Algemene voorwaarden zijn van toepassing, maar tussen partijen is niet overeengekomen dat het kantoor een geschil aan de commissie kan voorleggen.

  • Home >>
  • Advocatuur Zakelijk >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur Zakelijk    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 106218

De uitspraak:

Plaats van arbitrage

Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.

Behandeling van het geschil

Op 17 maart 2017 heeft te Den Haag een mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door [naam secretaris]  fungerend als plaatsvervangend secretaris.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Standpunt van het kantoor

Voor het standpunt van het kantoor verwijst de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie) naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het kantoor heeft in opdracht van de cliënte werkzaamheden verricht in verband met bewijsbeslagleggingen door een derde. De cliënte was door eerdere opdrachten bekend met de werkwijze, personen, tarieven en algemene voorwaarden van het kantoor. Met de cliënte is besproken hoe en door wie de onderhavige zaak zou worden opgepakt. Na aanvang van de zaak zijn de algemene voorwaarden ook op de onderhavige opdracht van toepassing verklaard en verzonden. In de algemene voorwaarden is een verwijzing naar de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur opgenomen. Op grond daarvan is de commissie bevoegd het geschil te behandelen.

Het was een omvangrijke, complexe zaak met aanvankelijk veel hectiek. In verband met diverse spoedeisende problemen moest onmiddellijk worden opgetreden. Bij de aanvang van de zaak is zelfs gedurende de nachtelijke uren gewerkt. In korte tijd liep de eerste factuur hoog op. Omdat over het snelle oplopen van de kosten niet goed is gecommuniceerd, heeft het kantoor deze factuur gematigd.
Over de betaling van zowel de eerste factuur als de latere facturen is tussen partijen gecorrespondeerd, waarbij de cliënte de verschuldigdheid van de facturen erkende, maar liet weten problemen te hebben met de betaling daarvan. Op enig moment is tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen. De cliënte heeft slechts de eerste termijn voldaan. Toen de druk op de zaak toenam, is opnieuw gesproken over betaling van de facturen. Daarbij heeft de cliënte voor het eerst een opmerking gemaakt over de hoogte van de facturen, met name over de kosten in verband met de opvolging van behandelend advocaten. Dit heeft geleid tot een kleine creditering op de facturen. Uiteindelijk is opnieuw een regeling afgesproken.
Toen ook de nieuwe regeling door de cliënte niet werd nagekomen, heeft het kantoor aangekondigd de werkzaamheden te zullen opschorten. Van het kantoor kan niet worden verwacht dat zij doorwerkt, terwijl de kans groot is dat niet wordt betaald voor de werkzaamheden. Toen heeft de cliënte voor het eerst een klacht geuit over de hoogte van de facturen. Hoewel de cliënte eerder steeds tevreden was over de inhoudelijke kant van de werkzaamheden en de betreffende medewerker zelfs openlijk op internet heeft geprezen, gaf zij te kennen dat de vaststellingsovereenkomst door deze medewerker onzorgvuldig zou zijn opgesteld en dat daaraan te veel tijd is besteed. De medewerker heeft zijn taak echter nauwgezet verricht en de belangen van de cliënte met inzet verdedigd. Aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst zijn moeizame discussies met de wederpartij en vele en uitgebreide overleggen met de cliënte vooraf gegaan. Dit heeft veel tijd gekost. Om het tot een overeenkomst te laten komen, moesten soms compromissen met de wederpartij worden gesloten. Dit is steeds goed met de cliënte besproken. Dat achteraf opnieuw discussies met de wederpartij zijn ontstaan over de interpretatie van het contract, valt het kantoor niet te verwijten.

De rechtshulp die de cliënte heeft gekregen, is steeds kundig en adequaat geweest en de behandeling heeft steeds plaatsgevonden door de advocaten die beschikbaar waren en het dichtst bij de materie stonden. In de periode van bijstand heeft het kantoor een organisatorisch moeilijke periode meegemaakt door verloop van personeel. Het kantoor heeft de gevolgen daarvan zo veel mogelijk opgevangen voor de cliënte. Er is steeds dossieroverdracht geweest, die niet bij de cliënte in rekening is gebracht. De belangen van de cliënte zijn niet geschaad en de zaak is juridisch inhoudelijk goed behandeld. De vertraging die is ontstaan door de onderhandelingen over de betaling van de facturen, kan het kantoor niet worden verweten. Het kantoor ontkent dat de cliënte onder druk van een vertrekkende advocaat iets heeft moeten tekenen.

Het kantoor verzoekt de commissie te bepalen dat de cliënte het openstaande bedrag ad € 36.074,85 dient te voldoen. Voorts verzoekt zij de commissie de cliënte te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Het kantoor betwist dat zij een fout heeft gemaakt, laat staan dat de cliënte daardoor schade heeft geleden. Zij is bereid het dossier over te dragen aan een andere advocaat, mits dit er niet toe leidt dat afspraken met voormalig medewerkers van het kantoor worden doorbroken. 

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte betwist de bevoegdheid van de commissie. Er is geen opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden van het kantoor zijn niet van toepassing.

Voor het geval de commissie zich wel bevoegd acht, voert de cliënte het volgende aan.
De cliënte heeft zich tot het kantoor, meer in het bijzonder tot één van de advocaten van het kantoor, gewend in verband met een door de oud werkgever van twee van de aandeelhouders van de cliënte gelegd conservatoir beslag. De advocaat heeft aangegeven dat twee kantoorgenoten gezamenlijk de zaak onder zijn supervisie zouden behandelen. Er is een kort geding gevoerd, dat is verloren. De cliënte heeft daarvoor een factuur van ruim € 23.000,– ontvangen. Dit bedrag was voor de cliënte als startende onderneming lastig op te brengen.
De wederpartij is vervolgens een bodemprocedure gestart. De behandelend advocaat is in contact getreden met de wederpartij over een minnelijke regeling. Vanwege het vertrek van de behandelend advocaat heeft een andere (onervaren) advocaat het dossier overgenomen. Hij heeft zich beziggehouden met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Daarbij is hij te veel meegegaan in de ideeën en voorstellen van de wederpartij. Bovendien heeft het drie maanden geduurd voordat de vaststellingsovereenkomst kon worden getekend. Het kantoor heeft voor de vaststellingsovereenkomst ruim € 6.000,– in rekening gebracht.
In totaal heeft het kantoor ruim € 42.000,– gedeclareerd. Er is veel tijd besteed aan overleg dat de ene keer wel en de andere keer niet aan de cliënte is doorberekend. Ook is ongeveer drie uur in rekening gebracht voor de discussie over de openstaande facturen. Verder is veel tijd geschreven voor studie, terwijl gelet op de hoogte van de uurtarieven specialistische kennis aanwezig mocht worden verondersteld.

De cliënte is niet tevreden over de kwaliteit van de dienstverlening van het kantoor.
Door een exodus van advocaten bij het kantoor hebben steeds wisselende advocaten op het complexe dossier gezeten. Dit waren vaak onervaren advocaten met een aanzienlijk tarief. Er heeft geen ordentelijke dossieroverdracht tussen de verschillende advocaten plaatsgevonden. De cliënte heeft hier veel last van gehad. Het heeft haar veel moeite en energie gekost om de opvolgende advocaten steeds bij te praten.
De tijdsregistratie was onnauwkeurig. De uitwerking van de vaststellingsovereenkomst heeft geruime tijd in beslag genomen, hetgeen tot hoge kosten heeft geleid. Ten gevolge van het vertrek van een advocaat is bij de cliënte tijdsdruk ontstaan bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst is onzorgvuldig geredigeerd en heeft tot uitvoerige discussie met de wederpartij geleid.
De cliënte heeft haar ongenoegen geuit over de vele wisselingen van behandelend advocaten, de facturen en de kwaliteit van het werk. Door interne miscommunicatie zijn de klachten van de cliënte niet goed opgepakt en gecommuniceerd. Het kantoor bleef doorgaan met de incasso van de facturen. Omdat de cliënte met de rug tegen de muur stond, heeft zij een aantal deelbetalingen gedaan. Het kantoor heeft gedreigd de werkzaamheden op te schorten. De cliënte heeft een voorstel gedaan dat door het kantoor niet is geaccepteerd. Uiteindelijk is de dossierbehandeling gestaakt.

De cliënte is van mening dat sprake is van wanprestatie door het kantoor. Naar haar oordeel zijn de facturen vanaf januari 2016, in totaal ruim € 28.000,–, ten onrechte in rekening gebracht. Bovendien heeft zij door het handelen en/of nalaten van het kantoor schade geleden in de bedrijfsvoering.

De cliënt verzoekt de commissie het openstaande bedrag te matigen en/of in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen voor de door haar ten gevolge van het handelen en/of nalaten van het kantoor geleden schade. Voorts verzoekt zij de commissie te bepalen dat het kantoor, zonder voorwaarden, moet meewerken aan de overdracht van het dossier aan een door de cliënte aan te wijzen kantoor.

Beoordeling

Nu het primaire verweer van de cliënte is dat de commissie niet bevoegd is om het geschil – zoals door het kantoor aan haar voorgelegd – te behandelen, dient de commissie allereerst te oordelen over haar bevoegdheid.

De cliënte stelt dat er geen opdrachtbevestiging is en dat de algemene voorwaarden van het kantoor niet van toepassing zijn. Het kantoor is, naar de commissie begrijpt, van mening dat met het bepaalde in artikel 4.2 van haar algemene voorwaarden voldaan is aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, waarin is opgenomen op welke wijze de overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen.

Artikel 1020 en artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering luiden als volgt:
Artikel 1020
1 Partijen kunnen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen.
2 De overeenkomst tot arbitrage, bedoeld in het eerste lid, betreft zowel het compromis waarbij de partijen zich verbinden om een tussen hen bestaand geschil aan arbitrage te onderwerpen als het arbitraal beding waarbij de partijen zich verbinden om geschillen die tussen hen zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage te onderwerpen.
3 De overeenkomst tot arbitrage mag niet leiden tot de vaststelling van rechtsgevolgen welke niet ter vrije bepaling van de partijen staan.
4 Bij overeenkomst kunnen tevens aan arbitrage worden onderworpen:
a. de enkele vaststelling van de hoedanigheid of van de toestand van zaken;
b. de enkele bepaling van de hoogte van een schadevergoeding of van een verschuldigde geldsom;
c. de aanvulling of wijziging van de rechtsbetrekking als bedoeld in het eerste lid.
5 Onder de overeenkomst tot arbitrage wordt mede begrepen een arbitraal beding dat is opgenomen in de partijen bindende statuten of reglementen.
6 Een arbitragereglement, waarnaar in een overeenkomst tot arbitrage wordt verwezen, wordt geacht deel van die overeenkomst uit te maken.

Artikel 1021
De overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. De overeenkomst tot arbitrage kan tevens worden bewezen door elektronische gegevens. Artikel 227a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

De commissie overweegt dat voor de beoordeling van haar bevoegdheid in deze van belang is of arbitrage rechtsgeldig is overeengekomen, maar dat daarnaast moet worden vastgesteld wát (welke geschillen) partijen zijn overeengekomen aan arbitrage te zullen onderwerpen.
 
De commissie stelt vast dat in artikel 4.2 van de algemene voorwaarden van het kantoor hierover het volgende is opgenomen:
“Op de dienstverlening van [naam advocatenkantoor] is de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur van toepassing. Klachten over declaraties en prestaties van [naam advocatenkantoor] dienen op grond van deze regeling binnen drie maanden na het moment waarop kennisgenomen werd of redelijkerwijs kennisgenomen had kunnen worden van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven te worden ingediend. [Naam advocatenkantoor] zal de klager steeds desgevraagd per omgaande van de tekst van het op de procedure van toepassing zijnde Kantoorklachtenreglement en het Reglement Geschillencommissie Advocatuur voorzien en de tekst van deze regelingen toegankelijk maken via haar website. Het indienen van een klacht ontheft een klager niet van de tijdige voldoening van declaraties en laat het bepaalde in het eerste lid onverlet.”
De commissie overweegt dat uit hetgeen in dit artikel is opgenomen volgt dat de cliënte klachten over declaraties en prestaties van het kantoor aan de commissie kan voorleggen. In het artikel is niet opgenomen dat het kantoor geschillen kan voorleggen aan de commissie. Het artikel voorziet voorts niet zelf in arbitrage als bedoeld in artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Ook blijkt niet uit het artikel dat het Reglement Geschillencommissie Advocatuur mede in een arbitraal beding voorziet.

Gelet op het voorgaande is de commissie – in lijn met een eerdere uitspraak – van oordeel dat ook in geval van toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van het kantoor niet tussen partijen is overeengekomen dat door het kantoor (declaratie)geschillen aan de commissie kunnen worden voorgelegd.  
Dat de cliënte niet heeft gereageerd op het verzoek van het kantoor om zich uit te laten over de te volgen procedure – het voorleggen van het geschil aan de commissie dan wel aan de rechtbank – en in het vragenformulier van de commissie een beroep op verrekening heeft gedaan c.q. een tegenvordering heeft ingesteld, leidt naar het oordeel van de commissie niet tot verval van het recht van de cliënte om een beroep te kunnen doen op onbevoegdheid van de commissie.

Gezien het voorgaande is de commissie naar haar oordeel niet bevoegd het declaratiegeschil, zoals door het kantoor aan haar voorgelegd, te behandelen.

Voor zover door partijen aangevoerde argumenten c.q. klachten niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Dit arbitrale vonnis is gewezen te Den Haag op 30 maart door de Geschillencommissie Advocatuur