Camping hoeft seizoenscontract niet te verlengen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1312502/1318880

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil gaat over een consument die al jarenlang een seizoensplaats huurde op een camping en nu geen nieuw contract meer kreeg aangeboden. De consument vindt dit onterecht, omdat hij dacht dat verlenging automatisch ging en omdat hij geen waarschuwing heeft gekregen. De camping stelt dat zij niet verplicht is om een nieuw contract aan te bieden en dat zij het vertrouwen in een goede voortzetting van de relatie heeft verloren. De Geschillencommissie oordeelt dat het steeds om losse seizoenscontracten ging en dat er geen recht was op verlenging of op een vaste plaats. De camping mag daarom zelf besluiten geen nieuw contract aan te bieden. De klacht is ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft het niet doen van een uitnodiging om nog langer een seizoensplaats van de ondernemer te huren.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ik wil bij deze bezwaar indienen tegen het besluit van [naam ondernemer] om mij geen nieuw contract voor een seizoenplek aan te bieden. Volgens het voorwaardenboekje doen ze dit elk jaar automatisch. Ik vind de reden die ze geven om dit nu niet te doen onredelijk en slecht gemotiveerd. Ook is de Recron procedure niet gevolgd door me zonder schriftelijke waarschuwing vooraf deze sanctie op te leggen.
Ik eis dat dit besluit wordt teruggedraaid en er rectificatie komt voor de beschuldigingen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Wij zijn niet verplicht om met de consument een nieuwe huurovereenkomst voor een seizoensplaats aan te gaan of om daarvoor een aanbieding te doen. Op grond van gebeurtenissen gedurende de afgelopen huurperiode hebben wij er geen vertrouwen meer in dat we de relatie met de consument op plezierige wijze kunnen voortzetten. Wij hebben gehandeld volgens de Recronvoorwaarden voor toeristische plaatsen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument heeft gedurende vele jaren een aansluitend zowel winter (vijf maanden) als zomer (zeven maanden) seizoensplaatsen van de ondernemer gehuurd. Steeds kreeg de consument op enig moment een uitnodiging om ook voor het komende seizoen weer een nieuwe reservering te doen. Bij brief van 11 september 2025 heeft de ondernemer aan de consument geschreven dat er, anders dan voorgaande jaren, zo’n uitnodiging nu niet (meer) aan de consument zou worden gedaan, omdat de consument het vertrouwen in een voor beide partijen bevredigende voortzetting van de relatie heeft verloren.

De consument heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat de ondernemer de vrijheid heeft om hem geen uitnodiging meer te sturen om een nieuwe reservering te doen (en zo dus de contractuele relatie niet te verlengen), omdat sprake is van een bestendig gebruik en omdat de seizoensplaats van de consument feitelijk het karakter van een vaste plaats zou hebben.

De commissie verwerpt dit standpunt. Vast staat dat partijen steeds afzonderlijke, aan elkaar aansluitende overeenkomsten met elkaar zijn aangegaan, waarbij op geen van partijen een verplichting rustte tot het aangaan van een volgende overeenkomst. Van een situatie waarin stilzwijgend werd verlengd is geen sprake. Waar de consument na elk seizoen de volledige vrijheid heeft om voor het komende seizoen niet weer een overeenkomst af te sluiten, heeft de ondernemer diezelfde vrijheid. Dat partijen er jarenlang voor hebben gekozen de contactuele relatie steeds te vernieuwen maakt dat niet anders.

Ook het standpunt dat de seizoensplaats feitelijk een vaste plaats zou zijn geworden houdt geen stand. Zo gelden er voor een seizoensplaats meerdere afwijkende voorwaarden, waaronder (doch zeker niet uitsluitend) contractduur en prijs, waar de overeenkomsten van deze consument niet aan voldeden.

Of een partij (in dit geval de ondernemer) in een geval als dit wel of niet (nog steeds) met een ander een contract wenst te sluiten, valt geheel onder de contractvrijheid van die partij. De gronden waarop die afweging wordt gebaseerd doen niet ter zake. Om die reden zal de commissie niet ingaan op de gronden die in dit geval door de ondernemer voor diens keuze zijn aangevoerd.

De ondernemer is in zo’n geval volledig vrij om, om hem moverende redenen, de relatie met een contractspartij aan het einde van een lopende contractperiode te laten eindigen en niet langer voort te zetten. De commissie begrijpt dat het voor de consument een hard gelag kan zijn, dat met veel emotie gepaard gaat, als na een jarenlang verblijf de seizoensplek op deze wijze niet langer beschikbaar zal zijn, maar ook dat doe aan de contractvrijheid in een geval als dit niets af.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Verklaart de klacht ongegrond.

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. J.B. Smits, voorzitter, mevrouw J. Hagedoorn, de heer H.W. Zuur, leden, op 3 februari 2026.

Opslaan als PDF