Beëindiging opvang door vervallen busvervoer was onterecht

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzegging overeenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1320883/1321730

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil gaat over de beëindiging van de opvangovereenkomsten van de consument, nadat de ondernemer had besloten het vervoer van de basisschool naar de opvang stop te zetten. De kinderen van de consument zaten op locatie [naam locatie A], maar werden vanaf school opgehaald via locatie [naam locatie B]. Toen de gemeente de huur van locatie B opzegde, stopte die opvanggroep. Volgens de ondernemer kon daardoor het vervoer niet meer worden uitgevoerd, omdat er te weinig kinderen overbleven en personeel van locatie B niet meer beschikbaar was. Daarom vond de ondernemer dat sprake was van een onvoorziene omstandigheid en zegde hij de overeenkomsten van de consument op. De consument was het hier niet mee eens, omdat zijn kinderen niet op locatie B zaten en omdat er volgens hem geen verband bestaat tussen het sluiten van locatie B en de opvang op locatie A. Ook vond hij dat het enige geboden alternatief — opvang op een andere locatie verder weg — niet passend was. De commissie geeft de consument volledig gelijk. Het sluiten van locatie B raakt locatie A niet rechtstreeks, en alleen het vervoer vervalt. De ondernemer erkende dat het stopzetten van het vervoer eigenlijk een kostenafweging was, geen verplicht gevolg van de sluiting. Daarmee is geen sprake van een onvoorziene of niet-toerekenbare omstandigheid zoals bedoeld in de Algemene voorwaarden. Ook was de schriftelijke opzegging onvoldoende gemotiveerd: er werd slechts verwezen naar “logistieke beperkingen”, terwijl ter zitting bleek dat kosten de echte reden waren. Omdat er geen gegronde reden bestaat voor eenzijdige opzegging, blijft de opvangovereenkomst in stand. De kinderen van de consument moeten dus op dezelfde locatie en op dezelfde wijze worden opgevangen als voorheen. De klacht is geheel gegrond verklaard en de ondernemer moet het klachtengeld van € 25 aan de consument vergoeden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de opzegging van de overeenkomsten van de consument, vanwege de beëindiging van het vervoer vanaf de basisschool naar de opvang.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft met de ondernemer opvangovereenkomsten gesloten voor de opvang van beide kinderen op locatie [naam locatie A]. In verband met de sluiting van locatie [naam locatie B] heeft de ondernemer deze opvangovereenkomsten eenzijdig beëindigd. Dit onder verwijzing naar de toepasselijke Algemene Voorwaarden en met een beroep op onvoorziene omstandigheden.

De consument kan zich met deze beëindiging niet verenigen. De consument is van mening dat geen causaal verband bestaat tussen de sluiting van locatie [naam locatie B] en de beëindiging van de overeenkomsten van zijn kinderen, die geplaatst zijn op locatie [naam locatie A].

De consument is slechts één alternatieve oplossing aangeboden, die voor de consument geen passend alternatief is. Dit betrof een andere opvanglocatie op een grotere afstand voor de consument.

De consument heeft één e-mail ontvangen waarin de ondernemer de situatie heeft toegelicht. Vervolgens heeft hij meerdere e-mails ontvangen met het verzoek om een gewijzigde opvangovereenkomst te ondertekenen. De consument heeft dit aanbod niet geaccepteerd. Kort voorafgaand aan de beëindiging heeft telefonisch contact plaatsgevonden, waarna vrijwel direct een e-mail is verzonden waarin de beëindiging van de opvangovereenkomsten is bevestigd.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De kinderen van de consument maken gebruik van buitenschoolse opvang (hierna te noemen: BSO) op de dinsdagmiddag op locatie [naam locatie A] en gaan naar [naam school] (hierna te noemen: de basisschool).

De BSO-locaties richten zich op één of enkele in de buurt gelegen scholen vanwaar zij kinderen ophalen. Dit ophalen gebeurt met een BSO-bus. De vervoersbewegingen tussen de locaties en school kosten tijd en inzet van gekwalificeerd personeel werkzaam op de groep, het is daarom ondoenlijk dan wel praktisch niet mogelijk om meer dan één of enkele in de buurt gelegen schoollocaties vanuit één BSO-locatie te bedienen.

De locaties [namen locatie A, B en C] zijn gelegen op het [naam], een verzameling van twee scholen en kinderopvang op zeer korte afstand van elkaar. Omdat het voor kinderen van eenzelfde school fijn is met elkaar te spelen tijdens de buitenschoolse opvang, werden de basisschoolkinderen zoveel mogelijk bij elkaar geplaatst op [naam locatie B]. Helaas konden niet alle kinderen van de basisschool op [naam locatie B] worden opgevangen en zijn enkele kinderen, waaronder de kinderen van de consument, op [naam locatie A] geplaatst, gevestigd in een naastgelegen gebouw.

Het gebouw waarin [naam locatie B] is gevestigd wordt verbouwd, om die reden heeft de gemeente de huur opgezegd. Ondanks pogingen een andere ruimte op of in de nabijheid van [naam] voor deze opvang te zoeken, is de ondernemer hierin helaas niet geslaagd.

De op [naam locatie A] geplaatste basisschoolkinderen, waaronder de kinderen van de consument, maken gebruik van de vervoersbeweging vanaf de basisschool naar [naam locatie B]. Nu de opvang op [naam locatie B] komt te vervallen, zijn er te weinig kinderen (slechts vier), om de vervoersbeweging te kunnen blijven maken van de basisschool naar de BSO-locatie. Daarbij komt dat deze vervoersbeweging wordt uitgevoerd door gekwalificeerd personeel werkzaam op [naam locatie B]. Door de noodzakelijke sluiting van [naam locatie B] is dit personeel niet langer beschikbaar om deze vervoersbeweging uit te voeren. Het bedienen van de basisschool vanuit [naam] kan daarom praktisch niet meer gerealiseerd worden en komt daarmee te vervallen. Dit is het directe gevolg van het feit dat de gemeente de huur van het gebouw van [naam locatie B] heeft opgezegd, een omstandigheid gelegen buiten de invloedsfeer van de ondernemer.

Als alternatief is opvang op BSO-locatie [naam] aangeboden, waar meerdere kinderen van de basisschool worden opgevangen. Deze locatie is 2000 meter vanaf het woonadres van de consument en 1300 meter vanaf de basisschool. De ondernemer acht dit een redelijk en passend alternatief. Op de door de consument aangedragen BSO-locatie [naam] is helaas geen plek.

In september 2025 werd definitief bekend dat de ondernemer het gebouw moest verlaten en zijn de ouders van [naam locatie B] geïnformeerd. Begin november werd duidelijk dat kinderen op [naam locatie A] niet meer opgehaald konden worden. Deze ouders zijn daarover begin november (via het ouderportaal) geïnformeerd.

De ondernemer beroept zich op artikel 6.3 sub b onder v van de Algemene Voorwaarden: “een onvoorziene omstandigheid en/of een ons niet toe te rekenen oorzaak” waardoor de ondernemer de plaatsingsovereenkomsten niet meer uit kan voeren. Ook het bepaalde zoals beschreven in artikel 9.1 en 9.4 van de Aanvullende Voorwaarden is van toepassing, specifiek voor wat betreft het vervoer.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden), meer specifiek op artikel 6 lid 3 sub a onder v, waaruit volgt dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid dat de ondernemer vanwege een onvoorziene omstandigheid of een niet aan hem toerekenbare oorzaak niet meer in staat is de overeenkomst uit te voeren.

Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.

Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang. Dit betekent dat de bepalingen die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil.

Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

Is sprake van onvoorziene of ontoerekenbare omstandigheden?
De ondernemer heeft zich beroepen op artikel 6 lid 3 sub a onder v van de Algemene voorwaarden, wat ziet op de omstandigheid dat de ondernemer vanwege een onvoorziene omstandigheid of een niet aan hem toerekenbare oorzaak niet meer in staat is de overeenkomst uit te voeren. De ondernemer heeft in dit verband aangevoerd dat de opheffing van opvanggroep [naam locatie B] tot gevolg heeft dat de vervoersbewegingen vanuit opvanggroep [naam locatie A] niet langer kunnen worden uitgevoerd. Volgens de ondernemer brengt dit met zich dat de opvangovereenkomsten niet meer uitvoerbaar zijn.

De commissie volgt dit standpunt uitdrukkelijk niet. Opzegging van de huurovereenkomst door de gemeente kan een onvoorziene omstandigheid en daarmee een gegronde reden zijn voor wijziging of beëindiging van een overeenkomst. Echter, niet de opvanggroep waar de kinderen van de consument zijn geplaatst ([naam locatie A]) is genoodzaakt te sluiten wegens een verbouwing, maar een andere opvanggroep, te weten [naam locatie B]. In zoverre is geen sprake van een onvoorziene omstandigheid die tot gevolg heeft dat de opvangovereenkomst niet langer kan worden uitgevoerd. Opvanggroep [naam locatie A] blijft immers bestaan en uitsluitend de vervoersbeweging komt volgens de ondernemer te vervallen.

De ondernemer heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het beëindigen van deze vervoersbeweging het gevolg is van een beleidsmatige keuze, ingegeven door een kostenafweging. Het structureel blijven inzetten van vervoer naar opvanggroep [naam locatie A] zou leiden tot een kostenverhoging die volgens de ondernemer niet verenigbaar is met zijn financiële doelstellingen. Hieruit volgt dat geen sprake is van een omstandigheid die niet aan de ondernemer kan worden toegerekend. Het betreft immers een zakelijke beslissing die voor rekening en risico van de ondernemer komt.

Naar het oordeel van de commissie is dan ook geen sprake van een onvoorziene omstandigheid of niet aan de ondernemer toerekenbare omstandigheid in de zin van de Algemene voorwaarden. Dit brengt met zich mee dat de grond voor opzegging zoals door de ondernemer gehanteerd, als ondeugdelijk dient te worden aangemerkt.

Wijze van opzegging
Conform artikel 6 lid 4 van de Algemene voorwaarden van de ondernemer dient een ondernemer de schriftelijke opzegging te motiveren.

De schriftelijke opzegging van 1 december 2025 is naar het oordeel van de commissie onvoldoende gemotiveerd. In de opzegging wordt volstaan met een verwijzing naar “vanwege logistieke beperkingen”, zonder dat wordt toegelicht waar deze beperkingen concreet uit bestaan en waarom de ondernemer hierdoor niet meer in staat is de overeenkomst uit te voeren. Bovendien heeft de ondernemer ter zitting verklaard dat niet zozeer logistieke beperkingen, maar in hoofdzaak een kostenafweging ten grondslag ligt aan het besluit om de vervoersbeweging te beëindigen. Deze toelichting wijkt af van de in de schriftelijke opzegging genoemde grond en bevestigt dat de motivering daarin ontoereikend is.

De commissie neemt daarbij in aanmerking dat de ondernemer ter zitting heeft erkend dat de schriftelijke opzegging onvoldoende was gemotiveerd.

Conclusie
De klacht van de consument wordt in het geheel gegrond verklaard.

Nu geen sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige opzegging van de plaatsingsovereenkomst rechtvaardigt, blijft de plaatsingsovereenkomst van de consument ongewijzigd in stand. De consument dient dan ook op dezelfde wijze en locatie als voorheen gebruik te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer, waarbij de commissie ervan uitgaat dat beide partijen zich coöperatief zullen blijven opstellen in het belang van de kinderen van de consument.

Klachtengeld
Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd, wijze en locatie gebruik dient te kunnen blijven maken van
de opvang van de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw mr. M. Stroetenga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 18 december 2025.

Opslaan als PDF