdracht aan de vereffenaar heeft gericht en bovendien in de geest van de opdracht en de Gedragsregels gelijktijdig in kopie aan de advocaat van de wederpartij en een aantal individuele bestuursleden heeft verzonden.   De commissie overweegt voorts dat niet gebleken is dat de advocaat onnodig heeft gecorrespondeerd waardoor de cliënte op kosten is gejaagd. De commissie heeft in dit verband reeds vastgesteld dat de advocaat alle stukken in concept aan de cliënte heeft doen toekomen die hierop steevast commentaar heeft geleverd waarmee de cliënte op zijn minst heeft geïmpliceerd zich in de inhoud van deze stukken te kunnen vinden. Dit geldt eveneens voor het beweerdelijk te lieve taalgebruik van de advocaat. Voor zover de advocaat zich te beleefd dan wel terughoudend heeft opgesteld in de correspondentie met de advocaat van de wederpartij acht de commissie dit niet verwijtbaar. Hierbij merkt de commissie op dat de cliënte zowel in woord als geschrift mondig genoeg was de opdracht te beëindigen en een andere advocaat in de arm te nemen indien zij zich (geheel) niet kon vinden in de opzet van de correspondentie.   Met betrekking tot het klachtonderdeel dat de advocaat voorschotten in rekening heeft gebracht stelt de commissie vast dat de betaling van het 1e voorschot nadrukkelijk tussen partijen is overeengekomen terwijl de door het kantoor van de advocaat gehanteerde werkwijze van het in rekening brengen van een 2e en ook 3e voorschot onder verrekening van de gewerkte uren niet ongebruikelijk is en ook overigens gebillijkt kan worden.   Ten aanzien van de specificaties van de declaratie van 22 juli 2002 overweegt de commissie dat de post gedateerd 19 juli 2002 met de omschrijving ‘code 30 090 minuten tijd AK’ onvoldoende gespecificeerd is nu uit de toelichting bij de specificatie blijkt dat voornoemde code staat voor ‘kantoorbespreking’ terwijl vaststaat dat die dag geen bespreking heeft plaatsgevonden en [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  ter zitting heeft gesteld dat hij de geschreven tijd heeft besteed aan diverse andere niet nader onderbouwde werkzaamheden. De commissie ziet hierin aanleiding deze post en de daarmee corresponderende minuten te schrappen hetgeen erop neerkomt dat deze declaratie met een bedrag van € 153,69 (zijnde 90 minuten x € 82,– + 5% kantoorkosten + 19% BTW) dient te worden verminderd en zodoende op nihil kan worden gesteld.   Met betrekking tot de declaratie van 1 maart 2002, die ziet op de periode van 27 december 2001 t/m 26 februari 2002, heeft de cliënte – mede bezien in het licht van de ontwikkelingen die gedurende deze periode tussen de advocaat en de cliënte hebben plaatsgevonden- niet aannemelijk gemaakt dat zij de opdracht aan de advocaat daarvoor heeft ingetrokken zodat deze declaratie verschuldigd is.   [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] heeft onbetwist gesteld dat hij tot het moment dat de cliënte hem in april 2002 verzocht geen verdere actie te ondernemen in voldoende mate bereikbaar is geweest en tijdig heeft gereageerd op verzoeken van haar zijde. De commissie stelt voorts op grond van het verhandelde ter zitting vast dat de onbereikbaarheid van [naam voormalig kantoorgenoot advocaat] na april 2002 te wijten is geweest aan de desintegratie van het kantoor en daarmee samenhangende het vertrek van [naam voormalig kantoorgenoot advocaat]  en dat uit deze onbereikbaarheid bovendien geen nadeel voor de cliënte is voortgevloeid.   Tot slot stelt de commissie vast dat het dossier niet overeenkomstig de daarvoor geldende Gedragsregel is afgegeven aan de opvolgende advocaat van de cliënte. De beoordeling van dit klachtonderdeel kan verder in het midden worden gelaten, nu gesteld noch gebleken is dat juist ten gevolge daarvan door de cliënte schade is geleden.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is en als volgt dient te worden beslist.   Voor zover door de cliënte aangevoerde argumenten c.q. klachten niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.   Beslissing   De commissie vermindert de declaraties die de advocaat voor het verrichten van haar diensten bij de cliënte in rekening heeft gebracht in die zin dat een bedrag van € 153,69 van de betwiste declaraties als niet verschuldigd wordt aangemerkt.   Overeenkomstig het reglement van de commissie worden de administratiekosten over partijen verdeeld zodat de advocaat aan de cliënte, die deze kosten aan de commissie heeft voldaan, een bedrag van € 68,07 dient te vergoeden.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 57,50 (zijnde de helft van het vastgesteld bedrag aan behandelingskosten).   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Aan de cliënte wordt een bedrag van € 221,76(zijnde € 153,69 plus € 68,07) gerestitueerd. Aan de advocaat wordt een bedrag van € 335,50 (zijnde € 614,76 minus € 221,76 minus € 57,50) overgemaakt. Het restant van € 57,50 verblijft aan de commissie.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Aldus beslist op 11 april 2003 door de Geschillencommissie Advocatuur.