Advocaat moet cliënt ondubbelzinnig informeren over (oplopen van) kosten rechtsbijstand boven de aan de wederpartij opgegeven begroting

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Informatie    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV02-0081

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil betreft de uitvoering van de opdracht aan de advocaat om advies en bijstand inzake (de gevolgen van) een arbeidsconflict met de werkgever van de cliënte.
 
De cliënte heeft de declaratie ter grootte van € 939,47 niet voldaan en dit bedrag overeenkomstig het Reglement van de commissie in depot gestort.
 
Standpunt van de cliënte
 
Het standpunt van de cliënte luidt in hoofdzaak.
 
De advocaat heeft de cliënte vanaf 30 mei 2002 zowel mondeling als schriftelijk voorgehouden dat de werkgever haar advocaatkosten voldoet. Er is in het kader van de tot stand gekomen schikking noch in de stukken gesproken over een limiet in hoogte dan wel tijd.
 
De stukken m.b.t. tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn niet zoals overeengekomen voor 1 juni 2002 bij de kantonrechter ingediend waardoor ontbinding per 1 juli 2002 niet meer mogelijk bleek te zijn. De cliënte acht het niet redelijk dat zij de financiële consequenties daarvan moet dragen ook al zou de vertraging te wijten zijn aan een nalatigheid van de wederpartij. Bovendien had de advocaat de cliënte onmiddellijk op de hoogte moeten stellen van het feit dat 1 juni 2002 niet was gehaald en niet pas op 25 juni 2002. Onder deze omstandigheden moest wederom (en onder tijdsdruk) met de wederpartij onderhandeld worden over ontbinding t.w. met ingang van 1 augustus 2002. De cliënte moest de advocaat overtuigen van de redelijkheid van haar verzoek om vergoeding van de ‘verloren’ maand hetgeen resulteerde in 70% van het maandsalaris. De cliënte meent dat zij te veel concessies heeft moeten doen en de advocaat onvoldoende haar belangen behartigde terwijl zij ook in de loop van de dienstverlening onjuiste informatie verstrekte.
 
De kosten die de advocaat na 17 juni 2002 in rekening brengt staan niet in verhouding tot haar inspanningen: het resultaat van die inspanningen is dat de cliënte over de maand juli 70% van haar maandsalaris heeft gekregen oftewel € 910,-. Dit bedrag staat niet in verhouding tot de € 1.479,47 die de advocaat daarvoor in rekening brengt.
 
De advocaat heeft de cliënte verzekerd dat zij ervoor zou zorgen dat de cliënte met ingang van 1 juni 2002 beter werd gemeld. Dit is echter niet gebeurd hetgeen kan betekenen dat de cliënte geen WW-uitkering krijgt.
 
De cliënte heeft de advocaat drie maal vergeefs verzocht om teruggave van persoonlijke dagboekdocumenten die haar in vertrouwen waren gegeven. Ondanks toezeggingen van de advocaat heeft de cliënte deze stukken nog niet ontvangen.
 
De cliënte meent dat de advocaat meerdere fouten heeft gemaakt en acht het onredelijk dat zij de kosten hiervoor moet dragen. De cliënte heeft als gevolg van deze fouten schade geleden en verzoekt de commissie in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen waarbij zij voorstelt de declaratie van de advocaat niet te betalen en de advocaat het betaalde voorschot van € 540,– restitueert.
 
Standpunt van de advocaat
 
Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak.
 
De advocaat betwist dat zij vanaf 30 mei 2002 de cliënte heeft voorgehouden dat de werkgever haar advocaatkosten zou betalen. Uit de met de wederpartij gevoerde correspondentie blijkt dat steeds sprake is geweest van een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand en ook dat de kosten van de rechtsbijstand hoger waren dan de door de wederpartij te betalen tegemoetkoming in het kader van de financiële regeling. In de schriftelijke bevestiging van het voorstel van de wederpartij d.d. 27 mei 2002 wordt gesproken over een tegemoetkoming in de kosten, welke kosten als zodanig worden begroot op € 1.660,– exclusief BTW. Het integraal voldoen van de kosten is niet afgesproken en niet terug te vinden in de correspondentie.
 
De advocaat heeft alles gedaan om voor tijdige indiening van de stukken zorg te dragen. De consequenties van het feit dat dit door een misslag van de wederpartij niet gelukt is, kunnen niet worden afgewenteld op de advocaat.
 
De advocaat bestrijdt dat de hoogte van de declaratie niet in verhouding staat tot de door haar verrichte inspanningen en verwijst naar de – in de opdrachtbevestiging van 8 april 2002 vastgelegde – afspraken die zijn gemaakt omtrent de kosten. Het kan de advocaat niet worden verweten dat de wederpartij bij de nakoming van de getroffen regeling is gaan dwarsliggen met oplopende kosten voor de cliënte tot gevolg.
 
De advocaat heeft de cliënte onmiddellijk geïnformeerd toen de wederpartij de processtukken niet tijdig had ingediend bij de kantonrechter. Een afschrift van een brief aan de wederpartij, gedateerd 31 mei 2002, waarin wordt gemeld dat het niet meer mogelijk is om voor 1 juni 2002 een beschikking te krijgen, is de cliënte d.d. 1 juni 2002 in afschrift toegezonden. Hetzelfde geldt voor het rappel aan de advocaat van de wederpartij van 17 juni 2002.
 
Zoals blijkt uit de brief van 31 mei 2002 heeft de advocaat de cliënte overeenkomstig afspraak beter gemeld bij de advocaat van de werkgever tegen het moment waarop de stukken bij de kantonrechter worden ingediend. Het is gebruikelijk dat de werkgever vervolgens het GAK informeert. Dat dit niet is gebeurd, kan de advocaat niet worden verweten.
 
De dagboekdocumenten betreffen geen originelen maar computeruitdraaien en behoren naar de mening van de advocaat in het dossier thuis. De advocaat is echter bereid deze stukken ter zitting van de commissie aan de cliënte teruggeven.
 
De advocaat betwist fouten te hebben gemaakt en heeft zich naar beste kunnen ingezet voor de cliënte en daarvoor het overeengekomen tarief in rekening gebracht. Daarbij merkt de advocaat op dat alle te nemen stappen aan de cliënte zijn gecommuniceerd en besproken.
 
 
Beoordeling van het geschil
 
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
 
De commissie is van oordeel dat de cliënte mede gelet op de inhoud van de correspondentie tussen de advocaat en de wederpartij de indruk heeft kunnen krijgen dat de kosten van de rechtsbijstand beperkt zouden blijven tot het in de brief van 27 mei 2002 genoemde bedrag van ongeveer € 1.660,– exclusief BTW. In deze brief stelt de advocaat immers dat de kosten van rechtsbijstand ongeveer € 1.660,– bedragen zonder hierbij de kanttekening te plaatsen dat dit bedrag een begroting betrof van de tot dan toe gemaakte kosten. Uit het verhandelde ter zitting heeft de commissie begrepen dat indien het ontbindingsverzoek tijdig was ingediend de kosten tot bovengenoemd bedrag beperkt zouden zijn gebleven.
 
Toen echter bleek dat de voor de ontbinding benodigde stukken niet overeenkomstig de tot stand gekomen regeling voor 1 juni 2002 waren ingediend en partijen opnieuw in onderhandeling dienden te treden over de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding, had de advocaat de cliënte ondubbelzinnig moeten informeren dat dit betekende dat de kosten van rechtsbijstand het aan de wederpartij opgegeven bedrag zouden gaan overschrijden en deze dientengevolge voor haar rekening zouden komen. De enkele vermelding van het oplopen van deze kosten van rechtsbijstand in de brieven van de advocaat aan de wederpartij acht de commissie in dit verband onvoldoende. Dit klemt temeer nu de advocaat in dezelfde brieven meedeelt dat het feit dat indiening niet meer mogelijk bleek voor 1 juni 2002 voor rekening van de cliënt van de wederpartij dient te komen. Hiermede heeft de advocaat er zelf toe bijgedragen dat er bij cliënte verwarring kon ontstaan.
 
Naast het vorenstaande is de commissie bovendien van oordeel dat het oplopen van de kosten van rechtsbijstand mede veroorzaakt is door de late toezending van het concept verweerschrift door de advocaat aan de wederpartij. Immers bij brief van 27 mei 2002 doet de advocaat de wederpartij een tegenvoorstel op hun aanbod van 15 mei 2002 welk voorstel de wederpartij – onder toezending van het concept verzoekschrift – bij telefax van 29 mei 2002 accepteert. Gezien de eenvoud van het op te stellen concept verweerschrift in de door partijen gekozen pro forma ontbindingsprocedure en het hiervoor omschreven tijdsverloop had het naar het oordeel van de commissie voor de hand gelegen dat de advocaat reeds na 27 mei 2002 een (eerste opzet) van dit verweerschrift had opgesteld en dit concept per omgaande dan wel uiterlijk op 30 mei 2002 aan de advocaat van de wederpartij had doen toekomen.
 
Door het verweerschrift eerst op 31 mei 2002 in concept aan de gemachtigde van de wederpartij te sturen, heeft de advocaat het risico gelopen dat deze gemachtigde niet in staat was tijdig hierop te reageren. De commissie meent dat de advocaat hierin niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht en acht de klacht van de cliënte in die zin dan ook gegrond. Niettegenstaande het vorenstaande is de commissie anderzijds van oordeel dat het ook niet alleen de advocaat kan worden verweten dat de hernieuwde onderhandelingen met de wederpartij langer duurden dan gewenst en dat zij daardoor meer werkzaamheden diende te verrichten dan aanvankelijk voorzien.
 
In bovenstaande feiten en omstandigheden ziet de commissie aanleiding de declaratie die de advocaat voor het verrichten van haar diensten bij de cliënt in rekening heeft gebracht naar redelijkheid en billijkheid te verminderen in die zin dat de commissie het openstaande bedrag van € 939,47 als niet verschuldigd beschouwt.
 
Met betrekking tot de klacht van de cliënte dat de advocaat ten onrechte heeft nagelaten haar beter te melden merkt de commissie op dat uit de stukken genoegzaam is gebleken dat de advocaat de cliënte tijdig heeft beter gemeld bij de advocaat van de wederpartij die op dat moment als gemachtigde van de werkgever van de cliënte optrad en als zodanig als de werkgever gold. Het kan de advocaat naar het oordeel van de commissie voorts in redelijkheid niet worden verweten dat de werkgever – om onbekende redenen – de cliënte vervolgens niet heeft beter gemeld bij het GAK. Dit klemt temeer nu dit geheel buiten de invloedsfeer van de advocaat valt. De commissie acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
 
Dit geldt evenzeer voor de klacht van de cliënte dat de advocaat haar niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de stukken niet voor 1 juni 2002 waren ingediend. Uit de overgelegde brieven aan de wederpartij die zoals erkend dan wel niet bestreden vrijwel direct in afschrift aan de cliënte zijn toegezonden, blijkt dat de advocaat de cliënte onmiddellijk op de hoogte heeft gesteld van de vertraging.
 
Met betrekking tot de teruggave van de persoonlijke stukken merkt de commissie ten overvloede op dat de advocaat deze na het eerste verzoek van de cliënte had moeten retourneren. Echter omdat de advocaat deze stukken ter zitting van de commissie aan de cliënte heeft overhandigd is dit geschilpunt daarmee opgelost en zal de commissie bij gebrek aan verder belang hierover geen uitspraak doen.
 
De commissie komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat de advocaat in deze in een enkel opzicht niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat verwacht mag worden en de klacht ten dele gegrond is.
 
Beslissing
 
De commissie vermindert de declaraties die de advocaat voor het verrichten van haar diensten bij de cliënt in rekening heeft gebracht in die zin dat een bedrag van € 939,47 van de betwiste declaratie als niet verschuldigd wordt aangemerkt.
 
Het depotbedrag wordt aan de cliënte gerestitueerd.
 
Overeenkomstig het reglement van de commissie worden de administratiekosten over partijen verdeeld zodat de advocaat aan de cliënte, die deze kosten heeft voldaan, een bedrag van € 22,69 dient te vergoeden.
 
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 57,50 (zijnde de helft van het vastgestelde bedrag aan behandelingskosten).
 
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
 

Aldus beslist op 20 mei 2003 door de Geschillencommissie Advocatuur.