Advocaat vervulde haar opdracht

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Informatie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV08-0165

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat ter zake van haar bijstand aan de cliënt met betrekking tot het al dan niet aanvragen van een faillissementsuitkering en de door de cliënt gevorderde schadevergoeding.   Standpunt van de cliënt   Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.   In 2001 waren er bij de toenmalige werkgever (hierna te noemen: de werkgever) van de cliënt betalingsproblemen. De cliënt heeft destijds bij het UWV een uitkering aangevraagd in verband met de betalingsonmacht van zijn werkgever. Het UWV heeft deze uitkering afgewezen omdat op dat moment nog geen sprake was van een faillissement van de werkgever. Op advies van het UWV heeft de cliënt de advocaat ingeschakeld. De advocaat heeft een brief gestuurd naar de werkgever met het verzoek om achterstallig salaris over te maken; het ging om – na correctie – een bedrag van fl. 28.397,38 aan salaris, vakantiedagen en vakantiegeld. Ook had de cliënt nog een onkostenvergoeding tegoed van fl. 7.887,69. Derhalve een totaalbedrag van fl. 36.285,07 (€ 16.465,45). Op 20 november 2001 is het faillissement van de werkgever van de cliënt uitgesproken. De advocaat had daarvoor de vordering ingediend bij de bewindvoerder. Nadat het faillissement was omgezet in een schuldsanering is deze beëindigd op 20 mei 2005. De cliënt verwijt de advocaat dat zij hem tijdens de gehele procedure niet erop heeft gewezen dat de cliënt na het faillissement een uitkering had kunnen aanvragen. Uiteindelijk heeft de cliënt in 2006 alsnog een uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze afgewezen omdat deze te laat was ingediend. Tegen die beslissing is zowel bezwaar als beroep aangetekend, doch dit is afgewezen. Doordat de advocaat heeft verzuimd een faillissementsuitkering aan te vragen, is de cliënt met een financiële strop blijven zitten.   Op grond van het voorgaande verzoekt de cliënt – blijkens het vragenformulier van de commissie – de commissie een vergoeding vast te stellen van € 10.000,–.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.   De advocaat beroept zich op verjaring ter zake de vordering van de cliënt tot schadevergoeding ex artikel 3:310 lid 1 BW. De werkzaamheden, te weten een loonvorderingsprocedure, zijn in 2001 verricht. De klacht is zeven jaar na de werkzaamheden ingediend. Bovendien heeft de cliënt de vordering tot schadevergoeding van € 10.000,– niet onderbouwd. De declaratie van 9 mei 2001 betrof niet de werkzaamheden in verband met het faillissement van de werkgever, doch in verband met een vordering tot betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, overuren e.d. over de periode 1 januari 2001 tot 21 april 2001. Het faillissement van de werkgever is uitgesproken op 20 november 2001. De cliënt was op 10 mei 1999 voor de duur van één jaar in dienst getreden bij de werkgever. Sinds 1 januari 2001 had hij geen salaris meer ontvangen. Vanwege de financiële kwestie met de werkgever wilde de cliënt niet langer aldaar werkzaam zijn en heeft op 21 april 2001 ontslag genomen. Tijdens het gesprek op 3  mei 2001 heeft de cliënt de advocaat verzocht een loonvordering in te stellen tegen de werkgever. Nadat de advocaat bij brieven van 9 mei 2001 en 11 mei 2001 de voormalige werkgever een sommatie betreffende achterstallig loon en vakantietoeslag had gestuurd en daaraan geen gevolg werd gegeven, heeft de advocaat op 26 oktober 2001 de dagvaarding naar de deurwaarder gezonden met het verzoek deze uit te brengen aan de werkgever. Aangezien de deurwaarder de dagvaarding retour had gezonden omdat de werkgever inmiddels surseance van betaling had aangevraagd, heeft de advocaat op 2 november 2001 de vordering betreffende achterstallig loon ingediend bij de bewindvoerder. Volgens de advocaat heeft zij haar werkzaamheden naar behoren verricht. De advocaat heeft de cliënt telkens op de hoogte gehouden van de stand van zaken. De advocaat benadrukt dat de cliënt op de datum van de surseance van betaling, 16 oktober 2001, en het faillissement, 20 november 2001, niet meer in dienst was bij de werkgever. De cliënt zou dus nimmer een beroep hebben kunnen doen op een faillissementsuitkering.   Op grond van het voorgaande verzoekt de advocaat de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil te komen wenst de commissie het navolgende op te merken. Blijkens de door beide partijen op 26 augustus 2008 ondertekende akte van compromis zijn zij overeengekomen om het geschil omtrent de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat aan de commissie voor te leggen. Blijkens het door de cliënt ingevulde klachtenformulier van de commissie en het ingediende verweerschrift van de advocaat betreft het geschil tevens de door de cliënt gevorderde schadevergoeding. Beide partijen hebben ter zitting van de commissie uitdrukkelijk erkend dat tevens de vordering tot schadevergoeding in het geschil dient te worden betrokken. De commissie stelt derhalve vast dat de omvang van het geschil zowel de kwaliteit van de dienstverlening als de gevorderde schadevergoeding omvat.   Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voor de commissie het volgende komen vast te staan. De cliënt heeft op 21 april 2001 ontslag genomen bij zijn voormalige werkgever. Op advies van het UWV (het toenmalige GAK) heeft de cliënt de advocaat ingeschakeld. De cliënt heeft de advocaat verzocht een loonvordering in te stellen tegen de werkgever. Bij brief van 11 mei 2001 heeft de advocaat de werkgever verzocht c.q. gesommeerd het achterstallig salaris aan de cliënt te voldoen. Aangezien betaling achterwege bleef heeft de advocaat bij brief van 26 juli 2001 de concept dagvaarding toegestuurd aan de cliënt. De advocaat heeft onweersproken gesteld dat de cliënt daar telefonisch mee akkoord is gegaan. Nadat de advocaat op 26 oktober 2001 de deurwaarder had verzocht de dagvaarding uit te brengen, heeft de advocaat op 2 november 2001 de dagvaarding retour ontvangen aangezien de werkgever surseance van betaling had aangevraagd. Op diezelfde dag heeft de advocaat de vordering betreffende achterstallig loon, vakantietoeslag en overuren bij de bewindvoerder ingediend. Inmiddels had de rechtbank bij beschikking van 16 oktober 2001 voorlopig surseance van betaling verleend. Bij brief van 8 november 2001 heeft de bewindvoerder aan de advocaat meegedeeld dat de vordering op de lijst van voorlopig erkende crediteuren was geplaatst. Bij beschikking van 20 november 2001 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Bij beschikking van 10 juni 2003 heeft de rechtbank het faillissement beëindigd onder gelijktijdige omzetting in een schuldsanering. Nadat de advocaat desgevraagd de vordering met bewijsstukken had gestaafd, heeft de bewindvoerder de vordering van de cliënt geplaatst op de lijst van bekende schuldvorderingen. Bij brief van 12 december 2005 heeft de bewindvoerder aan de advocaat meegedeeld dat er onvoldoende saldo was op de bewindvoerdersrekening om een uitkering te doen aan de crediteuren. De klacht van de cliënt dat de advocaat heeft nagelaten hem in te lichten over een faillissementsuitkering kan naar het oordeel van de commissie geen doel treffen. Immers, de advocaat had de opdracht van de cliënt om een loonvordering wegens achterstallig salaris in te stellen. Naar het oordeel van de commissie vervulde de advocaat daarmee zijn opdracht en behoefde de advocaat de cliënt in deze niet te verwijzen naar het UWV aangezien de cliënt op het moment van het uitspreken van het faillissement al sinds 21 april 2001 niet meer bij de werkgever in dienst was. Naar het oordeel van de commissie is uit de overgelegde stukken voorts komen vast te staan dat de advocaat de cliënt immer op de hoogte heeft gehouden van de stand van zaken betreffende zijn vordering. Bovendien heeft de advocaat uit coulance de voorschotnota omgezet in een definitieve nota.   De enkele omstandigheid dat de genomen stappen niet hebben geleid tot het door de cliënt gewenste resultaat maakt nog niet dat de advocaat tekortgeschoten is in de uitvoering van de opdracht. Bij de uitvoering van de opdracht door de advocaat is immers in beginsel sprake van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. De prestatie bestond niet in het behalen van een bepaald resultaat maar bestond daarin dat de advocaat zich daarvoor diende in te spannen. Met haar werkwijze is de advocaat haar inspanningsverplichtingen correct nagekomen. De advocaat heeft naar beste eer en geweten geadviseerd. Van enig onprofessioneel handelen is geen sprake geweest.   Het geheel overziend komt de commissie dan ook tot de conclusie dat de advocaat in deze heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht en dat de klacht van de cliënt ongegrond is.   De commissie merkt nog op dat eerst in 2005 is gebleken dat de loonvordering niets zou opleveren nu er onvoldoende saldo was op de bewindvoerdersrekening om een uitkering te doen aan de crediteuren, waaronder de cliënt; van verjaring van de vordering tot schadevergoeding zoals door de advocaat in onderhavige procedure is gesteld is – naar het oordeel van de commissie – dan ook geen sprake.  Nu de klacht van de cliënt ongegrond is, zal de commissie de door de cliënt gevorderde schadevergoeding afwijzen. Volledigheidshalve voegt de commissie hieraan toe dat de cliënt geenszins aannemelijk heeft gemaakt door het handelen of nalaten van de advocaat schade te hebben geleden. Bovendien heeft de cliënt nagelaten deze schade nader te onderbouwen.   Derhalve dient als volgt te worden beslist.   Beslissing   Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 10 december 2008.