Afhaalpunt is onderdeel van vervoerder, ondernemer draagt bewijslast voor aflevering product

  • Home >>
  • Thuiswinkel >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Thuiswinkel    Categorie: Aansprakelijkheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 36537/38572

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt over een bestelling bij de ondernemer die bezorgd zou worden bij een afhaalpunt. Een van de artikelen is opgehaald na bericht van de vervoerder waarin stond dat een pakket afgeleverd was, maar het tweede pakket was niet aanwezig. Vervolgens heeft de consument de track en trace-code gecontroleerd. Het tweede pakket zou zijn afgehaald en ondertekend. Dat was alleen niet gebeurd door de consument of zijn partner. De consument verlangt terugbetaling van de koopprijs van de niet geleverde artikelen. De ondernemer heeft een onderzoek gedaan bij de vervoerder en zij geeft aan dat de producten zijn geleverd bij het afhaalpunt. De ondernemer stelt dat het risico voor de zaak hiermee is overgegaan op de consument. De commissie oordeelt dat bij het kiezen van een afhaalpunt alle verplichtingen van de ondernemer worden verplaatst naar de consument, vanaf het moment dat het pakket in ontvangst is genomen door de consument bij het afhaalpunt. Het is door de ondernemer niet aannemelijk gemaakt dat het pakket van het afhaalpunt aan de consument is geleverd. De commissie verklaart de klacht gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 29 november 2019 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van diverse elektronica-artikelen tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 494,–.

De levering vond volgens de consument deels plaats op of omstreeks 4 december 2019.

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer voldaan heeft aan de verplichtingen uit de overeenkomst.

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 11 november 2019 heb ik een bestelling geplaatst bij de ondernemer, die bezorgd zou worden bij een [naam vervoerder] afhaalpunt. De bestelling bestond uit meerdere artikelen met twee track en trace links. Eén van de artikelen is opgehaald na een bericht van [vervoerder] waarin stond dat één pakket afgeleverd was. Een week later is de consument nogmaals langs geweest bij het afhaalpunt, maar het tweede pakket was niet aanwezig. Het tweede pakket betrof een GOPRO HERO7 Black Holiday en een APPLE Lightning naar USB-Kabel 1m met een gezamenlijke prijs van € 354,–.

Vervolgens heeft de consument de track en trace-code gecontroleerd. Het artikel zou zijn afgehaald en ondertekend. Dat was echter niet gebeurd door de consument of zijn partner. Er was getekend voor ontvangst. Zowel de naam van de ondertekenaar, ene [naam ondertekenaar], als diens handtekening kwam de consument niet bekend voor.

De consument heeft vervolgens meermaals contact gehad met de ondernemer, zowel telefonisch als via mail. Telefonisch was beloofd dat er normaal gesproken voor dergelijke gevallen een geldrestitutie plaatsvindt. Uiteindelijk is de ondernemer daar niet toe bereid.

De consument verlangt terugbetaling van de koopprijs van de niet geleverde artikelen, € 354,–, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten ad € 53,–.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Naar aanleiding van de niet-ontvangstmelding van de consument heeft de ondernemer een onderzoek laten doen bij de vervoerder [naam vervoerder]. [Vervoerder] bevestigt dat de producten zijn geleverd bij het afhaalpunt. Op 22 december 2019 is aan de consument meegedeeld dat de ondernemer niet verder kan helpen bij de door hem gemelde klacht. Op 9 januari 2020 is deze boodschap herhaald.

Op bestellingen via de webshop van de ondernemer zijn onder meer de ‘Aanvullende algemene verkoopvoorwaarden webshop’ van toepassing. In artikel 6.1 van deze Aanvullende algemene verkoopvoorwaarden webshop is opgenomen: “Als plaats van levering geldt (…) het adres van het afhaalpunt dat de klant tijdens de bestelling is geselecteerd”. In de van toepassing zijnde voorwaarden is niet opgenomen dat de levering aan een specifieke persoon diende plaats te vinden. Verder is in artikel 7:11 lid 1 BW bepaald dat de zaak voor het risico van de koper komt “vanaf het moment dat de koper of een door hem aangewezen derde, die niet de vervoerder is, de zaak heeft ontvangen”. In dit geval geldt het afhaalpunt als plaats van levering en als aangewezen derde, die niet de vervoerder is, zoals bedoeld in artikel 7:11 lid 1 BW.

Uit de track and trace gegevens en berichten die de consument over de zending heeft ontvangen van [vervoerder] volgt dat de producten zijn geleverd op het afhaalpunt. Het risico voor de zaak is hiermee overgegaan op de consument. Indien vast zou komen te staan dat de producten inderdaad door het afhaalpunt aan een onjuiste persoon zijn verstrekt, dan is dat niet aan de ondernemer te verwijten. De ondernemer heeft immers aan de leververplichting heeft voldaan. Dit is ook op 31 maart 2020 aan de consument meegedeeld.

Voor de ondernemer is er dan ook geen grond om haar eerdere standpunt aan te passen. De ondernemer zal de aankoopbedragen van in totaal € 354,– niet retourneren. Ook zal de ondernemer geen vergoeding verstrekken voor de door de consument gemaakte advocaatkosten, omdat de ondernemer niet aansprakelijk is.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Artikel 7:11 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

Bij een consumentenkoop waarbij de zaak bij de koper wordt bezorgd, is de zaak voor het risico van de koper vanaf het moment dat de koper of een door hem aangewezen derde, die niet de vervoerder is, de zaak heeft ontvangen.

Volgens de ondernemer is het risico voor de af te leveren artikelen overgegaan op de consument op het moment van afgifte aan het afleverpunt. Volgens de ondernemer geldt een afleverpunt als een door de consument als een door de consument voor ontvangst aangewezen derde.

Bij het afleveren van pakketten kan een consument ervoor kiezen dat een pakket niet aan het huisadres wordt bezorgd, maar door de consument wordt opgehaald op een door of namens de ondernemer aangeboden afleverpunt.

Deze wijze van afleveren werkt aldus, dat de consument bericht ontvangt zodra het pakket is aangekomen op het afleverpunt, zodat de consument het pakket daar met een legitimatiebewijs kan gaan afhalen.

Door voor deze wijze van afleveren te kiezen wordt naar het oordeel van de commissie het moment van levering verplaatst van het woonhuis van de consument naar het afleverpunt. Alle formaliteiten, zoals legitimatie en het bevestigen van de ontvangst worden verlegd naar het moment, waarop het pakket op het afleverpunt door de consument in ontvangst wordt genomen.

Een afleverpunt fungeert in de keten tussen het magazijn van de ondernemer en de consument als (verlengstuk van de) vervoerder. De vervoerder heeft afspraken gemaakt met winkels zoals supermarkten, boekhandels en doe-het-zelfondernemers, inhoudende dat de vervoerder een servicepunt ter plaatse mag hebben. Een afhaalpunt is ook kenbaar als behorende bij de vervoerder. Dat de diensten ter plaatse kunnen worden verricht door personeel dat (ook) in dienst is van de winkelformule ter plaatse doet er niet aan af dat uitvoering wordt gegeven aan het dienstenpakket van de vervoerder.

Dit is volgens de commissie ook passend in de systematiek van de wet. Een andere redenering zou immers tot hoogst onbillijke situaties kunnen leiden. Bij bijvoorbeeld diefstal/verduistering of brand ter plaatse van het afhaalpunt, zelfs voordat de consument kennis van de aanwezigheid van het pakket daar zou hebben, zou in de redenering van de ondernemer het risico op de consument zijn overgegaan en zou het verlies geheel voor rekening van de consument komen.

De commissie is dan ook van oordeel dat in dat verband een afhaalpunt als onderdeel van de vervoerder gezien moet worden. Als een afhaalpunt als een door de consument aangewezen derde beschouwd kan worden wordt het afhaalpunt geacht (vertegenwoordiger van) de vervoerder te zijn, als bedoeld in de laatste bijzin in het hiervoor aangehaalde artikel 7:11 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Daarmee is het aan de ondernemer om tenminste aannemelijk te maken dat de consument of een door de consument daartoe aangewezen derde het pakket op het afhaalpunt in ontvangst heeft genomen. De ondernemer heeft er mee volstaan om te melden dat het pakket is afgegeven aan het afhaalpunt en dat daarmee aan de verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft niets aangevoerd wat erop zou kunnen duiden dat het pakket op het afleverpunt ook daadwerkelijk aan de consument is afgegeven. Volgens de consument is op de ontvangstbevestiging getekend door de aan de consument geheel onbekende [naam ontvangstnemer].

De ondernemer is daar niet op ingegaan, omdat volgens de ondernemer het gehele proces op het afleverpunt voor risico van de consument is. Daarmee is naar het oordeel van de commissie niet aannemelijk gemaakt dat het pakket aan de consument is geleverd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

De consument vraagt ontbinding van de overeenkomst. De commissie acht dat, nu de ondernemer niet bereid is gebleken de overeenkomst alsnog na te komen, redelijk.

De commissie heeft zich er bovendien aan gestoord dat de ondernemer de consument volledig in de kou heeft laten staan en geen enkele ondersteuning heeft geboden. In dat kader kon de consument uiteindelijk niet anders dan rechtskundige bijstand zoeken. De commissie is van oordeel dat de ondernemer de daaraan verbonden kosten ten bedrage van € 53,–dient te vergoeden.

Ook de door de consument gevorderde wettelijke rente over de terug te betalen koopprijs van € 354,– is redelijk, zij het dat de commissie deze eerst laat ingaan op het moment waarop de ondernemer in gebreke is gesteld, 24 januari 2020. De wettelijke rente vanaf die datum tot aan de datum van deze beslissing bedraagt € 5,63.

Daarmee is de ondernemer verschuldigd de koopprijs van de GOPRO en de iPhone-kabel, € 354,–, de wettelijke rente daarover vanaf 24 januari 2020 tot en met 9 november 2020, zijnde € 5,63 en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 53,–, in totaal derhalve € 412,63, vermeerderd met de wettelijke rente over € 354,– vanaf 9 november 2020 tot aan de dag dat volledig betaald is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De overeenkomst d.d. 29 november 2019 wordt ontbonden verklaard, voor zover deze betrekking heeft op een GOPRO HERO7 Black Holiday en de APPLE Lightning naar USB-Kabel 1m.

De ondernemer betaalt aan de consument € 412,63. Bovendien betaalt de ondernemer de wettelijke rente over € 354,– vanaf 9 november 2020 tot aan de dag dat volledig betaald is.

Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Thuiswinkel, bestaande uit mr. F.H.C.M. van Schaijk, voorzitter, mr. S.L.R. van Nuijs en mr. A.J.E. Weijenborg-Meiss, leden, op 9 november 2020.