Commissie: Advocatuur
Categorie: Kwaliteit dienstverlening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
636979/912363
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënt klaagde bij de Geschillencommissie Advocatuur omdat zijn advocaat hem niet meer wilde bijstaan in hoger beroep tegen het UWV. De cliënt vond dat dit onverwachts gebeurde en dat hij daardoor extra kosten moest maken bij een nieuwe advocaat. De commissie stelde vast dat de oorspronkelijke opdracht alleen zag op de procedures in eerste aanleg en dat het hoger beroep een nieuwe opdracht zou zijn. De advocaat mocht zelf beslissen of hij die wilde aannemen en heeft zorgvuldig gehandeld door de cliënt tijd te geven een opvolger te vinden en de appeltermijn veilig te stellen. Dat de nieuwe advocaat zich moest inlezen en kosten maakte, kan niet aan de eerste advocaat worden toegerekend. De klacht is daarom ongegrond en de gevraagde schadevergoeding werd afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De advocaat heeft de cliënt vanaf 2019 bijgestaan in een procedure tegen het UWV. Op 8 mei 2023 liet de advocaat de cliënt volkomen onverwachts weten hem niet meer te zullen bijstaan in het vervolg/ hoger beroep tegen de rechterlijke uitspraak van 1 maart 2023, met als enige reden dat de advocaat geen civiele zaken meer wil doen. Dit na eerdere intentieverklaringen dit wel te zullen en willen doen.
De cliënt moest op zoek gaan naar een andere advocaat die het zeer omvangrijke dossier wilde overnemen. Dit is na vier weken intensief zoeken gelukt. Dit betekende wel dat deze nieuwe advocaat het gehele dossier moest bestuderen. Deze werkzaamheden had de advocaat dan ook niet behoeven te verrichten. Aldus werd de cliënt geconfronteerd met een grote financiële schade. Deze schade is het directe gevolg van genoemd besluit van de advocaat. De cliënt heeft de advocaat voorgesteld zijn laatste factuur niet meer bij de cliënt in rekening te brengen en deze weg te strepen tegen de eerste factuur van zijn opvolger. Hier ging de advocaat niet op in. Wel schrapte hij enkele posten waartegen de cliënt bezwaar had gemaakt. Met dit uit coulance verminderen van het factuurbedrag bleef de financiële schade nog steeds erg groot. De cliënt heeft dan ook de advocaat voorgesteld om de factuur van zijn nieuwe advocaat, te weten
€ 925,–, voor een deel te vergoeden. Op dit voorstel werd ook niet ingegaan. De cliënt wil het schadebedrag dan ook thans verhogen naar een bedrag van € 2.500, –, zijnde 6,5 in rekening gebrachte declarabele uren van de opvolgend advocaat.
Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Tussen de cliënt en de advocaat is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen die enkel zag op twee procedures in eerste aanleg tegen het UWV met betrekking tot aansprakelijkheid en schadevergoeding. De advocaat heeft de cliënt voorafgaand aan de uitspraak in de schadestaatprocedure van 1 maart 2023 steeds gezegd dat hij nog niet kon zeggen of hij hem ook zou bijstaan in hoger beroep. De cliënt heeft hier wel diverse keren gedurende de procedure om gevraagd, terwijl de advocaat heeft aangegeven de uitspraak van de rechtbank te willen afwachten en goed te willen bestuderen, alvorens hij iets kon zeggen over een eventueel (hoger) beroep. De cliënt liet zelf bij brief van 14 maart 2023 weten dat hij in hoger beroep wilde vanwege een aantal punten. Ook dat heeft de advocaat meegenomen bij de bestudering van de uitspraak. Na bestudering en (laten) onderzoeken van allerlei aspecten en het overleggen met kantoorgenoten over de zaak heeft de advocaat geconcludeerd dat het hoger beroep veel van hem zou vergen qua tijd en inspanning, terwijl hij zijn civiele praktijk al geruime tijd aan het afbouwen was. De advocaat heeft een persoonlijke afweging gemaakt waarom hij het hoger beroep niet wilde doen.
De advocaat heeft een belafspraak gemaakt met de cliënt op 8 mei 2023, waarin hij heeft uitgelegd dat en waarom hij het hoger beroep niet wilde doen. Ook heeft de advocaat toen direct bespreekbaar gemaakt hoe de cliënt verder kon met de zaak en voorgesteld om de appeldagvaarding uit te laten gaan met een in overleg te bepalen langere aanbrengtermijn. Uiteindelijk is een termijn van zes maanden besproken, zodat de cliënt niet alleen voldoende tijd had om een nieuwe advocaat te zoeken, maar ook de advocaat nog ruim voldoende tijd zou hebben om het hoger beroep inhoudelijk voor te bereiden. Conform deze afspraak heeft de advocaat die appeldagvaarding uit laten gaan en de cliënt daarover bericht. De advocaat heeft voorts ook meegedacht welke advocaten wellicht het hoger beroep zouden kunnen doen.
De advocaat stelt dat er in dit geval geen sprake is van onttrekking of neerleggen van een opdracht.
Het hoger beroep zou een nieuwe procedure betekenen en in dit geval ook een nieuwe opdracht.
Een overeenkomst van opdracht inzake het hoger beroep is niet tot stand gekomen. De advocaat meent dat het hem vrijstaat om zelf te bepalen of hij een nieuwe opdracht wenst te aanvaarden. De advocaat heeft zich ervoor ingespannen dat de cliënt geen processuele schade zou ondervinden van het feit dat hij het hoger beroep niet wilde doen. En dat is ook gelukt. Het komt heel vaak voor dat een rechtszoekende bij een vervolgprocedure (hoger beroep) bij een andere advocaat moet aankloppen. Weliswaar was de zaak van de cliënt niet eenvoudig, maar tegelijkertijd ook geen kwestie die niet door een opvolgend advocaat behandeld zou kunnen worden. Dat is ook gebleken, aangezien de cliënt al vrij snel een andere advocaat heeft gevonden. Logischerwijs zal de opvolgend advocaat zich moeten inlezen, maar daarvoor kan de advocaat niet aansprakelijk worden gesteld. De advocaat heeft op geen enkele wijze onrechtmatig richting de cliënt gehandeld door een nieuwe opdracht niet te aanvaarden.
Ten aanzien van de gestelde schade stelt de advocaat nog dat door de cliënt slechts een urenspecificatie van de opvolgend advocaat is overgelegd. Een factuur is niet overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld welke kosten er daadwerkelijk in rekening zijn gebracht bij klager.
Daarnaast heeft de cliënt niet gespecificeerd welke werkzaamheden door de opvolgend advocaat zijn verricht binnen de 6,5 uur die de cliënt vergoed wenst te zien en is niet uitgelegd of onderbouwd welke werkzaamheden van de opvolgend advocaat niet door de advocaat verricht hadden hoeven te worden. Weliswaar kende de advocaat het dossier al, maar bij het voorbereiden van hoger beroep had ook hij zich opnieuw moeten inlezen. Het is aan de cliënt om te onderbouwen dat hij überhaupt schade heeft geleden. Concluderend stelt de advocaat dat er geen juridische of feitelijke grondslag bestaat om de cliënt een schadevergoeding toe te kennen. De advocaat heeft niet onrechtmatig jegens de cliënt gehandeld. Bovendien is de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt, althans niet voldoende onderbouwd. Daarnaast is de advocaat de cliënt eerder al geheel onverplicht financieel tegemoetgekomen naar aanleiding van dezelfde claim.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.
De cliënt heeft de commissie bij bericht van 27 februari 2025 laten weten dat hij de mogelijkheid van een gang naar de kantonechter in deze zaak wil openhouden en daarom zijn verzoek aan de commissie om een oordeel in zijn zaak intrekt. Op 10 april 2025 heeft de cliënt nogmaals een bericht gestuurd aan de commissie, waarin hij aangeeft ervan overtuigd te zijn dat de commissie er samen met de advocaat wel uitkomt en de cliënt niet langer een rol kan en wil spelen in deze procedure en hij zich hieruit terugtrekt. Voorzover de cliënt hiermee heeft beoogd de procedure te willen staken en niet langer oordeel van de commissie te vragen, is dit standpunt van de cliënt gedeeld met de advocaat. De advocaat heeft aangegeven belang te hebben bij een uitspraak van de commissie. Ook had de advocaat op het moment dat de cliënt voor het eerst kenbaar maakte de zaak te willen intrekken reeds een verweerschrift bij de commissie ingediend. Gelet hierop zal de commissie in redelijkheid geen gevolg geven aan het verzoek van de cliënt om de zaak in te trekken. De commissie zal mede gelet op het verzoek en het belang van de advocaat dan ook een inhoudelijk oordeel geven over het door de cliënt ingediende geschil.
Zoals blijkt uit de stukken heeft de advocaat voor de cliënt twee procedures in eerste aanleg gevoerd bij de rechtbank plaatsnaam terzake een geschil met het UWV. Bij uitspraak van 9 december 2020 is de aansprakelijkheid van het UWV vastgesteld en bij vonnis van 1 maart 2023 zijn de vorderingen van de cliënt grotendeels toegewezen, waarmee de procedures in eerste aanleg zijn beëindigd. De overeenkomst tot opdracht tussen de cliënt en de advocaat zag op het voeren van de procedures in eerste aanleg.
De cliënt heeft aan de advocaat aangegeven in hoger beroep te willen gaan tegen het vonnis van 1 maart 2023. De advocaat heeft na bestudering van het vonnis telefonisch op 8 mei 2023 aan de cliënt laten weten dat hij het hoger beroep niet zou doen. De advocaat heeft het besprokene diezelfde dag, uitgebreid, schriftelijk aan de cliënt bevestigd. De advocaat heeft, zoals met de cliënt besproken, in verband met de appeltermijn een dagvaarding laten uitbrengen met een lange aanbrengtermijn voor het indienen van grieven, daarmee ruimte creërend voor het vinden en instrueren van de opvolgend advocaat.
Aldus heeft de advocaat in deze zorgvuldig en naar behoren gehandeld.
Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat in deze dan ook gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Het is de cliënt ook binnen een redelijke termijn gelukt om een andere advocaat te vinden die zijn belangen verder wil behartigen. Dat deze advocaat zich in het dossier heeft moeten inlezen en daarvoor kosten heeft moeten maken, kan niet aan de advocaat worden toegerekend. Van schadeplichtigheid is geen sprake.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 15 april 2025.