Cliënt had toevoeging. Advocaat kan niet achteraf uurtarief hanteren, nu verzekeraar de advocaatkosten niet betaalt.

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Declaratie    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV11-0073

De uitspraak:

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

De bevoegdheid van arbiters berust op het tussen partijen op 7 november 2011 gewezen arbitraal vonnis.   De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede mannen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.   Behandeling van het geschil   Op 9 februari 2012 heeft de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden.   Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.   Eiser (de advocaat) is ter zitting verschenen en heeft zijn standpunt nader toegelicht. Daartoe heeft hij zijn pleitaantekeningen aan de commissie overgelegd. Verweerder is ter zitting verschenen bijgestaan door [zijn gemachtigde raadsman], die het standpunt van verweerder nader heeft toegelicht.   Standpunt eiser

Eiser wenst de declaraties, die verweerder ook na overleg, herinnering en aanmaning niet heeft voldaan, ter incasso aan de commissie voor te leggen. Eiser heeft ten behoeve van [de zoon van verweerder] juridische diensten verricht. Voor deze werkzaamheden heeft eiser declaraties verzonden die onbetaald zijn gebleven.   Voor het standpunt van eiser verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van eiser op het volgende neer.   De zoon van verweerder is bij een val of sprong uit een raam van een psychiatrische inrichting, die door [een stichting] wordt beheerd, ernstig gewond geraakt. Na daartoe door eiser te zijn aangeschreven heeft de verzekeraar van [de stichting] uiteindelijk de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. [De verzekeraar] heeft tot juli 2010 in totaal € 3.500,– ter zake de kosten van rechtsbijstand aan eiser betaald. Thans staat nog een bedrag van € 12.285,86 aan onbetaalde declaraties open. Eiser heeft een overeenkomst gesloten [de zoon van eiser] en laatstgenoemde heeft een vorderingsrecht op [de verzekeraar]; niet eiser. De kosten van eiser maken deel uit van de schade die [de zoon van eiser] lijdt, zodat [de zoon van eiser] deze met inachtneming van art. 6:96 lid 2 BW op de aansprakelijke partij kan verhalen. Dat die aansprakelijke partij kennelijk weigerachtig is de schade van [de zoon van eiser] te voldoen, ontslaat [de zoon van eiser] niet van de verplichting om de kosten van rechtsbijstand aan eiser te voldoen. Dat [de zoon van eiser] er voor heeft gekozen [de verzekeraar] niet in rechte te betrekken om zodoende vergoeding van zijn schade te verkrijgen is een beslissing van [de zoon van eiser]. Voor het verhalen van de schade is een toevoeging aangevraagd en gekregen. Zou de aansprakelijkheid uiteindelijk niet zijn erkend, dan zou de toevoeging ter declaratie aan de Raad voor Rechtsbijstand worden aangeboden. Echter, nu een derde, te weten [de stichting] namens [de verzekeraar], de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval uitdrukkelijk heeft erkend, is het die derde die de kosten van rechtsbijstand als (vermogens)schade van [de zoon van eiser] aan [de zoon van eiser] dient te vergoeden; niet aan eiser. Om die reden is de toevoeging terecht en zoals gebruikelijk ingetrokken. Voorts is het intakeformulier van belang waarop uitdrukkelijk is aangegeven dat op basis van een toevoeging zou worden gewerkt indien van erkenning van aansprakelijkheid geen sprake zou zijn, maar dat indien aansprakelijkheid zou worden erkend, door eiser € 235,– per uur exclusief BTW en kantoorkosten in rekening zou worden gebracht.   Op grond van het voorgaande verzoekt eiser de commissie te bepalen dat verweerder de openstaande declaraties (beperkt tot een bedrag) van in totaal € 10.000,– dient te voldoen te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf veertien dagen na het te wijzen arbitrale vonnis, de kosten van deze procedure conform artikel 36 van het Reglement, welke op € 3.000,– worden begroot en de kosten van het GBA uittreksel.   Standpunt verweerder   Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt zijn standpunt op het volgende neer.   Verweerder heeft het intakeformulier van eiser namens zijn zoon getekend. Vervolgens heeft eiser een toevoeging aangevraagd voor [zijn zoon]. Deze toevoeging is door de Raad voor Rechtsbijstand verleend, maar is nadien op verzoek van eiser ingetrokken, omdat [de verzekeraar] van [de stichting] namens [de stichting] aansprakelijkheid heeft erkend voor de gevolgen van de val van [de zoon van eiser]. Hiermee is gegeven dat [de stichting], althans [de verzekeraar] als nieuwe en enige debiteur van eiser – tevens voor de (redelijke) kosten van rechtsbijstand – aansprakelijk is. Na erkenning van de aansprakelijkheid heeft eiser zijn declaraties dan ook naar [de verzekeraar] gestuurd, die [de verzekeraar] gedeeltelijk heeft voldaan. Op 17 november 2010 heeft verweerder per brief de opdracht aan eiser ingetrokken, omdat hij ontevreden was over de wijze waarop de belangen van zijn zoon door eiser werden behartigd. [De verzekeraar] weigert verdere nog openstaande declaraties van eiser te voldoen en stelt zich op het standpunt dat deze bij de eindafrekening aan de orde zullen komen, hetgeen niet ongebruikelijk is in de letselschadepraktijk. Die weigering heeft niet tot gevolg dat [de zoon van eiser] daardoor debiteur is geworden van eiser.    Op grond van het vorenstaande verzoekt verweerder de commissie de vordering van eiser te ontzeggen met veroordeling van eiser in de kosten van dit geding, te begroten op € 3.000,– te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen arbitrale vonnis.   Ter zitting heeft [de advocaat] namens verweerder aangevoerd dat nu de zoon van verweerder voor gefinancierde rechtsbijstand is gekwalificeerd, er derhalve geen grond bestaat waarop de declaraties van eiser op [de zoon van eiser] kunnen worden verhaald. De declaraties van eiser worden door [de verzekeraar] betwist, omdat deze de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan en het is niet de taak van verweerder zorg te dragen dat [de verzekeraar] de declaraties van eiser betaalt. Eiser heeft een wissel op de toekomst getrokken door de verkregen toevoeging voor [de zoon] te laten intrekken. Daarmee heeft eiser het risico genomen dat de verzekeraar zijn declaraties niet zou betalen. Eiser kan thans zijn declaraties uiteraard niet op [de zoon] verhalen aangezien hij onvermogend is en om die reden voor een toevoeging in aanmerking komt. Eiser zal derhalve op de eindafwikkeling moeten wachten. Het door verweerder aanhangig maken van een deelgeschil met de verzekeraar is geen optie, nu dit niet in het belang is van [de zoon van eiser]. Eiser kan eventueel wel zelf namens [de zoon] de verzekeraar aanspreken op betaling van zijn declaraties, mits [de zoon] wordt gevrijwaard van kosten e.d.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   De commissie is van oordeel dat de advocaat (eiser) inzake de onderhavige zaak niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. De commissie overweegt daartoe als volgt.   De commissie stelt vast dat de materieel opdrachtgever [de zoon van eiser] een toevoeging voor de inspanningen van de advocaat heeft verkregen. Als gevolg van het bepaalde in de algemene voorwaarden van de advocaat is na erkende aansprakelijkheid door de verzekeraar van de wederpartij de situatie ontstaan dat de toevoeging is ingetrokken en dat de advocaat op uurtarief heeft gedeclareerd. De declaraties zijn gedeeltelijk door de verzekeraar betaald, maar er staat nog circa € 10.000,– open. De advocaat stelt zich op het standpunt dat [de zoon van eiser], zijnde zijn (gewezen) cliënt, deze declaraties dient te betalen nu de advocaat geen rechtstreekse toegang meer heeft tot de verzekeraar. De lijn volgend van de algemene voorwaarden van de advocaat is deze opvatting strikt genomen juist edoch, in casu is deze regeling voor [de zoon van eiser] onredelijk bezwarend. Immers, het kan niet zo zijn dat waar [de zoon van eiser] in beginsel op basis van een toevoeging kosteloos heeft kunnen procederen, hij thans op grond van de algemene voorwaarden van de advocaat diens declaraties volgens commercieel tarief zou moeten voldoen voordat de verzekeraar tot eventuele uitkering bij een definitieve schaderegeling is overgegaan. In dit opzicht moet de advocaat – op dit moment – zijn vorderingsrecht richting [de zoon van eiser] worden ontzegd en in zoverre is het verweer van [de zoon van eiser] gegrond en dient de vordering tot incasso te worden afgewezen. De commissie overweegt hierbij ten overvloede dat de ter zitting besproken mogelijkheid voor de advocaat om namens [de zoon van eiser] de verzekeraar aan te spreken op betaling van de declaraties in dit geval de meest passende oplossing is. Deze mogelijkheid is ter sprake gebracht namens [de zoon van eiser] onder vrijwaring van kosten e.d.   De advocaat heeft nog verzocht verweerder te veroordelen in de verschuldigde wettelijke rente. Gelet op de omstandigheid dat de advocaat in het ongelijk wordt gesteld, ziet de commissie geen grond voor het toewijzen van dat verzoek. Dit verzoek zal de commissie dan ook afwijzen.   Tevens hebben zowel de advocaat als de verweerder verzocht de andere partij te veroordelen in de kosten van deze procedure welke op € 3.000,- worden begroot. De commissie overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 36 van het Reglement kan de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld om aan de wederpartij te voldoen de kosten van deskundigen en getuigen en de door de commissie begrote kosten van juridische bijstand van de wederpartij. De advocaat wordt weliswaar in het ongelijk gesteld, maar nu verweerder zijn vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt aangezien hij het bedrag van € 3.000,– niet heeft gespecificeerd, zal de commissie het verzoek van verweerder afwijzen. De commissie merkt nog op dat de achtergrond van deze bepaling is dat de procedure bij de commissie laagdrempelig en eenvoudig dient te zijn, waarbij geen proceskostenveroordeling past en dat deze slechts bij hoge uitzondering zal worden toegewezen.   De arbitragekosten zullen op grond van de laatste zin van artikel 36 van het Reglement over partijen worden verdeeld in die zin dat elk der partijen zal worden veroordeeld in de helft van de kosten van deze arbitrage die in totaal € 178,50 bedraagt.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie:   – verklaart de klacht van eiser (de advocaat) ongegrond;   – veroordeelt verweerder om aan eiser te voldoen de helft van de kosten van deze arbitrage, derhalve een bedrag van € 89,25 aan honorarium en verschotten van de arbiters;   – wijst het meer of anders verzochte af.   Deze uitspraak is aldus gewezen te Utrecht op 13 april 2012.