Cliënt klaagt over advocaat voor niet wraken van raadsheer-commissaris

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kosten    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 7569/24806

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. De advocaat had de raadsheer-commissaris moeten wraken. Deze raadsheer-commissaris heeft zich tijdens de zitting misdragen door zich zeer vernederend en beledigend richting de cliënt uit te laten. Daarnaast had de advocaat moeten ingrijpen toen de raadsheer-commissaris bij het getuigenverhoor weigerde de cliënt vragen te laten stellen aan zijn moeder als partij getuige. De advocaat is het oneens met de klachten van de cliënt en vindt dat ze ongegrond verklaard moeten worden. De commissie stelt vast dat de raadsheer-commissaris niet heeft mee-geoordeeld over de uiteindelijke beslissing die het gerechtshof heeft genomen. De advocaat heeft een weloverwogen, professionele keuze gemaakt om de raadsheer-commissaris niet te wraken. Verder is het stellen van vragen ter gelegenheid van getuigenverhoren alleen aan de rechter. De raadsheer-commissaris kon op goede gronden de cliënt tegenhouden om vragen te stellen aan zijn moeder. Ingrijpen door de advocaat was niet mogelijk. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Advocatuur (verder te noemen: de commissie) heeft bij tussenadvies d.d. 29 juli 2020 de cliënt ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 1 (het niet wraken van de raadsheer-commissaris) en 2 (het niet ingrijpen bij de weigering van de raadsheer-commissaris om de cliënt in contra-enquête een vraag aan zijn moeder (partij getuige) te stellen). De cliënt is ten aanzien van de klachtonderdelen 3 (het niet reageren op de e-mail van 22 december 2016 – het niet verwerken van de inhoud in de processtukken) en 4 (het niet overleggen van een verklaring van de broer van de cliënt) niet-ontvankelijk verklaard.

De inhoud van dit tussenadvies moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Partijen hebben – in verband met COVID-19 en de beperkingen die daardoor zijn ontstaan in de mogelijkheden van het houden van een mondelinge behandeling – ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak.

Onderwerp van het geschil
De advocaat heeft de cliënt bijgestaan in een gerechtelijke procedure.

Het geschil gaat over de kwaliteit van dienstverlening.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 2 op het volgende neer.

De cliënt heeft een civiele procedure verloren door een gebrek aan inspanning en wetskennis van de advocaat. De kwaliteit van de dienstverlening was ver beneden peil. De cliënt had de procedure makkelijk kunnen winnen met een redelijk bekwame advocaat.

De advocaat had de raadsheer-commissaris die de comparitie na aanbrengen heeft geleid moeten wraken. Deze raadsheer-commissaris heeft zich tijdens de zitting misdragen door zich zeer vernederend en beledigend jegens de cliënt uit te laten. Er was sprake van schofferend en onprofessioneel gedrag. De raadsheer-commissaris is buiten zijn boekje gegaan. De cliënt heeft geluidsopnamen gemaakt waar een en ander uit blijkt. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft deze klacht gegrond verklaard. De door de rechtsbijstandsverzekeraar ingehuurde advocaat heeft zelfs aangegeven dat wraking op zijn plaats zou zijn geweest en succesvol zou zijn geweest.

Tijdens het getuigenverhoor op 30 mei 2017 heeft de cliënt de raadsheer-commissaris toestemming gevraagd om vragen te stellen aan zijn moeder, partijgetuige. De raadsheer-commissaris heeft dit niet toegestaan. De advocaat heeft op deze weigering niet gereageerd.
De raadsheer-commissaris heeft met de weigering gehandeld in strijd met artikel 179 lid 2 Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens deze bepaling mogen door de advocaten en partijen vragen gesteld worden. Dit mag niet worden geweigerd. De cliënt heeft de advocaat tijdens de schorsing gewezen op het wetsartikel. De advocaat was met het artikel niet bekend, maar beaamde dat de raadsheer-commissaris strijdig met de wet had gehandeld en dat eventueel cassatie daardoor mogelijk was geworden. De advocaat had na de schorsing de gelegenheid om de raadsheer-commissaris te wijzen op het bewuste wetsartikel, maar heeft dat niet gedaan. De cliënt mocht niets zeggen.
De cliënt heeft vooraf circa 100 vragen voor de advocaat op papier gesteld. De advocaat heeft deze vragen meegenomen naar het getuigenverhoor. Hij gaf aan dat er een aantal zeer goede vragen tussen stonden. De cliënt zag dat de advocaat circa 100 vragen had gearceerd. Hij gaf aan dat hij deze vragen ging stellen aan de getuige. Dat is echter niet gebeurd. Hij heeft geen enkele vraag gesteld. De cliënt is het recht ontnomen vragen te stellen aan zijn moeder.

Omdat niet is vastgelegd dat de cliënt is belet vragen te stellen, kan hierover geen cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
De advocaat moet op de hoogte zijn van de relevante wetsartikelen. Hij had zich op het getuigenverhoor moeten voorbereiden door die wetsartikelen te bestuderen.

De advocaat had de rechter-commissaris en het hof duidelijk moeten maken dat het hof het vonnis van de kantonrechter onjuist geïnterpreteerd heeft en dat de cliënt wel degelijk de helft van de schenking aan zijn broer [naam broer] heeft betaald. De advocaat had dit moeten melden tijdens het getuigenverhoor en ook schriftelijk moeten bevestigen.

De Groene Serie waarop de advocaat zich beroept heeft geen wettelijke waarde en heeft niet meer waarde dan de libelle.

Als gevolg van het handelen van de advocaat heeft de cliënt de procedure verloren en moet hij een bedrag van € 27.733,40 aan de wederpartij betalen.

De cliënt verlangt een schadevergoeding van € 10.000,–.

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder de brief van 17 september 2020. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De moeder van de cliënt heeft tegen hem in 2013 aangifte gedaan van verduistering en hem in 2014 gedagvaard voor de kantonrechter tot terugbetaling van hetgeen de moeder aan hem heeft overgemaakt te weten € 22.500,–. De cliënt stelt dat er sprake is geweest van een schenking aan hem en zijn broer [naam broer], welke de cliënt in overleg met de moeder heeft bewerkstelligd. De moeder betwist dat sprake is geweest van schenking. Er was volgens haar sprake van inbewaringgeving.
De cliënt is door de rechtbank in de strafzaak vrijgesproken en was daarmee uitermate content.

In de civiele procedure is in overleg met de cliënt een conclusie van antwoord opgesteld. De kantonrechter heeft de vorderingen van de moeder toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In overleg met de cliënt is een kort geding aanhangig gemaakt teneinde de executie te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de cliënt afgewezen.
Daarnaast is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 26 maart 2015.

Het gerechtshof Amsterdam heeft een comparitie na aanbrengen bepaald. De advocaat heeft ervan afgezien de raadsheer-commissaris te wraken. De comparitie had alleen tot doel het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De raadsheer-commissaris deed dat op zijn eigen wijze. Met zijn opmerkingen had de advocaat moeite, maar de advocaat vond een wraking op dat moment niet opportuun. Een gegronde wraking zou betekenen dat de comparitie na aanbrengen zou moeten worden overgedaan door een andere comparitierechter. Dat had geen toegevoegde waarde en zin. De moeder was door de kantonrechter immers in het gelijk gesteld. Zij had ook al beslag gelegd op het inkomen dan wel de uitkering van de cliënt. De cliënt wilde niet schikken, hij vond dat het bedrag was geschonken. Een wraking is door de cliënt evenmin verzocht of besproken. De cliënt had al ervaring met wraken en had zelf ook kunnen aangeven dat hij de raadsheer-commissaris wilde wraken. Dat heeft hij niet gedaan.
De raadsheer-commissaris is ook verder niet meer bij de zaak betrokken geweest.

In nauw overleg met de cliënt is opgave gedaan van de te horen getuigen. De moeder is door de cliënt niet als getuige opgeroepen. De wederpartij heeft in de contra-enquête drie getuigen laten oproepen, waaronder de moeder als partijgetuige. Aan de getuigen zijn vragen gesteld door de raadsheer-commissaris en mogelijk de advocaat van de moeder en de advocaat. De raadsheer-commissaris heeft het niet toegestaan dat de cliënt ook vragen aan zijn moeder zou stellen. De advocaat heeft daartegen niet geprotesteerd dan wel anderszins actie ondernomen.
In de literatuur wordt gesteld dat de rechter kan toestaan dat partijen rechtstreeks aan getuigen vragen kunnen stellen en dus niet verplicht is dit toe te staan. In de Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering stelt prof. dr. G.R. Rutgers dat het stellen van vragen ter gelegenheid van getuigenverhoren is voorbehouden aan de rechter. Hij stelt voorts dat partijen elkaar ook vragen kunnen stellen met uitzondering in het geval dat een van beide partijen of beiden als getuigen optreden. De moeder werd als partijgetuige gehoord. De rechter kon op die grond derhalve het niet toestaan dat de cliënt een vraag stelde aan zijn moeder. De procedure is, opnieuw en zonder enige klacht van de cliënt, vervolgd. In goed en nauw overleg met de cliënt is door de advocaat een memorie na enquête tevens wijziging van eis opgesteld. De cliënt was uitermate content met dit stuk.

Het eindarrest was helaas negatief voor de cliënt. Het hof heeft in een zeer uitvoerig en gemotiveerd arrest het vonnis van de kantonrechter in stand gelaten.

De advocaat is niet tekort geschoten en heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Er is geen causaal verband tussen het handelen / nalaten van de advocaat en het feit dat het hof het vonnis van de kantonrechter heeft bekrachtigd en dat door toedoen van de advocaat de cliënt het van de moeder ontvangen bedrag moest terugbetalen. De advocaat betwist dat de cliënt schade heeft geleden als gevolg van zijn handelen en/of nalaten.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Klachtonderdeel 1
De klacht komt er in de kern op neer dat de cliënt de advocaat verwijt dat deze de raadsheer-commissaris tijdens de comparitie van partijen niet heeft gewraakt.
De advocaat heeft in zijn verweer dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken.
Een comparitie van partijen heeft tot doel het beproeven van een schikking en het inwinnen van inlichtingen. Zowel de advocaat als de cliënt hadden moeite met de opmerkingen van deze raadsheer-commissaris. De advocaat vond een wraking evenwel niet verstandig nu dit bij het slagen van de wraking zou leiden tot een nieuwe comparitie na aanbrengen, terwijl wel vaststond dat de cliënt niet genegen was tot een schikking te komen. De commissie stelt vast dat de raadsheer-commissaris die de comparitie na aanbrengen heeft gedaan, heeft niet mee-geoordeeld over de uiteindelijke beslissing die het gerechtshof heeft genomen. De veronderstelling van de cliënt dat deze raadsheer-commissaris op enigerlei wijze de combinatie van raadsheren die de uitspraak heeft gedaan zou kunnen beïnvloeden is niet gebleken en evenmin gebruikelijk.
Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat een weloverwogen, professionele keuze gemaakt. Niet is gebleken dat de advocaat daarbij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat verwacht mag worden.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 2
De cliënt verwijt de advocaat dat deze niet heeft ingegrepen toen de raadsheer-commissaris die het getuigenverhoor deed weigerde cliënt vragen te laten stellen aan zijn moeder als partij getuige.
Ook dit klachtonderdeel heeft de advocaat gemotiveerd weersproken.
De beslissing van de raadsheer-commissaris om de cliënt geen vragen te laten stellen aan zijn moeder vindt zijn grondslag in artikel 179 lid 2 Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering waar is geregeld dat de rechter kan toestaan dat partijen rechtstreeks aan getuigen vragen stellen. Dit is evenwel geen verplichting. Het stellen van vragen ter gelegenheid van getuigenverhoren is voorbehouden aan de rechter. In het geval dat een partij als partijgetuige optreedt is het de andere partij niet toegestaan vragen aan deze partijgetuige te stellen. De raadsheer-commissaris kon dus op goede gronden de cliënt beletten vragen stelde aan zijn moeder. Ingrijpen door de advocaat, zoals door de cliënt betoogd, lag dan ook niet in de rede.
Niet is dan ook komen vast te staan dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat verwacht mag worden. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Dat de cliënt schade heeft geleden door toedoen van de advocaat is niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is .

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond;

– wijst af het door de cliënt verlangde.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk, mevrouw drs. P.C. Hoogeveen-de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 22 februari 2021.