Advocaat heeft dekking polis niet ondertekend, klacht over declaratie zijn niet tardief. Advocaat had alertheid aan de dag moeten leggen, declaratie niet in verhouding.

  • Home >>
  • Advocatuur Zakelijk >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur Zakelijk    Categorie: Declaratie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV10-0134

De uitspraak:

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in de door beide partijen ondertekende akte van compromis, gedateerd 24 augustus 2010, waarbij partijen zich voor de beslechting van hun geschil ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of uitvoering van de dienstverlening onderwerpen aan arbitrage door de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie). Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Partijen zijn tevens overeengekomen dat alle geschillen – zoals hiervoor omschreven – zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).   De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede mannen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.   Standpunt eiser   Eiseres wenst de declaraties, die verweerder ondanks herhaalde betalingsherinneringen niet heeft voldaan, ter incasso aan de commissie voor te leggen. [De advocaat] heeft aan [de cliënt] rechtsbijstand verleend in vijf rechtsprocedures. Voor zijn werkzaamheden heeft de advocaat declaraties verzonden die (deels) onbetaald zijn gebleven. Mitsdien verzoekt de advocaat – zoals ook ter zitting door hem is erkend – de cliënt te veroordelen tot betaling van de resterende openstaande declaraties van in totaal € 32.641,61.   Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het op het volgende neer. Vanaf het begin is de aanpak van de advocaat erop gericht om de aanspraak op schadevergoeding zo klein mogelijk te laten zijn. Eerst toen de omvang van de schade vaststond, werd het nuttig om met de verzekeraar en het assurantiekantoor in onderhandeling te treden over hun aandeel in de vergoeding ervan. De cliënt was op de hoogte van het kostenverloop. De rechtsbijstandverzekeraar van de cliënt heeft hem op de hoogte gesteld dat het kostenmaximum op de rechtsbijstandpolis in zicht was. Bijna een half jaar later heeft de rechtsbijstandverzekeraar laten weten dat het overeengekomen kostenmaximum was bereikt. Nadat het kostenmaximum in zicht was, heeft de advocaat met de cliënt afgesproken een tweede kostenmaximum aan te vragen voor de kwestie van de assurantietussenpersoon. Die aanvragen zijn door [de rechtsbijstandsverzekeraar] afgewezen. In de visie van de advocaat heeft de cliënt bijzonder lang gewacht met het achteraf uiten van zijn grieven tegen de facturen waarvan thans de betaling wordt gevorderd. Volgens de advocaat zijn deze klachten dan ook tardief. De advocaat is niet meer bij de zaak betrokken, zodat hij – mede gelet op de verzekeringspolissen en de vertrouwensbreuk tussen hem en de cliënt – niet kan bewerkstelligen dat de kosten van rechtsbijstand door de verzekeraar worden gedekt.   De advocaat verzoekt de commissie zijn vordering toe te wijzen.   Standpunt verweerder   Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de klachten op het volgende neer.   De advocaat heeft nagelaten de cliënt te behoeden voor onnodige kosten. De inspanningen van een advocaat moeten erop gericht zijn om de cliënt niet onnodig op kosten te jagen. De door de cliënt ter beschikking gestelde polissen voorzagen expliciet in de mogelijkheid om de kosten van juridische bijstand ten laste van één of meerdere verzekeraars te brengen. De kosten van de advocaat zijn ten onrechte integraal bij de cliënt in rekening gebracht. De advocaat had de plicht om het nodige in gang te zetten teneinde tot daadwerkelijke vergoeding van zijn honorarium door de verzekeraar over te gaan te meer de cliënt daarom meerdere malen heeft verzocht. Tijdens de periode dat [de rechtsbijstandsverzekeraar] de kosten van rechtsbijstand vergoedde, heeft de advocaat de cliënt niet op de hoogte gesteld zodat het uit de dekking lopen als een donderslag bij heldere hemel kwam. Nadat bleek dat zijn rechtsbijstandverzekeraar niet alle werkzaamheden meer zou vergoeden, heeft de cliënt de advocaat herhaaldelijk verzocht om een begroting van de in de toekomst te verrichten werkzaamheden. De advocaat heeft dat nimmer verstrekt. Bovendien is de advocaat in de richting van de veroorzaker van de brand onvoldoende proactief geweest. Een belangrijk deel van de werkzaamheden is verricht door een kantoorgenoot van de advocaat. Tijdens de vakantie van de advocaat diende deze kantoorgenoot zich volledig in te lezen in het dossier. De cliënt meent dat alle uren van de kantoorgenoot dienen te worden gecrediteerd.   De cliënt verzoekt de commissie primair te bepalen dat door de advocaat overgelegde facturen niet door de cliënt behoeven te worden betaald. Subsidiair verzoekt de cliënt de commissie dat betaling van de facturen mag worden opgeschort totdat de advocaat aantoonbaar initiatieven heeft ondernomen om deze voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking te doen komen en vervolgens vaststaat dat deze – anders dan vanwege het feit dat tijdige melding namens de cliënt achterwege is gebleven – deze niet door de verzekeraar zullen worden vergoed. Meer subsidiair verzoekt de cliënt de commissie de declaraties te matigen om redenen van redelijkheid en billijkheid gelet op alle omstandigheden van het geval.   Behandeling van het geschil   Op 12 januari 2011 heeft te Utrecht de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden.   Aangezien bij het secretariaat van de commissie vijf geschillen aanhangig zijn gemaakt, bij partijen en de commissie genoegzaam bekend onder de dossiernummers ADV 10 0134B, ADV 10 0135B, ADV 10 -0136B, ADV 10 -0137B en ADV 10- 0138B, en deze geschillen in samenhang dienen te worden beschouwd, heeft de commissie de zaken gevoegd behandeld.   Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.   Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. De advocaat is ter zitting bijgestaan door [zijn kantoorgenoot]. De cliënt is ter zitting bijgestaan door [zijn huidige advocaat] en [zijn echtgenote].   Beoordeling van het geschil   De advocaat heeft verzocht de cliënt te veroordelen tot betaling van de thans nog openstaande declaraties van in totaal € 32.641,61 (inclusief BTW). De advocaat heeft de cliënt bijgestaan in een vijftal procedures betreffende een verzekeringskwestie. De cliënt had een bedrijfspand gehuurd. In dat pand oefende hij voor eigen rekening en risico een bedrijf uit dat zich bezig hield met de ombouw van campers. Daarnaast heeft de cliënt een eigen bedrijf in scheepsbetimmering, beide in de vorm van een eenmanszaak. De cliënt wenste dat het pand en de inventaris zou worden verzekerd en heeft zijn assurantietussenpersoon verzocht hiervoor een offerte uit te brengen. Cliënt is met deze offerte telefonisch akkoord gegaan, waarna de verzekeraar hem de polissen heeft toegezonden. In februari 2008 is het door de cliënt gehuurde pand door brand verwoest. De cliënt is na de brand in rechte aangesproken door de eigenaren van de campers waaraan de cliënt werkzaamheden uitvoerde. Ook is de cliënt ter zake schade van zowel zichzelf als van derden aangesproken door de eigenaar van het pand. Op zijn beurt heeft de advocaat op verzoek van de cliënt de verzekeraar, de assurantietussenpersoon en de eigenaar van het pand gedagvaard. Bij brief van 25 juni 2008 heeft de rechtsbijstandverzekeraar aan de advocaat meegedeeld dat aan zijn werkzaamheden een kostenmaximum is verbonden van € 25.000,– (exclusief BTW).   Kern van de klachten van de cliënt is dat de advocaat heeft verzuimd de mogelijkheden te onderzoeken om zijn honorarium ten laste van een derde te brengen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie gebleken dat de advocaat daaraan geen althans onvoldoende aandacht heeft besteed. In artikel 3.1 en 3.1.2 van de overgelegde algemene verzekeringsvoorwaarden AVB-0601 behorende bij de aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven staat vermeld: ”Verzekeraars vergoeden voor alle verzekerden tezamen per aanspraak respectievelijk per verzekeringsjaar tot ten hoogste het in de polis vermelde verzekerd bedrag: de overeenkomstig artikel 6 met goedvinden of op verlangen van verzekeraars gemaakte kosten van verweer tegen door derden ingestelde, onder deze polis gedekte, aanspraken, ook al blijken deze ongegrond, met inbegrip van de proceskosten tot betaling waarvan verzekerden mochten worden veroordeeld.”   Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat deze bepaling genegeerd, althans het is de commissie niet gebleken dat de advocaat heeft onderkend de verzekeringspolissen op dekking ten behoeve van de advocaatkosten te controleren. De advocaat is dan ook tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht. De cliënt mag een dergelijke onderzoeksplicht in redelijkheid van een advocaat verwachten. Mitsdien heeft de advocaat de cliënt afgehouden van de mogelijkheid om zijn kosten van rechtsbijstand door de verzekeraar te doen vergoeden. Naar het oordeel van de commissie had in ieder geval het honorarium dat de advocaat bij de cliënt in rekening heeft gebracht ter zake de procedure van de veroorzaker van de brand, onder genoemd artikel kunnen vallen. De kosten van de vrijwaringsprocedure zijn door de advocaat niet meegenomen. Tijdens de mondelinge behandeling voor de commissie heeft de advocaat daaromtrent ook geen uitleg kunnen geven. Van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht dat deze zich niet uitsluitend lijdelijk opstelt maar zonodig een actievere houding inneemt. Ook nadat de verzekeringsmaatschappij bij brief van 6 oktober 2008 aan de advocaat om nadere informatie heeft verzocht, heeft de advocaat de zaak niet adequaat opgepakt. Immers, uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat door de advocaat op deze brief is geantwoord dan wel dat de advocaat met de verzekeraar in overleg is getreden om op basis van de polis te bezien in hoeverre kosten vergoed zouden kunnen worden dan wel een procedure zou kunnen worden vermeden. De commissie is van oordeel dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Bovendien komt de commissie de totale tijd die de advocaat heeft geschreven en in rekening gebracht in relatie tot de verrichte werkzaamheden, onder meer voor de kortgedingprocedure, bovenmatig voor. Dit klemt temeer nu de commissie verder geen substantiële stukken dan wel onderbouwing heeft aangetroffen die dit hoge aantal uren kunnen rechtvaardigen. De stelling van de advocaat dat de door de cliënt geuite klachten omtrent de declaraties tardief zijn, wordt door de commissie verworpen nu zij dit in strijd acht met de redelijkheid en billijkheid. Cliënt heeft bovendien direct nadat de grens van de vergoeding van de advocaatkosten op grond van de rechtsbijstandverzekering was bereikt, tegen de declaraties geprotesteerd en aangegeven dat zij deze niet zou kunnen voldoen. Bovendien kon en mocht de advocaat verwachten, gezien de hoogte van de belastbare winst van de ondernemingen die hem bekend moest zijn en bekend had kunnen zijn, dat betaling van de declaraties op problemen zou stuiten. Vervolgens heeft de advocaat zich in eerste instantie gewend tot de Raad van Toezicht ter begroting van zijn honorarium. Door tussenkomst van de betreffende Deken is het geschil voorgelegd aan de commissie. Dat de cliënt vervolgens gemotiveerd verweer voert tegen de declaraties, kan hem in dit stadium niet worden tegengeworpen. In het licht van het vorenstaande kan de commissie de stelling van de advocaat hieromtrent niet plaatsen.   Bij brief van 23 november 2009 heeft de rechtsbijstandverzekeraar aan de cliënt meegedeeld dat het kostenmaximum van € 25.000,– (exclusief BTW) was bereikt. Daarbij is voorts meegedeeld dat zij de advocaat zullen verzoeken de declaraties in het vervolg rechtstreeks aan de cliënt te zenden. Deze ontwikkeling had voor de advocaat naar het oordeel van de commissie aanleiding moeten zijn om extra alertheid aan de dag te leggen en aan de cliënt moeten signaleren welke financiële consequenties verbonden waren aan deze mededeling. Ook hierin is de advocaat tekort geschoten. Opvallend is dat na het verbruiken van het bedrag waarvoor de dekking gold (het kostenmaximum) volledig is verbruikt (hierna te noemen: uitputting) aan de cliënt een aanzienlijke declaratie wordt toegezonden zonder dat vóórdien cliënt op de hoogte was gesteld van de uitputting van de polis, iets waarop de cliënt niet bedacht was en hetgeen de advocaat had kunnen voorzien.   Gelet op het vorenstaande is de commissie van oordeel dat het totaal van de in rekening gebrachte kosten met inbegrip van het geheel dat door de rechtsbijstandverzekeraar is vergoed, totaal € 57.641,61 niet in verhouding staat tot de werkzaamheden, die zijn verricht, althans voor zover deze de commissie zijn gebleken. Bovendien had het op de weg van de advocaat gelegen, na de uitputting van de rechtsbijstandsverzekeringspolis gezien de financiële positie van cliënt, met de cliënt in overleg te treden over de verdere financiering van de werkzaamheden en de declaraties van de advocaat. Gezien het vorenstaande acht de commissie het dan ook niet redelijk dat de advocaat aanspraak maakt op integrale betaling van zijn declaraties. Bij een juist handelen van de advocaat had mogelijk voorkomen kunnen worden dat de declaraties zo hoog zijn opgelopen, terwijl bovendien na de uitputting van de rechtsbijstandsverzekeringspolis overleg met de cliënt mogelijk had kunnen leiden tot aangepaste declaratieafspraken. Het had op de weg van de advocaat gelegen hiertoe het initiatief te nemen.   Gelet op het vorenstaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de commissie het dan ook redelijk dat het nog resterende openstaande deel van de declaraties wordt gematigd in die zin dat de cliënt aan de advocaat nog in het totaal € 14.000,– verschuldigd is van het totaal resterende saldo van € 32.641,61 (inclusief BTW). De commissie heeft daarbij enerzijds in overweging genomen dat door de cliënt en de rechtsbijstandsverzekeraar al een aanzienlijk bedrag aan de advocaat is voldaan, de advocaat substantiële werkzaamheden voor de cliënt heeft verricht, waartegenover echter staat dat deze omvang vrijwel zeker beperkt had kunnen worden bij een juiste beoordeling van de verzekeringspolissen, maar bovendien ook aanzienlijk beperkt had kunnen worden indien de correspondentie over de dekking met de assuradeur op een andere wijze was vervolgd en mogelijk tot een ander resultaat had geleid. Vanuit dit perspectief stelt de commissie dan ook het restant van de declaraties door de cliënt nog verschuldigd vast op € 14.000,– (inclusief BTW), welk bedrag betrekking heeft op het saldo van alle vijf bij de commissie ingediende geschillen en derhalve het totaalbedrag, dat de cliënt eenmalig aan de advocaat nog dient te voldoen ter afdoening.   De commissie ziet geen reden voor het toekennen van het subsidiaire verzoek van de cliënt. Dit verzoek van de cliënt zal dan ook worden afgewezen.   Nu de advocaat grotendeels in het ongelijk is gesteld blijven alle reeds door hem betaalde arbitragekosten, ter zake het door de Stichting Geschillencommissie voor Beroep en Bedrijf (SGB) vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters, voor zijn rekening. De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie:   – veroordeelt de cliënt om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 14.000,– (inclusief BTW) dat betrekking heeft op alle vijf bij de commissie ingediende geschillen en betreft derhalve een totaalbedrag dat de cliënt eenmalig aan de advocaat dient te voldoen ter gezamenlijke afdoening van genoemde geschillen;   – wijst het meer of anders gevorderde af.   Dit arbitraal vonnis is gewezen te Utrecht op 18 februari 2011 door de Geschillencommissie Advocatuur.