Cliënt moet advocaat alsnog betalen voor opgestelde brief

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 365852/496860

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak klaagt een cliënt over de werkwijze van zijn advocaat. Hij had haar gevraagd een stevige brief te schrijven aan de executeurs van de nalatenschap van zijn overleden moeder, omdat volgens hem kunstvoorwerpen verkeerd waren getaxeerd en een verzameling Romeins glas ontbrak in de boedel. De advocaat wilde echter een voorzichtige toon aanslaan en weigerde de executeurs te beschuldigen van misleiding. Dit leidde tot een conflict, waarna de cliënt de samenwerking beëindigde en zelf een brief opstelde. Hij wilde de factuur van €802,23 voor de conceptbrief niet betalen. De advocaat stelde dat zij professioneel heeft gehandeld en dat de werkzaamheden terecht zijn gefactureerd. De Geschillencommissie oordeelde dat de advocaat binnen haar professionele grenzen heeft gehandeld en dat haar aanpak begrijpelijk was gezien de situatie. De klacht werd ongegrond verklaard en de cliënt moet het openstaande bedrag alsnog betalen. Ook blijft het klachtengeld voor rekening van de cliënt.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.

De cliënt heeft een bedrag van € 802,23 niet betaald aan de advocaat en bij de commissie in depot gestort.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.

De cliënt heeft zich tot de advocaat gewend met het verzoek hem bij te staan bij het opeisen van zijn legitieme portie, nadat zijn moeder was overleden. De advocaat heeft een brief voor de executeurs testamentair (hierna te noemen: “de executeurs”) opgesteld die de cliënt in zijn naam heeft verzonden. De cliënt heeft de advocaat vervolgens gevraagd om een (tweede) brief naar de executeurs te schrijven. Er was sprake van een verkeerde taxatie van tot de nalatenschap behorende kunstvoorwerpen. Bovendien was een verzameling Romeins glas niet in de boedelbeschrijving opgenomen. Hierdoor kwam de legitimaire massa van de cliënt € 180.000,- lager uit. Omdat duidelijk was dat de executeurs informatie achterhielden, wilde de cliënt dat het een pittige brief zou worden. Hij heeft echter niet gevraagd om daarin op te nemen dat de executeurs de boel belazerden. Volgens hem zou een pittige en duidelijke brief van de advocaat er mogelijk voor kunnen zorgen dat de executeurs hun taak beter zou uitvoeren

De advocaat heeft geweigerd de door de cliënt verstrekte informatie in de brief aan de executeurs op te nemen en de executeurs expliciet aan te spreken op het achterhouden van informatie. De cliënt heeft in een e-mail zijn ongenoegen geuit over de aanpak van de advocaat. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat de cliënt boos opgebeld. In het telefoongesprek heeft zij aangegeven dat zij de brief alleen op haar manier wilde opstellen. Zij heeft iedere vorm van overleg afgekapt. De cliënt had de advocaat eerder laten weten dat hij gesprekken met haar had opgenomen als geheugensteuntje. De advocaat was hier zeer verbolgen over. Hoewel hij dit met de advocaat had uitgepraat, was zij hier kennelijk nog steeds boos over. De conceptbrief was en is onbruikbaar voor de cliënt. Toch heeft de advocaat de cliënt een declaratie gestuurd voor het opstellen daarvan. Uiteindelijk heeft de cliënt zelf opnieuw een brief aan de executeurs geschreven en verstuurd. Hij heeft daarbij – behoudens één zinnetje – geen gebruik gemaakt van de conceptbrief van de advocaat.

De cliënt is van mening dat de advocaat is tekortgeschoten, doordat zij geen pittige brief wilde opstellen. Hij wil de declaratie voor deze werkzaamheden daarom niet betalen.

De cliënt verzoekt de commissie te bepalen dat hij het openstaande bedrag van € 802,23 niet hoeft te betalen.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals toegelicht ter zitting – op het volgende neer.

Van het begin af aan is de communicatie met de cliënt stroef verlopen. De cliënt bleek heimelijk opnames te hebben gemaakt van (telefoon)gesprekken met de advocaat. De cliënt heeft hiervoor excuses aangeboden, waarna de advocaat met een schone lei is verdergegaan.

De advocaat is conform de door de cliënt verstrekte opdracht te werk gegaan. De cliënt heeft er bij haar op aangedrongen om er in haar schrijven aan de executeurs ‘met gestrekt been’ in te gaan door deze te beschuldigen van ‘de boel belazeren’. De advocaat heeft toegelicht dat dit niet haar stijl/aanpak is en dit de zaak bovendien onnodig zou kunnen laten escaleren. Uit de stukken bleek ook niet dat sprake was van ‘de boel belazeren’.

De advocaat heeft het in het belang van de cliënt geacht dat er eerst meer informatie zou komen en dat er zou moeten worden geprobeerd tot een gesprek met de wederpartij te komen. Als dat niet zou lukken, zou de advocaat daar gevolgen aan verbinden die zij op dat moment met de cliënt zou bespreken. De advocaat heeft vervolgens een conceptbrief opgesteld. In reactie hierop heeft de cliënt de advocaat laten weten dat hij toch wilde dat in de brief werd opgenomen dat de executeurs de boel belazerden. De advocaat heeft toen aangegeven dat het de cliënt vrijstond een andere advocaat te vinden, die wellicht beter bij zijn wensen aansloot. De cliënt heeft uiteindelijk de samenwerking beëindigd.

De advocaat heeft de cliënt de werkzaamheden in rekening gebracht die ook werkelijk door haar in opdracht van de cliënt zijn uitgevoerd. Dat de cliënt de samenwerking heeft beëindigd, is geen reden om de werkzaamheden die daarvóór hebben plaatsgevonden niet te betalen.

De advocaat verzoekt de commissie te bepalen dat de cliënt het openstaande bedrag van € 802,23 dient te voldoen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie constateert dat de kern van de klacht van de cliënt is dat de advocaat een conceptbrief aan de executeurs heeft opgesteld die niet tegemoet kwam aan zijn wensen.

De commissie merkt in dit verband op dat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding dient te nemen en vanuit haar verantwoordelijkheid ook dient te bepalen welke toon wordt aangeslagen om de belangen van de cliënt het beste te dienen. De commissie stelt vast dat de advocaat ervoor heeft gekozen om de executeurs in eerste instantie voorzichtig te benaderen. Gelet op alles wat er speelde tussen de cliënt en de executeurs acht de commissie de keuze van de advocaat begrijpelijk en op de omstandigheden van het geval toegesneden. De executeurs beschuldigen van het achterhouden van informatie zou onder deze omstandigheden naar het oordeel van de commissie contraproductief kunnen zijn geweest. De commissie merkt in dit verband bovendien op dat de advocaat gebonden is aan de voor haar geldende Gedragsregels Advocatuur die op dit punt – kort gesteld – inhouden dat een advocaat behoort te onderzoeken of een regeling in der minne mogelijk is en zich bovendien niet onnodig grievend mag uitlaten.

De advocaat heeft in de brief weliswaar niet – zoals de cliënt wilde – aangegeven dat het achterhouden van informatie voor de cliënt de aanleiding vormde om de advocaat in te schakelen, maar zij heeft wel de (juridische) consequenties van het achterhouden van informatie duidelijk benoemd. Daarmee was weldegelijk sprake van een pittige insteek, zoals de cliënt ter zitting ook heeft erkend.

De commissie stelt wel vast dat de communicatie tussen partijen niet soepel is verlopen, maar dit is onvoldoende voor de conclusie dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie acht de klacht van de cliënt dan ook ongegrond. Zij zal het door hem verzochte dan ook afwijzen en bepalen dat hij de openstaande declaratie dient te voldoen. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de cliënt de werkzaamheden die staan vermeld op de bij de declaratie behorende specificatie niet heeft betwist.

Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor zijn rekening.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– Verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem verlangde af;
– Bepaalt dat de cliënt het openstaande bedrag van € 802,23 aan de advocaat dient te betalen. Met in achtneming hiervan wordt het depot aan de advocaat overgemaakt.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 15 november 2024.

Opslaan als PDF