Advocaat handelde zorgvuldig bij rechtsbijstand aan cliënt onder bewind

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 241284/254395

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak beoordeelde de Geschillencommissie Advocatuur een klacht over de dienstverlening van een advocaat aan een vrouw bij wie dementie was vastgesteld. Haar bewindvoerder vond dat de advocaat misbruik had gemaakt van haar situatie door hoge kosten te rekenen en procedures te starten zonder kans van slagen. De advocaat had op verzoek van de buren van de vrouw rechtsbijstand verleend in een procedure tegen haar onderbewindstelling en later in hoger beroep. De bewindvoerder stelde dat de vrouw niet in staat was om een opdracht te geven en dat de advocaat dit had moeten controleren. Ook werd het hoge uurtarief van €300,- betwist. De advocaat verdedigde zich door te stellen dat hij op basis van gesprekken met de vrouw en medische verklaringen mocht aannemen dat zij wilsbekwaam was. Hij had toestemming van de kantonrechter gekregen voor het hoger beroep en had zijn werkzaamheden correct en transparant gedeclareerd. De commissie oordeelde dat een advocaat in dit soort zaken niet verplicht is om diepgaand medisch onderzoek te doen naar de geestelijke toestand van een cliënt. De commissie vond geen bewijs dat de advocaat onzorgvuldig had gehandeld of onredelijke kosten had gerekend. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. Ook het tegenverzoek van de advocaat om kostenvergoeding werd afgewezen. De uitspraak is bindend en kan alleen binnen drie maanden door een rechter worden vernietigd.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft (de kwaliteit van) de dienstverlening door verweerder, alsmede de door verweerder in rekening gebrachte kosten.

Standpunt van verzoekster

Voor het standpunt van verzoekster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Verweerder heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met de cliënte, althans met haar buren op kosten van de cliënte. Verweerder heeft daarbij misbruik gemaakt van de situatie van de cliënte door een hoog uurtarief in rekening te brengen en exorbitant te declareren in procedures zonder kans van slagen.

Bij de cliënte is medio 2021 dementie vastgesteld. Vanwege een verzoek tot instelling van bewind en mentorschap zijn de buren van de cliënte zich nadrukkelijk(er) gaan bemoeien met de zorg en geestesgesteldheid van de cliënte. Zij hebben verweerder verzocht de cliënte rechtsbijstand te verlenen.

Verweerder heeft op 9 november 2021 – op afstand en dus zonder te controleren of de cliënte wel in staat was om haar wil te verklaren en een overeenkomst van opdracht aan te gaan – een opdrachtbevestiging opgemaakt en verstuurd naar het e-mailadres van de buurvrouw. Hij heeft nooit op wilsbekwaamheid van de cliënte gecontroleerd, maar is afgegaan op gegevens van de buren. Verweerder was genoegzaam bekend met de twijfels van de betrokken zorgverleners over zijn inzet. Op 26 november 2021 is de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend door de cliënte en de buurvrouw.

In de opdrachtbevestiging is een geschatte tijdsbesteding van tussen de 6 en 12 uur aangegeven. Voorts is vermeld dat het recht op een toevoeging is besproken en dat de cliënte daarvoor niet in aanmerking kwam gezien de hoogte van haar inkomen. Er is een uurtarief ‘overeengekomen’ van maar liefst € 300,– per uur exclusief 6% kantoorkosten, 21% btw en exclusief eventuele reiskosten à € 0,45 per gereden kilometer. Het door verweerder in rekening gebrachte uurtarief is (bijzonder) hoog, gezien het soort zaak en het te dienen belang. De zaak was redelijk eenvoudig en juridisch niet ingewikkeld.

Verweerder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot instelling van bewind en mentorschap. Hij heeft tegenover de kantonrechter doen voorkomen dat hij de cliënte op rechtmatige wijze rechtsbijstand verleende. Bij beschikking van 8 december 2021 heeft de kantonrechter voormeld verzoek toegewezen en is verzoekster benoemd tot bewindvoerder en mentor. Vervolgens heeft verweerder de kantonrechter gewraakt. Het daartoe strekkende verzoek is volstrekt kansloos gebleken en dus afgewezen.

Op 16 januari 2022 heeft de cliënte een briefje opgemaakt, waarmee zij verweerder opdracht zou hebben gegeven om hoger beroep in te stellen. Gezien haar geestesgesteldheid wordt sterk getwijfeld of de cliënte zelf heeft bedacht heeft om dit briefje op te maken, of dat zij dit briefje in overleg met de buren heeft opgemaakt.

Verweerder heeft naar aanleiding van de vermeende opdracht voor het hoger beroep vervolgens een opdrachtbevestiging opgemaakt, zonder vermelding van een uurtarief en zonder inschatting van de tijdsbesteding.

Op 17 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster laten weten aan het hoger beroep 15 tot 25 uur te willen besteden, tegen dezelfde financiële voorwaarden als in eerste aanleg. Verzoekster heeft aangegeven hiervoor geen toestemming te geven, omdat zij van mening is dat de cliënte niet in staat is een opdracht aan verweerder te geven. Uiteindelijk heeft de kantonrechter de advocaat machtiging verleend om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van 8 december 2021, voor 23,5 uur exclusief reistijd en tegen een uurtarief van € 300,–. Na het instellen van het hoger beroep heeft de advocaat machtiging gevraagd voor meer uren. Dit verzoek is afgewezen. Bij beschikking van 8 februari 2023 heeft het Hof de beschikking van 8 december 2021 bekrachtigd.

Bij schrijven van 12 juli 2022 zijn namens verzoekster de tussen verweerder en de cliënte gesloten overeenkomsten van opdracht ongeldig verklaard en, voor zover nodig, buitengerechtelijk vernietigd. Eerder heeft verzoekster de opdrachten al herhaaldelijk betwist.

Verzoekster is van mening dat de advocaat in strijd heeft gehandeld met de Advocatenwet, de Verordening op de Advocatuur en de Gedragsregels Advocatuur.

Verzoekster is voorts van mening dat de door verweerder ingestelde tegenvordering niet in behandeling dient te worden genomen c.q. dat verweerder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze tegenvordering, omdat deze in strijd is met artikel 15 lid 1 van het Reglement van de commissie.

Verzoekster verzoekt de commissie te bepalen dat verweerder het in rekening gebrachte bedrag van € 19.482,19 plus het klachtengeld aan de cliënte moet terugbetalen, dan wel in redelijkheid een vergoeding vast te stellen voor de schade die de cliënte door toedoen van verweerder heeft geleden.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Verweerder betwist de stellingen van verzoekster. Het verzoek van verzoekster bevat een onjuiste weergave van de feiten.

Verweerder stelt voorop dat hij voor het voeren van de appelprocedure vervangende toestemming heeft gekregen van de kantonrechter. Nu verzoekster tegen deze beschikking van de kantonrechter nimmer in beroep is gegaan, is deze in kracht van gewijsde gegaan, waardoor de beschikking thans gezag van gewijsde toekomt.
Verweerder is om die reden dan ook van mening dat klachten en/of verzoeken wat betreft de (tweede) opdrachtbevestiging van 26 januari 2022 ten behoeve van de appelprocedure niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond dienen te worden verklaard.

De (eerste) opdracht is rechtsgeldig tot stand gekomen.
Op 9 november 2021 heeft een uitvoerig persoonlijk onderhoud plaatsgevonden tussen de kantoorgenote van verweerder en de cliënte. De cliënte heeft de kantoorgenote haar situatie uitgelegd en verzocht of haar kantoor namens haar verweer wilde voeren in een procedure in eerste aanleg strekkend tot bewind en mentorschap. De kantoorgenoot heeft dit verzoek gehonoreerd. Zij heeft uitgelegd dat verweerder binnen het kantoor zaken betreffende beschermingsmaatregelen behandelde en heeft daarbij toegezegd dat hij op korte termijn zou langskomen om eveneens kennis te maken en alles te formaliseren. Uiteindelijk is het gelukt om tot een gesprek tussen de cliënte en verweerder te komen. In dit gesprek zijn onder meer de bezwaren van de cliënte tegen de oplegging van beschermingsmaatregelen besproken. De cliënte heeft daarna de opdrachtbevestiging d.d. 26 november 2021 getekend. Er bestond op dat moment geen enkele reden om aan te nemen dat de cliënte wilsonbekwaam zou zijn. Van een medische verklaring waaruit dit bleek, was geen sprake. Uit een verklaring van de specialist ouderengeneeskunde van 24 november 2021 kon juist worden afgeleid dat de cliënte nog in staat was (rechts)handelingen te verrichten. Pas kort vóór de zitting van 30 november 2021 is op verzoek van de zorginstelling die het verzoek had ingediend, een arts bij de cliënte geweest, die de cliënte min of meer heeft gedwongen mee te werken aan een onderzoek naar haar geestesgesteldheid. De – arbitrair tot stand gekomen – verklaring van de betreffende arts is later gebruikt om de beschermingsmaatregel erdoor te drukken.

Verweerder heeft zijn uiterste best gedaan om zich ervan te vergewissen dat de verklaringen van de cliënte inderdaad zagen op het totstandkomen van de overeenkomst van opdracht ten behoeve van de procedure in eerste aanleg. Het aangaan van deze overeenkomst was niet financieel nadelig voor de cliënte. De overeenkomst is niet onder invloed van een eventuele geestesstoornis tot stand gekomen. Verweerder mocht bovendien gerechtvaardigd vertrouwen op hetgeen de cliënte jegens hem heeft verklaard.

In de opdrachtbevestiging is aangegeven dat verweerder de zaak niet op basis van gefinancierde rechtsbijstand zou behandelen. Dit staat hem vrij. Bovendien kwam de cliënte vanwege haar vermogen niet in aanmerking voor een toevoeging. In de opdrachtbevestiging staat het uurtarief van de advocaat (€ 300,– exclusief BTW, kantoorkosten en reiskosten) vermeld. Dit was indertijd het standaarduurtarief van verweerder en was gezien zijn expertise in zaken met beschermingsmaatregelen en de spoed zeker niet excessief.

Ten aanzien van de tweede overeenkomst van opdracht van 26 januari 2022 merkt verweerder nog op als volgt.

Nadat het verzoek tot instelling van bewind en mentorschap in eerste aanleg was toegewezen, heeft de cliënte verweerder verzocht om namens haar hoger beroep in te stellen. Uit de van toepassing zijnde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek volgt dat zij hiertoe bevoegd was. Verweerder heeft zich ervan vergewist dat de cliënte inderdaad in beroep wilde gaan. Zij heeft de opdracht later niet ingetrokken. Met de cliënte zelf zijn geen afspraken over de kosten van het hoger beroep gemaakt. Verweerder heeft tevergeefs getracht hierover met de bewindvoerder overeenstemming te bereiken. Daarom heeft verweerder toestemming aan de kantonrechter gevraagd. Deze heeft de door verweerder begrote kosten voor het hoger beroep goedgekeurd. De bewindvoerder heeft daartegen geen bezwaren geuit en de declaraties van verweerder voldaan. Pas op 12 juli 2022 is – middels de ‘buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomsten van opdracht’ – voor het eerst tegen de declaraties geprotesteerd. Toen het aantal begrote uren werd overschreden, heeft verweerder de kantonrechter toestemming gevraagd om extra uren in rekening te mogen brengen. Dit verzoek is afgewezen. Desondanks is verweerder zich blijven inzetten voor de cliënte. Een groot gedeelte van de tijd besteed aan het hoger beroep is niet in rekening gebracht.

Verweerder betwist dat hij in strijd heeft gehandeld met kernwaarden en Gedragsregels. Hij heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Verweerder is van mening dat verzoekster geen recht toekomt op (gedeeltelijke) terugbetaling, nu enige vernietigingsgrond voor de overeenkomsten van opdracht ten behoeve van de procedure in eerste aanleg ontbreekt. Hij verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren en het door verzoekster verzochte af te wijzen.

Volgens verweerder is sprake van misbruik van procesrecht door verzoekster, dat een onrechtmatige daad jegens hem oplevert. Op grond daarvan verzoekt hij de commissie verzoekster te veroordelen tot betaling van de door hem daadwerkelijk gemaakte kosten voor deze procedure, ten bedrage van € 23.920,49.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van verweerder hanteert dat deze heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie stelt vast dat verweerder twee overeenkomsten van opdracht met de cliënte heeft gesloten. Deze betreffen een procedure in eerste aanleg waarin verweerder verweer heeft gevoerd tegen het verzoek tot benoeming van een mentor en bewindvoerder, alsmede een procedure in hoger beroep tegen de uitspraak van 8 december 2021 waarin verzoekster tot bewindvoerder en mentor is benoemd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder deze overeenkomsten niet had mogen sluiten, omdat de cliënte niet compos mentis was. Verweerder heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.

De commissie is in het algemeen van oordeel dat degene jegens wie een verzoek tot onderbewindstelling is ingediend, in staat moet worden geacht een advocaat in te schakelen om verweer tegen dit verzoek te voeren. Hetzelfde geldt voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak waarbij de onderbewindstelling is uitgesproken. Van een advocaat mag, indien hij voor het voeren van een dergelijk verweer of het instellen van een dergelijk hoger beroep wordt benaderd, niet worden verwacht dat hij een diepgaand c.q. medisch onderzoek doet of laat doen naar de geestelijke gesteldheid van de betreffende persoon, wat diens toestand ook is. Verweerder verwijst in dit verband naar het oordeel van de commissie terecht naar artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).

Ook in dit geval is de commissie van oordeel dat verweerder de opdrachten van de cliënte heeft mogen aanvaarden en dat hij daarom werkzaamheden voor haar heeft mogen verrichten.

Verzoekster plaatst vraagtekens bij de inhoudelijke behandeling van de zaak door verweerder. De commissie treft in de overgelegde stukken geen gronden of aanwijzingen aan voor de door verzoekster geformuleerde en door de advocaat gemotiveerd weersproken verwijten. In weerwil van het door de verzoekster gestelde kan in deze op grond van hetgeen is ingebracht naar het oordeel van de commissie niet de conclusie worden getrokken dat de uitvoering van de opdrachten niet naar behoren heeft plaatsgevonden. Van het voeren van procedures zonder kans van slagen is de commissie niet gebleken. Verzoekster heeft verder noch in de stukken noch ter zitting gespecificeerd en onderbouwd aangegeven op welke punten verweerder volgens haar ten aanzien van de behandeling van de zaak in gebreke is gebleven.

Aan de orde zijn dan de door verweerder in rekening gebrachte kosten. De commissie merkt vooraf op dat zij sinds het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) – ook ambtshalve – dient te toetsen of de ondernemer (de advocaat) de consument informatie heeft verschaft die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Echter, de opdrachten in de onderhavige zaak zijn gegeven vóór de datum van voormeld arrest. Nu verweerder op dat moment niet op de hoogte kon zijn van de gevolgen van voormelde Europese uitspraak, zal de commissie de ambtshalve toetsing aan genoemde uitspraak van het Hof van Justitie niet uitvoeren.

Verweerder heeft verzoekster bijgestaan op betalende basis. Hij stelt terecht dat dit hem vrijstond, nog daargelaten dat de cliënte waarschijnlijk niet voor een toevoeging in aanmerking zou zijn gekomen. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat hij in totaal een bedrag van € 17.736,34 (inclusief BTW) in rekening heeft gebracht voor beide procedures. Verweerder heeft dit bedrag verantwoord middels periodieke toezending van declaraties en urenspecificaties, zowel vóór als na de formele onderbewindstelling. Vanaf het moment dat verzoekster betrokken is zijn deze facturen en urenspecificaties aan haar toegezonden. Deze facturen, die de procedure in hoger beroep betreffen, zijn door verzoekster voldaan. Verweerder heeft verzoekster ook de facturen doen toekomen, die vóór haar betrokkenheid zijn verstuurd en die de procedure in eerste aanleg betreffen. Deze facturen waren – zo leidt de commissie af uit de pleitaantekeningen die verweerder aan het dossier heeft toegevoegd – kennelijk reeds voldaan door of namens de cliënte.

Verzoekster heeft tegen deze facturen nimmer gespecificeerd geprotesteerd anders dan dat op 12 juli 2022 is aangegeven dat de overeenkomsten van opdrachten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en dat deze daarom buitengerechtelijk vernietigd werden. Zoals hiervoor is overwogen, is de commissie echter van oordeel dat verweerder de opdrachten heeft mogen aanvaarden en de overeenkomsten dus heeft mogen sluiten. Verzoekster heeft in deze procedure het uurtarief van verweerder betwist. In weerwil van het door verzoekster gestelde acht de commissie dit tarief echter niet onredelijk hoog.

De commissie stelt voorts vast dat verzoekster de facturen niet inhoudelijk heeft betwist. Ook ter zitting zijn geen concrete bezwaren geuit tegen de op de facturen vermelde werkzaamheden. Gelet op uit de urenspecificaties blijkende aard en omvang van de verrichtingen van verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep komen de facturen de commissie niet bovenmatig voor. Voor wat betreft het hoger beroep merkt de commissie nog op dat de kantonrechter op 2 maart 2022 machtiging heeft verleend voor het door verweerder voor deze procedure begrote aantal uren (23,5 exclusief reistijd). Onweersproken is dat verweerder meer uren aan de appelprocedure heeft besteed, maar deze niet in rekening heeft gebracht

Het geheel overziende komt de commissie tot de conclusie dat verweerder heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Dit betekent dat de klacht van verzoekster ongegrond zal worden verklaard en dat het door haar verzochte zal worden afgewezen.

Nu de klacht van verzoekster ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor haar rekening.

Het verzoek van verweerder om verzoekster te veroordelen in de kosten van deze procedure zal worden afgewezen. De commissie gaat slechts in bijzondere gevallen over tot veroordeling in de kosten die verband houden met de behandeling van het geschil door de commissie. De commissie merkt in dit verband op dat de procedure bij de commissie laagdrempelig en eenvoudig dient te zijn, waarbij in beginsel geen veroordeling in deze kosten past. De commissie acht in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig om een vergoeding voor de door verweerder verzochte kosten toe te kennen.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– Verklaart de klacht van verzoekster ongegrond en wijst het door haar verzochte af;

– Wijst het tegenverzoek van verweerder af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk en de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 21 januari 2025.

Opslaan als PDF