Brillenglazen geven vervorming. Consument was op de hoogte van de hoge brekingsindex, maar is akkoord gegaan. Glazen zijn niet ondeugdelijk.

  • Home >>
  • Optiek >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Optiek    Categorie: Ontbinding    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: OPT98-0002

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil vloeit voort uit een op 7 oktober 1995 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomt. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van twee brillenglazen tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van ƒ 798,–. Deze overeenkomst is uitgevoerd omstreeks eind oktober 1995.
 
De consument heeft de klacht direct na de levering bij de ondernemer ingediend.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak.

De geleverde glazen waren niet goed. Er trad vervorming op, hetgeen gevaarlijk bleek bijvoorbeeld op de fiets. Hoewel ik eerder slechte ervaringen had gehad met deze soort glazen heeft de ondernemer mij deze opgedrongen, stellende dat het procédé verbeterd was. Hij zou de verantwoording nemen; dit bleek echter niet het geval, zoals hij ook niet zijn toezegging nakwam met betrekking tot onjuist gemeten glazen van zijn voorganger. De oogarts heeft geen oogklachten geconstateerd. Volgens de ondernemer moest ik aan de glazen wennen. Op 14 augustus 1996 zijn de glazen vervangen door nieuwe, doch deze glazen voldoen evenmin.
Er zijn enige aanmerkingen op het rapport van de deskundige: reeds bij een geringe verdraaiing van de cilinder werd het beeld onleesbaar. Ook de opmerking dat de visuele bezwaren zich slechts tijdens het bewegen van de ogen en het hoofd uiten is onbegrijpelijk, daar men nu immers vanzelfsprekend ogen en hoofd beweegt. De deskundige heeft tegen mij gezegd, dat men bij een dergelijke sterkte geen hogere brekingsindex had mogen aanraden.
 
De consument verlangt ontbinding van de overeenkomst.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak.

In oktober 1995 had de consument problemen met het kijken. Na refractie bleek de sterkte gewijzigd. Er werd besloten nieuwe glazen te nemen. Van verrekening van de vorige glazen is nooit sprake geweest, aangezien de vorige meting twee jaar oud was en er in die tijd sterkteverschil kan optreden.
Het materiaal waar uiteindelijk voor gekozen werd was kunststof van een hoogbrekingsindex materiaal dat er voor zorgt dat de glazen zo dun mogelijk aan de rand zijn. De consument weet door ervaring heel wat over brillenglazen en laat zich niets aanpraten.
Na aankoop is de consument enige malen geweest voor het bijstellen van de bril; er was toen geen sprake van slecht zicht. Dat kwam na enige tijd. Aan de meting kon het niet liggen, zo bleek na grondig onderzoek. De glazen zijn toen teruggestuurd naar de fabrikant en de consument heeft een paar nieuwe glazen gekregen. De fabrikant meldde vervolgens dat er met de eerder geleverde glazen niets mis was. Toen is de consument geadviseerd naar de oogarts te gaan, die echter geen fouten kon ontdekken. De refractie was perfect uitgevoerd.
De consument loopt nog steeds met de bril en de problemen zijn niet zo nijpend als thans naar voren gebracht wordt.
 
Deskundigenrapport
 
De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voorzover thans van belang, het volgende vastgesteld.

Sterkte brillenglazen van de momenteel zonder visuele bezwaren gedragen bril:
 
Enkelfocus, ontspiegeld, kunststof, normaal brekingsindex.
R:         s – 10,50 = c – 1,25 as 89°
L:         s – 10.25 = c – 1,00 as 85°
 
            PD = 62 mm
 
Sterkte brillenglazen van de door de ondernemer geleverde bril:
 
Enkelfocus, ontspiegeld, kunststof, Nikon hoger brekingsindex.
 
Volgens brilvoorschrift van de consument:
 
R:         s – 10,00 = c – 0,50 as 80°
L:         s –   9,75 = c – 1,00 as 65°
 
            PD = 57 mm
 
Volgens meting met de Nikon automatische topsterktemeter en de handmatige bediende Nikon topsterktemeter:
 
R:         s – 10,25 = c- 0,50 as 76°
L:         s – 10,00 = c- 1,00 as 64°
 
            PD = 57 mm
 
Objectieve en subjectieve refractie en brilvoorschrift:
 
Objectieve refractie met de Nikon autorefractometer:
 
R:         s – 8,50 = c – 1,25 as 82°
L:         s – 8,00 = c – 1,25 as 36°
 
Resultaat subjectieve refractie:
VOD = 0,7 met s – 10,50 = c – 1,00 as 85°
VOS = 0,7 met s – 10,00 = c – 1,00 as 80°
 
            PD = 58 mm
 
mijn brilvoorschrift:            R: s – 10,25 = c – 1,00 as 85°
                                       L: s –   9,75 = c – 1,00 as 80°
 
Uitvoering van de brillen:
 
bril van de ondernemer: montuur met enigszins pantoscopische glasvorm, relatief kleine diameter van de glazen, correct ingeslepen, stand van de glazen haaks op de kijk-as bij primaire blikinrichting, centrering op basaallijk.
momenteel gedragen bril: montuur met grotere diameter van de glazen, enkele jaren oud, glazen correct geslepen, stand van de glazen haaks op de kijk-as bij primaire blikrichting, centrering op basaallijn.
 
Gezichtsvermogen:
 
Onder de voorwaarden, die in een refractieruimte van toepassing zijn, bereikt de consument met een sferische correctie van s- 10,00 tot s- 10,50 dpt voor het rechteroog, gecombineerd met een cilindersterkte van c- 0,50 tot c- 1,00 dpt en een as-stand van 80-85° en een sferische correctie van s- 9,75 tot s- 10,25 dpt voor het linkeroog, gecombineerd met een cilindersterkte van c- 1,00 dpt en een as-stand van 70-80° nagenoeg dezelfde monoculaire en binoculaire visus van 0,7. De sterkteverschillen van de diverse brillen ervaart hij met slechts geringe nuances van voor- of afkeur, respectievelijk visuele ervaring met het herkennen van de gebruikelijke optotypen.
 
Samenvatting en conclusie uit het onderzoek:

De consument blijkt visueel vrij tolerant zijn ten opzichte van kleine variaties van de sferische glassterkte en de as-richtingen van de cilindersterkte.
 
De in zijn bezit zijnde brillen kunnen daarom optisch als binnen deze tolerantie correct uitgevoerd beschouwd worden en technisch als op de juiste wijze gemonteerd en afgepast.
 
De ondernemer heeft kennelijk bij het bepalen van de glassterkte rekening gehouden met de presbyopie van de consument.
 
De visuele bezwaren van de consument met de bril van de ondernemer uiten zich slechts tijdens het bewegen van de ogen en van het hoofd.
 
Een brillenglas met een hogere brekingsindex vertoont door het eveneens hoger getal van Abbe een grotere kleurschifting, vergeleken met een brillenglas met een normaal brekingsindex.
 
Een punctueel afbeeldend brillenglas (Perfa van Rodenstock) van s- 10,00 dpt vertoont bij een kijkhoek van 30° op oneindig grote afstand een astigmatisme van scheve bundels (verantwoordelijk voor een vertekend beeld) van + 0,03 dpt. Een zo dun mogelijk geslepen brillenglas met een vlakke frontcurve (Nikon High Index) vertoont onder dezelfde kijkhoek en afstand een astigmatisme van scheve bundels van –0,73 dpt. Dus een grotere “onscherpte” bij het bewegen van de ogen.
 
De consument had in dit opzicht kennelijk reeds eerder een ongunstige ervaring opgedaan met een bril, voorzien van dunne glazen met een hogere brekingsindex.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.

Dat de glazen aan de consument werden “opgedrongen” kan de commissie niet vaststellen. Wel duidelijk is, dat de consument redelijk op de hoogte was van de voor- en nadelen van verschillende soorten glazen en akkoord ging met hetgeen de ondernemer voorstelde, namelijk glazen met een hoge brekingsindex, die zo dun mogelijk aan de randen geslepen zouden worden. Dit soort glazen was inderdaad in de loop der tijd verbeterd, doch de consument had er kennelijk toch problemen mee. De in augustus 1996 nieuw geleverde glazen voldeden vervolgens evenmin, doch niet duidelijk is of de ondernemer daarvan behoorlijk op de hoogte werd gesteld. Uit de stukken is dat niet gebleken. Het rapport van de deskundige spreekt over de “momenteel gedragen bril”. Over de aanschaf van deze bril zijn geen gegevens in de stukken voorhanden. Aangenomen wordt dat deze van een andere opticien afkomstig is.
Pas in februari 1998 werd de commissie ingeschakeld, nadat in september 1997 de ondernemer in gebreke werd gesteld en ontbinding van de overeenkomst werd gevorderd. Volgens de ondernemer is er tussen augustus 1996 en september 1997 geen contact meer geweest. Nu de ondernemer in gebreke werd gesteld ruim twee jaar na levering van de oorspronkelijke glazen, terwijl niet is gebleken dat de ondernemer voldoende in de gelegenheid is gesteld tot een oplossing van de problemen te komen – uit de stukken blijkt niet van enig contact met de ondernemer tussen augustus 1996 en september 1997 – acht de commissie de eis niet toewijsbaar. Daar komt bij dat uit het rapport van de deskundige niet blijkt, dat de glazen die de ondernemer leverde, ondeugdelijk waren. Enig (gering) verschil in sterkte is na drie jaar (de tijd tussen de levering en het onderzoek van de deskundige) zeer wel mogelijk.
 
De grotere pupilafstand van de thans gedragen bril wordt door de deskundige niet verklaard; deze is niet in overeenstemming met de andere metingen. Het was jammer dat de consument niet ter zitting was om een en ander te bespreken/ toe te lichten.
 
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.
 
Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Optiek, op 18 januari 1999.