Bevoegdheid Geschillencommissie bij zakelijke OV-klachten ter discussie gesteld

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: -    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 11294/21896

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument diende een klacht in bij de Geschillencommissie Openbaar Vervoer vanwege het niet ontvangen van een vergoeding via de regeling ‘Geld terug bij vertraging’. Hij reisde voor zijn werk regelmatig met de Intercity Direct van Amsterdam naar Breda en ondervond op twee momenten vertraging van meer dan 15 minuten. Volgens hem voldeed hij daarmee aan de voorwaarden voor compensatie. De vervoerder wees zijn verzoek af en voerde aan dat de commissie niet bevoegd was de klacht te behandelen, omdat de reiziger gebruikmaakte van een Business Card. Die kaart is bedoeld voor zakelijk gebruik, en volgens het reglement van de commissie mogen alleen geschillen van consumenten – dus niet zakelijke gebruikers – worden behandeld. De commissie onderschreef dit standpunt: de overeenkomst was zakelijk van aard en viel dus buiten haar bevoegdheid. Het feit dat de vervoerder eerder de commissie als optie had aangedragen, kon daar niets aan veranderen. De consument had in deze hoedanigheid geen toegang tot de klachtenprocedure bij de commissie. Hij werd daarom verwezen naar de burgerlijke rechter. De commissie verklaarde zich op 25 november 2020 onbevoegd om het geschil te behandelen.

De uitspraak

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2020 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de regeling geld terug bij vertraging.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – voorzover thans van belang – op het volgende neer.

Reden voor het indienen van een klacht bij de [ondernemer] is vanwege het niet uitkeren van bedragen bij de regeling ‘Geld terug bij vertraging’ welke in mijn ogen onterecht is.

Ik volg vanuit mijn werk vaak de route Amsterdam Amstel – Breda via het traject van de Intercity Direct over Amsterdam Centraal Station. De treintijden zijn hierbij vaak als volgt:
16:57 Amsterdam Amstel – Amsterdam CS (aankomst 17:05 uur)
17:08 Amsterdam CS – Breda (Intercity Direct)
18:15 Aankomst Breda

In een tweetal gevallen is er een vertraging opgetreden bij het traject vanaf Amsterdam CS welke betrekking heeft op de Intercity Direct. Hierbij heb ik een vertraging opgelopen welke meer dan 15 minuten bedraagt zodat ik volgens de ‘Geld terug bij vertraging’ voorwaarden recht zou hebben op een vergoeding.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
[Ondernemer] verzoekt de commissie zich niet bevoegd te verklaren om de klacht van [consument] in behandeling te nemen op grond van artikel 3 lid 1 van het Reglement Geschillencommissie Openbaar Vervoer:
“De commissie heeft tot taak geschillen tussen consument en ondernemer te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot het openbaar personenvervoer in Nederland.”
Zowel volgens de wet (zie bijvoorbeeld artikel 6:193a BW) als volgens het reglement van de commissie (zie artikel 1 begripsomschrijving) is een consument een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het geschil met [consument] valt niet binnen de taakomschrijving van de commissie, zoals omschreven in het reglement. De klacht [consument] betreft een [naam onderneming]-Business Card. De NS-Business Card is een zakelijke kaart, die gebruikt wordt door werknemers en door zzp’ers, maar niet door consumenten. [Consument} handelt dus in dit geval niet in de hoedanigheid van consument. [Ondernemer] acht de commissie als gevolg daarvan niet bevoegd ten aanzien van het geschil.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie onderschrijft in grote lijnen het standpunt van [ondernemer]. Tussen partijen bestaat een rechtsrelatie die is gebaseerd op een overeenkomst die [consument] op zakelijke basis heeft afgesloten. De beëindiging van het abonnement heeft hij dan ook niet gedaan als consument. Het valt te betreuren dat [ondernemer] de commissie wel heeft genoemd als instantie waartoe hij zich zou kunnen wenden, maar met name artikel 1 van het reglement van de commissie maakt dat de commissie niet bevoegd is het geschil te behandelen. [Consument] zal zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

Op grond van het vorenstaande is de commissie niet bevoegd het geschil te behandelen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. D.J. Buijs, voorzitter, de heer mr. D. van Setten, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 25 november 2020.

Opslaan als PDF