Advocaat krijgt deels gelijk in kostenkwestie

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur    Categorie: Betaling / Factuur    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: arbitraal vonnis   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 627606/679515

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een advocaat eiste betaling van € 1.588 en daarnaast € 883,30 aan extra kosten. De commissie oordeelde dat verweerder het bedrag van € 1.588 moet betalen, bestaande uit proceskostenvergoeding en eigen bijdrage, vermeerderd met wettelijke rente. Het extra bedrag van € 883,30 werd afgewezen omdat de advocaat hierover geen duidelijke afspraken had gemaakt en onvoldoende transparant was over de kosten.

De volledige uitspraak

Ondergetekenden:

de heer mr. N. Schaar te Bussum, de heer mr. I.L. Haverkate te Abcoude en de heer W.F. de Ruijter te Alphen aan den Rijn, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

Op 10 september 2024 heeft eiser verweerder een e-mail gestuurd waarin hij verweerder erop heeft gewezen dat hij zijn vordering zal voorleggen aan de commissie. Hij heeft verweerder er in deze e-mail tevens op gewezen dat verweerder kan kiezen tussen beslechting van het geschil door de commissie dan wel door de gewone rechter. Eiser heeft verweerder verzocht aan te geven waar zijn voorkeur naar uit gaat. Eiser heeft tevens aangegeven dat indien verweerder hierop niet reageert, eiser het geschil verder zal voortzetten bij de commissie. Verweerder heeft op 10 september 2024 op deze e-mail gereageerd, maar is niet inhoudelijk ingegaan op de door verweerder gestelde vraag ten aanzien van de forumkeuze. Eiser heeft vervolgens het geschil aanhangig gemaakt bij de commissie en verweerder heeft hiertegen verweer gevoerd en zijn standpunt ter zitting toegelicht.

De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Als plaats van arbitrage is Utrecht vastgesteld.

Standpunt van eiser

Voor het standpunt van eiser verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Eiser verzoekt de commissie om verweerder te veroordelen in de betaling van een vordering van
€ 1.588,– te verhogen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit twee bedragen, te weten een bedrag ad € 1.392,- welke op 26 juli 2019 werd bijgeschreven op de [stichting] van de advocaat. Dit bedrag is op 30 juli 2019 aan verweerder betaald. Dat was een vergissing aangezien verweerder op toevoeging procedeerde waarbij de Raad voor Rechtsbijstand de vergoeding op de toevoeging op nihil had gesteld.
Eiser heeft zich hierover uitgelaten in een e-mail van 20 april 2020, waarop verweerder heeft verklaard dit bedrag aan eiser verschuldigd te zijn. Dit dient te worden opgevat als een onvoorwaardelijke schuldbekentenis. Het tweede bedrag betreft de eigen bijdrage voor de toevoeging tot een bedrag van
€ 196,– welk bedrag door de Raad voor Rechtsbijstand werd vastgesteld en welk bedrag verweerder van rechtswege aan eiser verschuldigd is.

Op 27 januari 2025 heeft eiser zijn vordering verhoogd met een bedrag van € 883,30 met de wettelijke rente 14 dagen na 1 oktober 2024. Lopende de werkzaamheden heeft verweerder de zaak met rechtsbijstandsverzekeraar op 9 augustus 2024 afgekocht voor een bedrag van € 2.000,– terwijl de werkzaamheden van eiser nog doorliepen tot 6 september 2024. Eiser heeft hierover zijn beklag gedaan bij rechtsbijstandsverzekeraar en daarover verweerder in kennis gesteld, die vervolgens de zaak heeft overgenomen door een klacht in te dienen bij het KiFid. Eiser beschikt niet over een uitspraak van KiFid zodat hij de commissie over het verdere verloop niet kan inlichten.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Verweerder ontkent de stellingen van eiser ten zeerste. Wat eiser aangeeft is onjuist. Eiser eist nu een bedrag terug in een zaak waarin hij in hoger beroep is gegaan over de huur die verweerder wel juist had betaald. Woningcorporatie heeft de zaak verloren. Daarop kreeg verweerder een mail van eiser, waarin eiser heeft aangegeven dat verweerder dat bedrag betaald zou krijgen en dat dat ook eerlijk zou zijn.

De rechtsbijstandsverzekeraar van verweerder vond dat hij te veel meldingen had gedaan en op 1 juli 2024, de commissie begrijpt 9 augustus 2024, werd de rechtsbijstand opgezegd. Deze zaak loopt nu bij de Kifid. Eiser heeft toen aangegeven dat de zaak tussen verweerder en eiser daarmee ook ten einde was en verder niets. Eiser heeft verweerder niet laten zien wat hij heeft gedeclareerd. Hij wil alleen snel geld, terwijl hij zijn werk niet goed heeft gedaan. Daarop heeft verweerder contact opgenomen met het juridisch loket. Die zochten voor hem een advocaat en deze kwam direct met een bewijslast. Inmiddels zijn door Woonkeur woningcorporatie de problemen erkend en loopt er een procedure om de schadevergoedingen.
Er is door de nieuwe advocaat een laatste mail verstuurd aan woningcorporatie. Als zij niet voor volgende week antwoorden dan gaat de advocaat naar de rechter of huurcommissie.

Behandeling van het geschil

Op 15 april 2025 heeft te Utrecht de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. M. Gardenier fungerend als secretaris.
Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van eiser hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Ten aanzien van de vordering van in totaal € 1.588,– komt uit een email van verweerder aan eiser van 20 april 2020 naar voren dat betaling van genoemd bedrag is toegezegd door verweerder. € 1.392,– betreft de proceskostenvergoeding waartoe woningcorporatie is veroordeeld in het arrest van het Hof plaatsnaam van
23 juli 2019. € 196,– betreft de door de verweerder aan eiser te betalen eigen bijdrage die aan verweerder is opgelegd door de Raad voor Rechtsbijstand.
De commissie is gelet op het bovenstaande dan ook van oordeel dat verweerder gehouden is tot betaling van € 1.588,– aan eiser en zal verweerder tot betaling hiervan veroordelen.

Voor wat betreft de verhoging van de vordering van eiser met een bedrag van € 883,30 heeft de commissie het volgende overwogen.

Op 9 augustus 2024 heeft de heer [naam] van rechtsbijstandsverzekeraar een e-mail gestuurd aan verweerder, waarin wordt aangegeven dat verweerder en rechtsbijstandsverzekeraar een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, inhoudende dat rechtsbijstandsverzekeraar een bedrag van € 2.000,– heeft betaald voor kosten van rechtsbijstand onder de voorwaarde dat rechtsbijstandsverzekeraar al haar lopende dossiers sluit. Er wordt tevens opgemerkt dat verdere kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser is in deze mail meegenomen, zodat hij hiervan op de hoogte was.

Na 9 augustus 2024 heeft eiser nog werkzaamheden verricht voor verweerder. Hij heeft op
6 september 2024 een afsluitende factuur gestuurd van € 2.178,–. Op 25 september 2024 heeft de
rechtsbijstandsverzekeraar naar aanleiding van deze factuur aan eiser een e-mail gestuurd waarin met verwijzing naar de op 9 augustus 2024 gesloten vaststellingsovereenkomst wordt gemeld dat rechtsbijstandsverzekeraar geen verdere kosten zal vergoeden. De door eiser gemaakte uren tot 9 augustus 2024 zijn vergoed, wat neerkomt op betaling van een bedrag van € 1.294,70 inclusief BTW, zodat nog openstaat een bedrag van € 883,30. Eiser heeft hierover zijn beklag gedaan bij de rechtsbijstandsverzekeraar en aangegeven dat de rechtsbijstandsverzekeraar zijn opdrachtgever is en niet verweerder. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft deze klacht op 2 oktober 2024 afgewezen en aangegeven dat verweerder de opdrachtgever van eiser is en eiser zich tot hem moet wenden met betrekking tot zijn kosten. Eiser heeft vervolgens op 11 november 2024 aan verweerder bericht dat het restant van de factuur van 6 september 2024, te weten een bedrag van € 883,30 (€ 2.178,00 – € 1.294,70) nog openstaat en door verweerder betaald dient te worden en dat eiser zijn vordering bij de commissie zal verhogen met dit bedrag. Dit heeft eiser vervolgens op 27 januari 2025 gedaan.

De commissie stelt vast dat tussen partijen geen duidelijke prijsafspraken zijn gemaakt terzake de werkzaamheden van eiser en dat door eiser geen opdrachtbevestiging is verstuurd aan verweerder.
Evenmin is sprake geweest van een (tussentijdse) kostenopgave/declaratie, waaruit verweerder de kosten en het uurtarief had kunnen afleiden. De verantwoordelijkheid tot een transparante en duidelijke kostenopgave rust primair op eiser. Hij heeft hieraan niet voldaan. Pas voor het eerst op 11 november 2024 is verweerder op de hoogte gesteld van de openstaande vordering op hem van € 883,30, waarbij eiser tevens direct heeft aangegeven deze vordering bij de commissie in te dienen. Verweerder is niet eerder op de hoogte gesteld van deze kosten of in de gelegenheid gesteld deze kosten te voldoen.

Bovendien was eiser op 9 augustus 2024 op de hoogte van het feit dat de rechtsbijstandsverzekeraar vanaf deze datum geen verdere kosten zou vergoeden. Het had van eiser verwacht mogen worden dat hij verweerder had laten weten dat verdere werkzaamheden nu voor rekening van verweerder zouden komen.

Door op geen enkele wijze met verweerder afspraken te maken over de door eiser te maken kosten,
heeft eiser niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.
De commissie zal het door eiser gevorderde bedrag van € 883,30 vermeerderd met wettelijke rente in redelijkheid dan ook afwijzen.

De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Beslissing

De commissie:

– wijst de vordering van eiser toe tot een bedrag van € 1.588,– en veroordeelt verweerder tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van indienen van het verzoek bij de commissie tot aan de dag der algehele betaling;
– bepaalt dat het bedrag dat eiser ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie;
– wijst het meer of anders verzochte af.

Opslaan als PDF